Katern Bodem

1.Inleiding

2015 is door de Verenigde Naties uitgeroepen tot het internationale Jaar van de Bodem. Het doel van dit jaar van de bodem is bewustwording van het belang van bodems voor voedselveiligheid en het ecosysteem (Timeanddate, 2015). Ook in Nederland wordt via allerlei activiteiten aandacht besteed aan het jaar van de bodem. Zo is er een documentaire Bodemboeren ontwikkeld in 2014 (Bodemboeren, 2014) over agrarische koplopers in het duurzame beheer van de levende bodem. De première van deze documentaire was in januari 2015 op de Bio-Beurs in Zwolle. Verder is er een speciale website Jaar van de Bodem in het leven geroepen (Aerst, 2015) met daarin een agenda voor nationale en regionale activiteiten in het kader van het jaar van de bodem. Zo werd voorjaar van 2015 een excursie georganiseerd in Zeeland over bodemvruchtbaarheid en was er een dag Ontmoeting Boeren en Burgers georganiseerd door BodemAnders (VoedselAnders, 2015).

De bodem is belangrijk voor voedselproductie (landbouw) maar ook als regulator in de cyclus van water, koolstof, stikstof en warmte; als habitat voor de vele organismen die er in en er op leven; als bron van grondstoffen; als geografisch en cultureel erfgoed (basis van het landschap); en natuurlijk als de grond waarop wij leven, waarop onze gebouwen zijn gefundeerd en waarin zich allerlei netwerken van buizen en kabels bevinden. Deze functies van de bodem vullen elkaar soms aan, maar kunnen ook met elkaar concurreren: als de bodem eenmaal is afgedekt door erop te bouwen is hij meestal niet meer beschikbaar voor voedselproductie, en ook andere functies worden dan problematisch (opvang van regen, biodiversiteit, landschap).

Om de bodem te beschermen tegen afbraak voeren de meeste landen in meer of mindere mate bodembeleid. Europa is zich bewust van het belang van de bodem en heeft voor de bescherming van de bodem in 2006 de Thematische Bodem Strategie ontwikkeld. De Thematische Bodem Strategie bestaat uit een Communicatieplan (EC, 2006a: COM(2006) 231), een Richtlijn Bodem (EC, 2006b: COM(2006) 232) en een studie naar de impacts van het mogelijk te nemen beleid. In het communicatieplan wordt uitgelegd waarom er een strategie is ontwikkeld voor de bodem, het doel en de te nemen maatregelen. De richtlijn is een raamwerk waarbinnen individuele lidstaten hun beleid kunnen ontwikkelen. Het assessment bevat een economische, sociale en milieu analyse van de mogelijke effecten van het te nemen beleid (EC, 2015).

In 2014 is de Richtlijn verworpen (EC, 2015) maar ondertussen is wel het 7e Milieu Actie Programma in werking getreden met daarin het besef dat bodemdegradatie een uitdagend aandachtspunt is (de Thematische Bodem Strategie is een van de resultaten van het 6e Milieu Actie Programma). Ondertussen voert en handhaaft Nederland zijn eigen bodembeleid dat gericht is op een gezond en duurzaam bodembeheer (Rijkswaterstaat, 2015). Het Nederlandse bodembeleid wordt geregeld in de Wet Milieubeheer en de Wet Bodembescherming. Daarnaast is er een nauwe relatie met het waterbeleid, het mestbeleid en andere wet- en regelgeving. De te hanteren wet is afhankelijk van de landbouwactiviteit. Zo wordt de bescherming van de bodem door landgebruik geregeld via de mestwetgeving en de bestrijdingsmiddelenwet. Bij bedrijfsmatige activiteiten gelden de betreffende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) of de Wet Milieubeheer (Bodemrichtlijn, 2015).

Binnen het krachtenveld rond bodemkwaliteit en de vraag naar grond staan belangen van verschillende groepen vaak tegenover elkaar. Hierbij moeten afwegingen en keuzes worden gemaakt over te nemen maatregelen. Zo kan een bepaalde maatregel op korte termijn voordelen opleveren, maar op lange termijn nadelen. Hoe zwaar mogen die voor- en nadelen wegen? En als de ene functie ten koste gaat van de andere, welke moet dan voorrang hebben en waarom? Ook de ethiek speelt een rol bij bodembeheer: het gaat dan om thema’s als ‘verantwoordelijkheid tegenover toekomstige generaties’, ‘rentmeesterschap’ en ‘de (on)aanvaardbaarheid van het teweegbrengen van onomkeerbare veranderingen’. Bij de besluitvorming over grondgebruik, dus over concrete (bodem)functies, zijn daarom veel verschillende expertises van belang: naast technici zoals bodemkundigen en fysisch geografen, spelen ook economen, sociologen en bestuurskundigen een belangrijke rol.

Dit katern gaat over de relatie tussen landbouw en bodemkwaliteit: welke factoren bedreigen het behoud van bodemfuncties en wat kan daaraan worden gedaan? Uiteraard hebben de boeren zelf belang bij bodemkwaliteit en in dat opzicht moet het beleid zich richten op het verwerven van de noodzakelijke kennis (onderzoek) en de verspreiding daarvan onder bodemgebruikers (voorlichting). Echter, soms gaat het bij bodembeheer om publieke goederen: wat de gebruiker met een bepaald stuk grond doet heeft gevolgen voor de bodemkwaliteit elders, zoals hierboven al aangegeven. In die gevallen moet het beleid zorgen voor prikkels om het gedrag van grondgebruikers te beïnvloeden of via regulering het gewenste gedrag dwingend opleggen: de zogenaamde ‘wortel-stok’ benadering (zie ook Ganzevoort, 2012). Hieronder beschrijven we hoe ontwikkelingen in de landbouw gevolgen hebben en hebben gehad voor bodembeheer in Nederland.

2.Landbouw en bodem

Door een steeds intensiever gebruik is de beschikbaarheid van kwalitatief goede landbouwgrond (voldoende organische stof, goede bodemstructuur, beschikbaarheid van mineralen en water, zuurgraad en dergelijke) in Nederland de afgelopen decennia steeds meer onder druk komen te staan. Diverse trends hebben hieraan bijgedragen.

Kwaliteit

Al sinds de jaren vijftig daalt het aantal agrarische bedrijven en neemt het areaal per bedrijf toe. Daarnaast zijn de meeste bedrijven tegenwoordig meer dan vroeger gespecialiseerd en is het areaal hoogrenderende gewassen als (poot)aardappelen, bloembollen en vollegrondsgroenten sterk toegenomen. Dergelijke gewassen stellen hoge eisen aan de bodem en dienen te worden afgewisseld met minder veeleisende gewassen. Hierdoor is er een toenemende behoefte aan flexibiliteit in grondgebruik ontstaan - en daarmee vraag naar kortlopende pacht (Breukers et al., 2008). Kortlopend grondgebruik kan het duurzaam beheer van grond onder druk zetten, omdat de gebruiker niet optimaal profiteert van de (vaak op langere termijn) baten van zijn investeringen in bodemkwaliteit.

Parallel aan de trend van schaalvergroting was technische innovatie een tijdlang gericht op vergroting van capaciteit en inzetbaarheid. Dit resulteerde in steeds zwaardere machines, wat ten koste ging van de bodemstructuur. Machines werden specialistischer in gebruik en kostbaarder in aanschaf, en daardoor aantrekkelijker voor uitbesteding aan loonwerk. Daardoor is ook het landbouwverkeer - en dus versleping van grond - tussen percelen en bedrijven toegenomen. Ontwikkelingen op het gebied van nutriënten (kunstmest) en gewasbescherming (grondontsmetting) hebben ondernemers meer handvatten gegeven om te corrigeren voor ongunstige teeltomstandigheden, waardoor de nadelen van achteruitgang van de bodemkwaliteit lange tijd onderbelicht zijn gebleven. De laatste jaren zien we overigens dat het tij keert en er gezocht wordt naar technische oplossingen voor onder andere bodemstructuur (rupsbanden/rijpaden) en heterogeniteit in een perceel (precisielandbouw). Ook ontstaan vanuit de verschillende landbouwsectoren initiatieven om duurzaam (of duurzamer) te gaan produceren. Voorbeelden hiervan zijn de Stichting Veldleeuwerik (Stichting Veldleeuwerik, 2012) en de Stichting Kringloopboeren (VBBM, 2015).

Beschikbaarheid en betaalbaarheid

Op 1 april 2015 is het melkquotum systeem afgeschaft. Dit zal leiden tot bedrijfsuitbreiding en dus tot een groeiende vraag naar grond (voor voerproductie en mestafzet). Deze groei zal deels worden geremd door de AMvB Verantwoorde groei melkveehouderij welke grenzen stelt aan de uitbreidingsmogelijkheden in de melkveehouderij (EZ, 2015a). Omdat onder de AMvB toch groei mogelijk is, zal de concurrentie om grond in gebieden met een substantieel aandeel melkveehouderij toenemen.

Landbouwgrond is in de afgelopen decennia sterk in waarde gestegen, zowel absoluut als in verhouding tot de opbrengsten (Farjon et al., 2014). De hierboven genoemde ontwikkelingen hebben hieraan bijgedragen, maar er zijn meer factoren die een rol spelen. Zo is er de afgelopen periode nog steeds grond onttrokken aan de landbouw ten behoeve van concurrerende bodemfuncties zoals waterberging, natuur, ontpoldering en stadsuitbreiding; een dergelijke onttrekking is meestal onomkeerbaar. Daarnaast is er ook in de agrarische sector sprake van vergrijzing en neemt het percentage oudere bedrijfshoofden toe (CBS, 2015). Door de lage rente is het voor hen onaantrekkelijk om hun grond te verkopen; in plaats daarvan verpachten zij die grond liever. Verder heeft liberalisering van de pachtwet geleid tot andere verhoudingen tussen pachters en verpachters, wat de pachtprijs soms opdrijft tot bedragen waar veel ondernemers niet om kunnen concurreren. Bodemkwaliteit als parameter in de prijsvorming lijkt daarbij naar de achtergrond verplaatst, maar speelt indirect wel een rol via de grondbeloning van de aan de pacht voorafgaande 5 jaar. Deze grondbeloning hangt weer samen met het opbrengend vermogen en daarmee de bodemkwaliteit.

Samenvattend

Bovenstaande ontwikkelingen laten zien dat agrarisch ondernemers in een spagaat beland zijn. Enerzijds zijn zij primair verantwoordelijk voor verduurzaming van bodembeheer, en daar op lange termijn ook zelf bij gebaat. Anderzijds opereren zij in een omgeving die een kortetermijnperspectief stimuleert en waarin positieve prikkels voor duurzaam bodembeheer ontbreken.

3.Bodemgebruik en risico’s in de praktijk

Rooigewassen

De gewassenkeuze heeft invloed op de bodemkwaliteit. Rooigewassen zoals aardappelen, suikerbieten, uien en bloembollen vergen meer van de bodem dan maaigewassen als granen, peulvruchten en handelsgewassen. Bij rooigewassen worden meestal zwaardere machines ingezet, wat bij ongunstige weersomstandigheden kan leiden tot ondergrondverdichting. Daarnaast is sprake van een grotere belasting door toepassing van intensieve grondbewerking met eggen en frezen in het voorjaar, met rooimachines in het najaar en met een intensiever gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Dat kan leiden tot structuurbederf en schade aan het bodemleven. Tegenover deze ongunstige effecten van rooigewassen staan gunstige effecten van maaigewassen zoals gras en graan. Maaigewassen hebben over het algemeen een betere doorworteling en dragen zo, samen met het bodemleven, bij aan structuurherstel. Verder leveren granen en grasland meer organische stof aan de bodem dan rooigewassen (Schils, 2012).

Om een beeld te krijgen van de druk op de bodem zijn de vruchtwisselingsgewassen uit de Landbouwtelling ingedeeld in rooigewassen en maaigewassen. De selectie op vruchtwisselingsgewassen houdt in dat glastuinbouw, fruitteelt, boomkwekerij, vaste planten en grasland buiten beschouwing zijn gelaten. Op basis van de perceelregistraties van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de jaren 2005-2014 is vervolgens per grid van 100 x 100 meter bepaald hoe vaak daar in de afgelopen tien jaar rooigewassen hebben gestaan. Het resultaat is weergegeven in figuur 1.

Figuur 1 geeft een samenvatting van de teeltgebieden en de teeltfrequenties van de eenjarige rooigewassen in Nederland. In het oog springen de hoge teeltfrequenties (oranje/rood) in de Noordoostpolder, de Veenkoloniën en het Land van Zijpe. Duidelijk herkenbaar zijn ook de (witte) graslandgebieden in Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland. Een vuistregel uit het vruchtwisselingsonderzoek (Floot et al., 1992; Hoekstra en Lamers, 1993; Lamers, 1998; Rops et al., 1996) is dat de bodemkwaliteit onder druk komt te staan bij meer dan 50% rooivruchten. Dit komt bij een tijdspad van 10 jaar overeen met een teeltfrequentie van 6 jaar en hoger. Door een gerichte afwisseling van rooigewassen en maaigewassen kan de bodemstructuur zich tussen twee rooigewassen herstellen. Gebeurt dat niet, dan ontstaan grotere risico’s op achteruitgang van de bodemkwaliteit. In vruchtwisselingsproeven kwam deze achteruitgang tot uiting in lagere opbrengsten en meer aantasting door bodemziekten.

Deze grotere risico’s treden dus op bij een teeltfrequentie van 6 jaar en hoger, met andere woorden in de oranje/rood gekleurde gebieden. Gebieden met weinig risico zijn bijvoorbeeld het Oldambt, West-Friesland en Zeeuws-Vlaanderen.

Kortlopende pacht

Naast rooigewassen wordt kortlopende pacht gezien als een potentieel risico voor bodemkwaliteit (Slangen et al., 2003). De tijdelijke gebruiker heeft in principe geen belang om te investeren in bodemkwaliteit. Immers, in volgende jaren heeft iemand anders de grond in gebruik; die heeft dan of te maken met achteruitgang in bodemkwaliteit of plukt de vruchten van de maatregelen om de bodem te verbeteren. Verpachters kunnen bodemdegradatie echter tegengaan door het stellen van eisen aan de kortlopende pachter om de vruchtbaarheid in stand te houden. Figuur 2 geeft een beeld van waar kortlopende pacht op landbouwgrond in Nederland voorkomt, ten opzichte van eigendom of langjarige pacht. Glastuinbouw en meerjarige gewassen zijn hierbij niet meegenomen: bij de eerste is de bodem afgedekt, bij de tweede is bodemdegradatie geen groot probleem. De figuur toont dat kortlopende pacht in eenjarige gewassen met name veel voorkomt in Noord-Limburg, de kop van Noord-Holland, de Flevopolders en andere regio’s. Deze gebieden kenmerken zich door een grote diversiteit aan teelten, waaronder ook veel groentegewassen en in het Land van Zijpe intensieve bollenteelt. Ook op de zandgronden in Drenthe komt veel kortlopende pacht voor; in dit gebied vindt, naast teelt van akkerbouwgewassen, veel (eenmalige) lelieteelt plaats. Figuur 2 toont echter ook dat kortlopende pacht bij andere vormen van grondgebruik voorkomt zoals grasland.

Rooigewassen en kortlopende pacht

Frequentie van rooigewassen en kortlopende pacht zijn twee afzonderlijke risicofactoren: de eerste gaat over het gebruik van de grond, de ander over de institutionele inkadering van dat gebruik. Niettemin rijst de vraag of er ook verband is tussen die twee: waar rooivruchten voorkomen onder kortlopende pacht zou immers het risico van bodemdegradatie extra hoog kunnen zijn. Tabel 1 laat zien hoe kortlopende pacht verdeeld is over de teeltfrequenties in figuur 1.

Uit tabel 1 blijkt dat gemiddeld kortlopende pacht vooral voorkomt op percelen met een lage teeltfrequentie van rooigewassen (75% bij vijf of minder jaren rooigewassen in tien jaar). Dit betekent dat boeren die hun eigen grond minder intensief gebruiken, deze af en toe voor korte tijd verpachten voor de teelt van bijvoorbeeld rooigewassen. Het gaat hierbij vaak om afbouwende bedrijven (Farjon et al., 2014; Regt en Kuiper, 2006) die door het verpachten van grond de status van boer blijven behouden, geen stakingsbelasting hoeven te betalen en ouder zijn zonder opvolger. Tabel 1 geeft een overzicht van alle rooigewassen. De resultaten per rooigewas zijn echter divers. Zo was in 2014 de verdeling van rooigewassen over grondgebruik (eigendom, pacht en kortlopende pacht) 49%, 25% resp. 26%. Gewassen zoals consumptieaardappelen op zand/veengrond, pootaardappelen op zand/veengrond en bloembollen- en knollen werden echter voor 41%, 50% respectievelijk 39% geteeld onder kortlopende pacht. Voor uien was dit aandeel in kortdurende pacht nog groter (63%). Bij suiker- en voederbieten was dit aandeel 18%. Het gaat hier echter om een 1-jarige waarneming in plaats van 10 jaar zoals de kaarten. De conclusie is dat gemiddeld genomen rooigewassen niet expliciet geteeld worden via kortlopende pacht, maar dat voor sommige rooigewassen deze relatie er wel zou kunnen zijn. Nader onderzoek hiernaar is gewenst. Het kan ook zo zijn dat de teeltfrequentie van rooigewassen laag kan blijven dankzij de grondroulatie via kortlopende pacht.

4.Sturing en agendering.

Behoud van bodemkwaliteit is belangrijk voor het publieke belang van een duurzame agrarische productie. De vraag is met welke spelregels voor grondgebruik dit publieke belang kan worden geborgd. Als er één gebied is waar risico’s op achteruitgang van bodemkwaliteit voor lief worden genomen, dan is het Flevoland (Staps et al., 2105). Spelregels vanuit de afzetketen zijn een krachtig middel om het gedrag van grondgebruikers te sturen, evenals spelregels vanuit de financiering. Banken hebben belang bij behoud van bodemkwaliteit als dominante factor voor blijvend hoge gewasopbrengsten (zie ook kader Onzekerheid voor ondernemer en bank). Een derde mogelijkheid vormen spelregels vanuit het pachtbeleid. De open inschrijving op kort lopende pacht (van goede tot zeer goede grond) in de Flevopolders door het Rijksvastgoedbedrijf in 2014 (Hekkert, 2014) dwingt de gebruiker tot een intensief grondgebruik. Intensief grondgebruik draagt op zijn beurt niet bij aan goede bodemkwaliteit (Staps et al., 2015).

Als laatste is sturing mogelijk via teeltbeleid (vergelijk de vruchtwisseling bij aardappelteelt), zoals het vergroten van de rotatiecycli van gewassen en/of het toepassen van groenbemesters om zo de bodemkwaliteit bij rotaties met >50% rooigewassen te borgen via de aanvoer van voldoende organische stof. Maar het blijft oppassen met neveneffecten. Zo is men in het Land van Zijpe in staat de bodemstructuur bij 100% rooigewassen (continuteelt van bloembollen) in stand te houden dankzij de aanvoer van organische stof in de vorm van vaste mest en compost. Toch is die continuteelt schadelijk omdat deze ook andere problemen met zich meebrengt. Voor de ziektedruk (aaltjes) beheersing, bleek de continuteelt namelijk geen goede zaak: er zijn nog nooit zoveel afkeuringen op basis van besmettingen met stengelaal geweest als in 2015 (Mol, 2014).

Onzekerheid voor ondernemer en bank

Korte pachtovereenkomsten zijn niet goed voor het risicoprofiel van bedrijven. Is grond essentieel voor een bedrijf om te kunnen produceren, dan geeft het veel onzekerheid als de beschikbaarheid van die grond maar voor een of twee jaar is gegarandeerd. “Eenmalige pacht en geliberaliseerde pacht voor een beperkt aantal jaren zijn niet ideaal, maar ook de reguliere pachtperiode van tientallen jaren is te lang. Wij pleiten daarom voor een periode van zes tot twaalf jaar. Die is te overzien en geeft continuïteit, voor pachter, verpachter en bank”, zegt Ruud Huirne (Rabobank Nederland).

Nauwelijks aandacht voor vruchtbaarheid bodem

Ook de kwaliteit van de bodem vraagt om een langere pachtperiode. Vanwege de hoge pachtprijs streven de pachters naar een hoge opbrengst en besteden ze bij een eenmalige, korte pacht nauwelijks aandacht aan het behoud of verbetering van de bodemvruchtbaarheid. Huirne: “Ook daarom bepleit de Rabobank langjarige overeenkomsten. Wanneer agrarische ondernemers zich via pacht langduriger aan grond binden, is er een groter eigen belang bij een gezonde bodem.”

Bron: Rabobank (2015).

5.Anticiperen op risico’s: ontwikkelingen in het veld

Bovenstaande kaarten laten zien dat de risico’s ten aanzien van bodemkwaliteit regionaal verschillen. Bovendien maken de analyses duidelijk dat bodemkwaliteit beïnvloed wordt door de ondernemer, maar ook door de institutionele omgeving waarin hij opereert. Verduurzaming van bodembeheer vergt dus een multistakeholder aanpak, met aandacht voor de regionale situatie en de verschillende belangen van betrokken partijen. De oplossing ligt niet alleen in het verkrijgen van inzicht in bodemprocessen en best practices, maar ook in het formuleren van gezamenlijke definities en ambities en het verbeteren van de openheid over bodemkwaliteit. Ter illustratie geven we hieronder twee voorbeelden van een dergelijke, regionale benadering.

Stichting Veldleeuwerik: Initiatief voor duurzame akkerbouw

In 2003 is in de Noordoostpolder het concept Veldleeuwerik (VL) ontstaan, dat sinds enkele jaren in een stichting is ondergebracht. Bij VL werken groepen akkerbouwers aan het verduurzamen van hun bedrijfsvoering volgens een specifieke aanpak (Stichting Veldleeuwerik, 2012). De deelnemers starten met het opstellen van een eigen duurzaamheidsplan aan de hand van tien thema’s: productwaarde, bodemvruchtbaarheid, bodemverlies, voedingsstoffen, gewasbescherming, water, energie, biodiversiteit, menselijk kapitaal en lokale economie. De teler bespreekt het plan met collega’s uit zijn regiogroep en wordt begeleid door een adviseur die al in het gebied actief was, maar aanvullend is getraind en geaccrediteerd voor zijn Veldleeuwerikrol. Jaarlijks stelt de teler zijn plan bij. Begin 2014 waren er 362 akkerbouwers aangesloten bij Veldleeuwerik, verdeeld over 34 regionale studiegroepen.

Bijzonder is ook dat bij VL ongeveer 40 ketenpartijen zijn betrokken, zoals Suiker Unie, Heineken, Unilever en Agrifirm. Deze ketenpartijen zouden in principe de deelname van hun leden/leveranciers van producten met een VL-certificaat kunnen belonen met een hogere prijs, maar dit lijkt nog nauwelijks te gebeuren. Het gaat om relatief kleine hoeveelheden product en het apart verwerken en vermarkten van een dergelijk klein segment is relatief kostbaar. VL wil zich graag gaan verbreden naar meer akkerbouwers maar ook naar de melkveehouderij; bovendien heeft VL internationale ambities.

Centraal in VL heeft altijd de kwaliteit van de bodem gestaan, dat wil zeggen het bodemleven, het organische-stofgehalte en de bodemstructuur. In de verbeteringsplannen komen ook maatregelen voor waarbij uitruil tussen de drie P’s aan de orde kan zijn. Zo komt het voor dat deelnemers kiezen voor een ruimer bouwplan, met mogelijk een lager inkomen, ten behoeve van verbetering van het bodemleven.

Stichting Veldleeuwerik had in 2014 in de provincie Flevoland een groep van 57 akkerbouwers, waarvan drie ook deel uitmaakten van het Bedrijven informatienet van het LEI (BIN). Deze drie bedrijven hadden in de jaren 2010-2012 ten opzichte van de 26 BIN-akkerbouwbedrijven in Flevoland een duurzamere productiewijze (minder intensief bouwplan, lagere inzet van gewasbeschermingsmiddelen, lagere milieubelasting van vooral oppervlaktewater en bodem door chemische gewasbescherming en een grotere aanvoer van organische mest), maar niet expliciet hogere opbrengsten. Op basis van het kleine aantal VL-bedrijven in deze vergelijking kunnen geen harde conclusies worden getrokken. Het is meer van belang dat VL-telers investeren in ruimere bouwplannen en dat deze investeringen zich op termijn uit gaan betalen in stabilisatie van opbrengsten (in plaats van afname) en kosten (in plaats van stijging), doordat de bodem in alle opzichten gezonder en weerbaarder wordt en blijft; ten opzichte van de uitgangssituatie zal deze strategie op termijn hogere kg-opbrengsten gaan opleveren.

“De uitdaging van een gezonde bodem ligt erin de diversiteit onder en boven de grond zo groot mogelijk te maken. Daarmee creëer je evenwicht”, zegt Joost van Strien, akkerbouwer uit de Noordoostpolder en deelnemer aan Bodem Anders! Die aanpak vraagt echter om een flinke inzet van zowel boeren als burgers (VoedselAnders, 2015).

Kringloopboeren

CLM heeft op basis van veldervaringen een beschrijving geformuleerd voor het begrip kringlooplandbouw (Hees et al., 2009):

“Een bedrijfsvoering die optimaal is afgestemd op het gebruik van op het bedrijf aanwezige en geproduceerde hulpbronnen en voorraden (zonlicht, organische stof, mineralen, arbeid, water, energie, landschap, ervaringskennis, enzovoort) en zo selectief mogelijk gebruik maakt van externe input, met realisatie van een inkomen over lange termijn en met respect voor natuurlijke systemen.”

De Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (VBBM) is een groep van melkveehouders die dit kringloopspoor volgt. De vereniging is in 1989 opgericht vanuit de zorg over de achteruitgang van de bodemvruchtbaarheid. Leden van de VBBM streven naar optimale productie in plaats van maximale productie. Om dit te bereiken gebruiken ze in de bedrijfsvoering een andere rantsoensamenstelling, wordt het gebruik van kunstmest sterk verminderd en is er bijvoorbeeld meer strooisel in de ligboxen. Februari 2015 is het deze organisatie in samenwerking met Noardlike Frieske Wâlden gelukt om onder bepaalde voorwaarden ontheffing te krijgen voor het verplicht ondergronds mest aanwenden (zogenaamde Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2015-2016 (EZ, 2015b)). Het bezwaar tegen ondergronds mest aanwenden is dat het een zuurstofarme bodem zou creëren en daarmee zuurstof aan de bodem onttrekt. Dit gaat ten koste van bodemflora en bodemfauna en daarmee van bodemvruchtbaarheid (VBBM, 2015).

Literatuur

Aerts, D. (2015). http://jaarvandebodem.nl/. Maart-April 2015

Breukers, A. ; Wolf, P.L. de; Molendijk, L.P.G. (2008). Trendanalyse veranderend grondgebruik; consequenties voor de bodemgezondheid. Lelystad : PPO-AGV, (Rapport /PPO-AGV mei 2008)

BodemBoeren (2014). www.bodemboeren.nl . April 2015

Bodemrichtlijn (2015). Wet en regelgeving (land)bodem, landelijk www.bodemrichtlijn.nl. Mei 2015

CBS (2015). Statline, tabel vergrijzing per bedrijfstak; kengetal generatie-index. http://Statline.cbs.nl. Mei 2015

EC (Europese Commissie) (2015). Soil. http://ec.europa.eu/environment/soil/three_en.htm Mei, 2105

EC (2006a). COM(2006)231 definitief, Thematische strategie voor bodembescherming. Brussel

EC (2006b). COM(2006) 232 definitief 2006/0086 (COD), Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een kader voor de bescherming van de bodem en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG. Brussel

EZ (Ministerie van Economische Zaken) (2015a). Nota van toelichting bij AMvB grondgebonden groei melkveehouderij. In http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2015/03/30/nota-van-toelichting-bij-amvb-grondgebonden-groei-melkveehouderij. Den Haag

EZ (2015b). Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 10 februari 2015, nr. WJZ/15014101, tot tijdelijke vrijstelling van artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2015-2016). Den Haag

Farjon, H. H. Silvis, J. Vader, M. Voskuilen, H. Agricola (2014). Prijs hoger dan de waarde van landbouwgrond. http://www.pbl.nl/publicaties/prijs-hoger-dan-de-waarde-van-landbouwgrond. Gepubliceerd 13 jan 2014

Floot, H. W. G., J. G. Lamers and W. v. d. Berg (1992). De invloed van de intensiteit van het bouwplan op pootaardappelen, suikerbieten en wintertarwe (vruchtwisselingsproefveld FH 82). Verslag nr 139. Lelystad, Proefstation voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de Vollegrond: 127

Ganzevoort, R (2012). Wortel en stok. https://ruardganzevoort.wordpress.com/2012/07/07/wortel-en-stok/. Mei 2015

Hees, E.M., Otto, A.A.C, Schans, F.V. van der (2009). Van top-down naar bodem-up:

Review van kringlooplandbouw in de melkveehouderij. Culemborg, CLM, rapportnr 703 - 2009

Hekkert, G. (2014). ‘ Pacht veilen is niet perse goed voor de landbouw’. In: Boerderij 99 - no. 50 (9 september 2014)

Hoekstra, O. and J. G. Lamers (1993). 28 jaar De Schreef. Publikatie nr 67. Lelystad, PAGV: 207 p.

Lamers, J. G. (1987). Nauwe rotaties en continuteelten van aardappelen en suikerbieten. Jaarboek 1986, PAGV. Publikatie nr 38: p. 249-259

Mol, J. (2014). Stengelaaltje plaaggeest voor tulpenkwekers. In http://www.noordhollandsdagblad.nl/stadstreek/schagen/article27086810.ece

Rabobank (2015). www.rabobank.com/nl/about-rabobank/background-stories/food-agribusiness/dutch-land-market-calls-for-well-grounded-approach.html. Maart-April 2015

Regt, W. de en R. Kuiper (2006). ‘Kleinschalige landbouw biedt kansen voor landschap.’ In: Landwerk, 2006, nr 3, pp 17-21

Rijkswaterstaat Leefomgeving (2015). Bodem en ondergrond: Bodembeleid. http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bodembeleid/. Mei 2015

Rops, A. H. J., C. A. M. Schouten and J. Alblas (1996). Effecten intensieve bouwplannen op lichte zavelgronden in de Noordoostpolder (WG 140). Lelystad, Proefstation voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de Vollegrond. Verslag nr. 228: pp 45

Schils, R. (2012). 30 Vragen en antwoorden over bodemvruchtbaarheid. Alterra, Wageningen. http://www.wageningenur.nl/nl/show/30-vragen-en-antwoorden-over-bodemvruchtbaarheid.htm. April-Mei 2015

Slangen, L.H.G., Polman, N.B.P., A.J. Oskam (2003). Grondgebruik, pachtcontracten en pachtprijszettingsmechanismen. Rapport, Leerstoelgroep Agrarische Economie en Plattelandsbeleid, Wageningen UR, Wageningen

Staps, J.J.M., Berg, C. ter, Vilsteren, A. van, Lammerts van Bueren, E.T., T.H. Jetten (2015). Van bodemdilemma’s naar integrale verduurzaming – Casus: Vruchtbaar Flevoland, van bodemdegradatie en diepploegen naar integrale duurzame productie in Flevoland. www.ridlv.nl

Stichting Veldleeuwerik (2012). www.veldleeuwerik.nl. April 2015.

TimeAndDate (2015). http://www.timeanddate.com/year/2015/soils.html. Maart-April 2015

VBBM (2015). http://www.devbbm.nl/ April 2015

VoedselAnders (2015). http://www.voedselanders.nl/voedselanders.nl/Bodem_Anders_2015.html April 2015