Resultaten en financiering land- en tuinbouw

7.1 Sectorresultaten

Met 26,5 miljard euro was de brutoproductiewaarde van de land- en tuinbouw in Nederland in 2012 ruim 4% hoger dan in 2011 (tabel 7.1). De groei kwam, evenals in 2011, vooral tot stand door hogere prijzen over vrijwel de gehele linie. Het productievolume bleef vrijwel gelijk aan dat van het voorgaande jaar. Alleen in de rundveehouderij was er een lichte toename, terwijl dit de enige sector was waar de prijzen onder het niveau van 2011 lagen. De lagere prijs kwam volledig voor rekening van de melkprijs die daalde met circa 6%. De prijzen in de intensieve veehouderij lagen fors boven die van 2011, vooral door een explosie van de eierprijs, maar ook de prijs van varkens ging sterk omhoog (zie figuur 7.1). De veehouderij neemt in totaal bijna 40% van de productiewaarde voor haar rekening; de tuinbouw volgt daarna met 36%. Het aandeel van de akkerbouw (ruim 12%) neemt in vergelijking met 2011 iets toe door de hogere prijzen van granen en aardappelen. In de overige landbouw, goed voor de resterende 12%, gaat het vooral om agrarische dienstverlening.

De waarde van de aangekochte goederen en diensten nam, zowel door verbetering van de ruilvoet als door een stijging van de productiviteit, minder sterk toe dan de productiewaarde. De prijzen van veevoer stegen opnieuw na de forse toename in 2011; vooral aangekocht mengvoeder werd duurder. De prijsstijging van de overige productiemiddelen, waaronder energie, bleef op of onder de 3%. Dat komt mede omdat een groot aantal kostenposten bestaat uit diensten die grotendeels de inflatie volgen; die bleef in 2012 ook net onder de 3%, ondanks de extra toename als gevolg van de btw-verhoging in oktober.

5813.png

Tabel7.1.png

De bruto toegevoegde waarde nam door deze ontwikkelingen met bijna 8% toe ten opzichte van 2011. Omdat zowel de afschrijvingen als de subsidies vrijwel gelijk bleven, ging de netto toegevoegde waarde met ruim 12% omhoog tot 5,8 miljard euro. Door een vermindering van het aantal arbeidskrachten in de land- en tuinbouw daalden de betaalde loonkosten, waardoor ook het totaal aan betaalde factorkosten (loon, rente en pacht) verder daalde. Het resterend inkomen nam daardoor met meer dan 40% toe tot 2,3 miljard euro; het hoogste niveau van de laatste vijf jaar.

Het Nederlandse inkomen in EU-perspectief

De netto toegevoegde waarde per arbeidskracht bedroeg in 2012 in Nederland ruim 34.100 euro, een toename van bijna 16% ten opzichte van 2011. Weliswaar is dit een berekend bedrag, maar omdat het systeem van de landbouwrekeningen overal in de Europese Unie vergelijkbaar is, kan er een vergelijking gemaakt worden met andere landen. Qua niveau liggen de inkomens in Nederland ongeveer in de middenmoot van de EU-15, in de buurt van de Franse en Duitse boeren (figuur 7.2). In de EU-27 nam de netto toegevoegde waarde per arbeidskracht in 2012 met iets meer dan 1% toe tot gemiddeld 14.300 euro. Er is echter een groot verschil tussen de inkomens in de oude EU-15 (23.700 euro) en in de twaalf nieuwe lidstaten (4.900 euro).

5897.png

Opvallend is het herstel van de Deense inkomens in 2010 en het hoge niveau dat daarna gehandhaafd is. In Denemarken draagt de productie van graan, varkensvlees en melk voor bijna 60% bij aan de totale productiewaarde. Juist deze producten hadden de laatste jaren een goede prijs. De tuinbouw, met sterk schommelende prijzen, is in Denemarken nauwelijks van belang en daardoor hebben ook de hoge energieprijzen (slechts 6% van de kosten), geen negatieve invloed op de inkomens. De inkomens in Nederland en België daalden in 2011, in 2012 volgde een herstel. De daling in 2011 ontstond vooral door een relatief ongunstige verhouding tussen productiewaarde en waarde van aangekochte goederen en diensten. Waar het verschil in ontwikkeling in de andere lidstaten vrij gering was, was er in België en Nederland een fors verschil. Dit kwam vooral door een lagere productiewaarde in de plantaardige sector en dan met name die van de tuinbouw, die in beide landen een relatief groot aandeel heeft.

7.2 De gemiddelde resultaten van land- en tuinbouwbedrijven

Algemeen beeld

De resultaten van land- en tuinbouwbedrijven in deze en volgende paragrafen zijn gebaseerd op de gegevens van steekproefbedrijven uit het Informatienet, uitgezonderd de resultaten van 2012. Die betreffen ramingen - gebaseerd op ontwikkelingen van prijzen, productiehoeveelheden en dergelijke - omdat voor 2012 nog geen definitieve gegevens per bedrijf beschikbaar zijn. De steekproefpopulatie bestond in 2012 uit ongeveer 48.800 bedrijven. De overige ongeveer 20.000 door de Landbouwtelling geregistreerde bedrijven zitten onder de minimumgrens van 25.000 euro SO (Standaardopbrengst) die voor het Informatienet wordt gehanteerd. De laatste jaren zijn enige veranderingen in de uitgangspunten voor de berekeningen doorgevoerd (zie bijlage Begripsomschrijvingen).

Inkomensvorming in 2012

De Nederlandse land- en tuinbouw behaalde in 2012 een hoger gemiddeld inkomen dan in 2011 (tabel 7.2). Het geraamde herstel volgde op een in economisch opzicht tegenvallend 2011 (Van der Meulen et al., 2012). De betere resultaten zijn vooral het gevolg van de gemiddeld hogere opbrengstprijzen (zie ook §7.1). Niet alleen de opbrengsten uit landbouwproductie namen toe; ook de overige opbrengsten uit onder andere multifunctionele activiteiten, energieverkoop en werk voor derden vertonen een stijgende lijn en bedragen inmiddels zo’n 28.000 euro per bedrijf. Akkerbouwers zagen het inkomen stijgen tot rond het recordniveau van 2010 door flink hogere prijzen van

aardappelen en uien, na een terugval in 2011. Ook de glastuinbouw profiteerde van hogere prijzen van groenten en bloemen en herstelde zich enigszins van het slechte jaar 2011. De varkenshouderij bereikte gemiddeld een beter resultaat doordat de biggen meer opbrachten. De hoge eierprijzen zorgden ervoor dat de leghennenhouders een uitstekend jaar noteerden. Voor de melkveehouderij was 2012 een minder jaar. Na twee jaren met inkomensstijging, zagen de melkveehouders het inkomen dalen door hogere voerkosten en een lagere melkprijs.

In tegenstelling tot de land- en tuinbouw is het inkomen van zelfstandigen in het midden- en kleinbedrijf (mkb) in 2012 gedaald. Daardoor was het gemiddelde inkomen in de agrarische sector per ondernemer (circa 44.000 euro) hoger dan in het mkb, waar het rond de 30.000 euro per ondernemer lag. Het mkb had veel last van de economische crisis met een lagere omzet tot gevolg, waardoor ook de winst afnam (Van der Meulen et al., 2012).

Tabel7.2.png

Matig inkomen in 2011

De agrarische bedrijven kregen in 2011 te maken met een duidelijke inkomensterugval ten opzichte van het voorgaande jaar. De prijzen van land- en tuinbouwproducten waren in 2011 gemiddeld weliswaar gestegen, maar duidelijk minder dan de productiekosten. Vooral de veevoederkosten namen in 2011 fors toe. Per saldo was 2011 een matig jaar met gemiddeld een lichte besparing van 4.700 euro per bedrijf. Het inkomen bleef iets achter bij het gemiddelde over de periode 2006-2010 (tabel 7.2). Dit gemiddelde werd negatief beïnvloed door het extreem slechte jaar 2009. Dat was vooral het gevolg van de lage opbrengstprijzen van veel belangrijke producten.

Het inkomen uit bedrijf wordt vooral bepaald door de opbrengsten van land- en tuinbouwproducten en de aan die productie verbonden kosten. Een deel van de opbrengsten, bijna 10%, kwam uit de opbrengsten van niet-agrarische activiteiten en uit subsidies (tabel 7.2). Bij de subsidies gaat het vooral om de Europese bedrijfstoeslagen. Opbrengsten uit bedrijfstoeslagen en niet-agrarische activiteiten zijn met name van belang op melkvee- en akkerbouwbedrijven. In 2011 was voor deze bedrijfstypen respectievelijk 17% en 28% van de opbrengsten niet afkomstig uit landbouwproductie.

Inkomensspreiding

De spreiding in inkomen uit bedrijf is groot, onder meer door verschillen in bedrijfsomvang en -opzet. Om de bedrijfsresultaten van in omvang verschillende bedrijven beter te kunnen vergelijken, wordt het inkomen veelal uitgedrukt in euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Gemiddeld zijn er per bedrijf 1,4 onbetaalde aje; dit aantal is door de jaren heen vrij constant. Het gaat hier om de ondernemers, hun partners en andere niet-betaalde gezinsleden. Op kleinere bedrijven kan de arbeidsinzet kleiner zijn dan 1 aje.

Ondanks het geraamde inkomensherstel in 2012, behaalde meer dan 20% van de land- en tuinbouwbedrijven een negatief inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje (figuur 7.3). Vleesvarkens- en bloembollenbedrijven, die over de gehele linie tegenvallende opbrengsten hadden, zijn in deze groep relatief sterk vertegenwoordigd. In deze groep bevinden zich ook fruittelers die getroffen zijn door de vorstschade en glasgroentebedrijven. Daar staat tegenover dat er ook bedrijven waren die een inkomen realiseerden van meer dan 75.000 euro per onbetaalde aje. Binnen deze groep waren akkerbouwers en leghennenhouders sterk vertegenwoordigd door betere opbrengstprijzen van aardappelen, uien, granen en eieren. De grotere bedrijven waren sterker vertegenwoordigd in de groep van 20% bedrijven met de hoogste inkomens.

Dat de inkomens tussen de jaren sterk kunnen fluctueren, volgt ook uit de samenstelling van de groep met de 20% hoogste en 20% laagste inkomens in het voorgaande jaar. In 2011waren de leghennenhouders relatief sterk vertegenwoordigd in de laagste inkomensgroep. De forse inkomensfluctuaties zijn mede het gevolg van het EU-verbod op huisvesting van leghennen in traditionele kooihuisvesting per 1 januari 2012. Deze omschakeling in het houderijsysteem ging gepaard met inkrimping van de kippenstapel, vooral in Duitsland, waardoor krapte ontstond op de eiermarkt. Bij de 20% laagste inkomens waren ook de zeugenhouders en de glasgroentetelers, als gevolg van de EHEC-crisis, en fruittelers bovengemiddeld vertegenwoordigd. Ondanks het matige

gemiddelde inkomen verdiende in 2011 20% van de ondernemers een inkomen van meer 5964.png

dan 60.000 euro per onbetaalde aje. Binnen deze groep waren potplanten- en bloembollentelers en vleesvarkenshouders sterker vertegenwoordigd. Deze laatste twee sectoren behoorden in 2012 nog tot de ‘verliezers’. Grotere bedrijven zitten zowel in de groep met de hoogste als in de groep met de laagste inkomens.

7.3 Bedrijfsresultaten naar type

7.3.1 Vergelijking van typen 2007-2011

Van een aantal bedrijfstypen is in tabel 7.3 de inkomensvorming in 2007-2011 weergegeven. Gemiddeld kwam het inkomen uit bedrijf in deze periode uit op ongeveer 40.000 euro. Met gemiddeld per bedrijf ongeveer 1,4 onbetaalde aje (oaje), bedroeg het inkomen per oaje in doorsnee bijna 28.000 euro. Op de varkens- en glastuinbouwbedrijven kwam dat inkomen over deze periode veel lager uit. De varkensbedrijven kampen al jaren met lage inkomens en door het negatieve resultaat in 2011, als gevolg van sterk oplopende voederkosten, belandde het vijfjaarsgemiddelde zelfs in de min. Voor de glastuinbouw drukten de negatieve inkomens in 2008 en 2009 het vijfjaarsgemiddelde en resteerde een inkomen van slechts 11.000 euro per oaje. Daartegenover lieten vleeskuiken-, boomteelt-, en vooral de akkerbouwbedrijven gemiddeld veel betere resultaten zien. Voor de akkerbouwbedrijven is dat onder meer te

Tabel7.3.png

danken aan een aantal jaren van redelijke bedrijfsresultaten, met een positieve uitschieter in 2010. De resultaten van de melkveebedrijven kwamen voor deze vijf jaren gemiddeld wat hoger uit (48.000 euro per bedrijf) dan het gemiddelde van alle land- en tuinbouwbedrijven. In de periode 2007-2011 stond tegenover het topjaar 2007 voor de melkveehouders een ongekend slecht jaar (2009), dat door de forse melkprijsdaling een gemiddeld negatief inkomen uit bedrijf opleverde.

De inzet van eigen arbeid en kapitaal in de land- en tuinbouw wordt niet marktconform beloond. Het rendement op het eigen vermogen in de land- en tuinbouw is gering en steunt vooral op herwaardering van de grond (Van der Meer en Jager, 2013). Gemiddeld wordt slechts 47% van de berekende kosten van (eigen) arbeid en vermogen vergoed vanuit het bedrijfsinkomen (tabel 7.3). Worden de inkomenstoeslagen buiten beschouwing gelaten, dan ligt deze vergoeding slechts rond een kwart. De spreiding is ook hier echter groot. De inkomsten van buiten het bedrijf, onder meer uit arbeid, bedragen gemiddeld voor alle bedrijven ongeveer 19.000 euro per bedrijf en vormen een belangrijke aanvulling op het bedrijfsinkomen in 2007-2011. Gemiddeld komt het inkomensaandeel van buiten het bedrijf uit op bijna een derde. Ook hier zijn de verschillen tussen de bedrijfstypen groot, met name tussen de typen die in de jaren 2007-2011 met hun bedrijfsresultaten het laagst uit de bus komen - de glastuinbouw en de varkenshouderij. In de varkenshouderij is het gemiddelde inkomen van buiten het bedrijf meer dan 20.000 euro; het is een belangrijke aanvulling om in een deel van de gezinsuitgaven te voorzien.

7.3.2 Berekende en betaalde kosten

In alle land- en tuinbouwsectoren bestaat een steeds groter deel van de kosten uit betaalde kosten (figuur 7.4). Dit aandeel is in de periode 2007-2011 gestegen tot boven de 80%. Het hoogste aandeel betaalde kosten komt nog steeds voor in de niet-grondgebonden sectoren, varkenshouderij en glastuinbouw. Van oudsher werken de grondgebonden bedrijven met een grotere inzet van eigen arbeid en kapitaal. Schaalvergroting zorgt er voor dat vooral in de melkveehouderij het aandeel betaalde kosten fors toeneemt. Doordat bedrijven een groter deel van de gerealiseerde opbrengsten aan kosten betalen daalt de inkomensmarge. Dat betekent dat bedrijven gevoeliger c.q. kwetsbaarder worden voor schommelingen in de opbrengsten en de kosten. Dit gegeven onderstreept het toenemende belang van en aandacht voor risicomanagement op land- en tuinbouwbedrijven.

Ondanks de toename van het aandeel betaalde kosten in de land- en tuinbouw voltrekt het proces van schaalvergroting zich nog steeds in belangrijke mate binnen de proporties van het gezinsbedrijf (RLI, 2013). Een toename van het aandeel betaalde kosten laat wel zien dat er naast het traditionele gezinsbedrijf ook ruimte is voor bedrijven die in staat zijn een of meer medewerkers marktconform te belonen waardoor er ‘gezinsbedrijven-plus’ ontstaan (zie ook Backus et al., 2009). Een hoger aandeel van

6036.png

betaalde kosten betekent dat de rentabiliteit - de verhouding tussen de opbrengsten en het totaal van betaalde en berekende kosten - op een hoger niveau moet liggen om als bedrijf een inkomen te realiseren. In de akkerbouw en melkveehouderij was hier in de periode 2007-2011 sprake van (figuur 7.4). In de varkenshouderij nam de rentabiliteit echter af.

7.3.3 Bedrijfsuitbreiding en inkomen

Schaalvergroting is een veel toegepaste strategie om door efficiencyvoordelen de concurrentiepositie van het bedrijf te verbeteren. Dat dit niet voor alle bedrijven goed uitpakt, blijkt uit onderstaande analyse. Bedrijven uit het Informatienet die in omvang zijn toegenomen zijn ingedeeld in de groep ‘beste’ of ‘minste’, afhankelijk van het verschil in inkomen uit bedrijf dat is gerealiseerd in de periode 2006-2007 en 2010-2011. Voor de onderzochte sectoren glastuinbouw, akkerbouw en melkveehouderij geldt dat de groep bedrijven waarvan het inkomen na de uitbreiding het sterkst verbeterde, procentueel minder sterk groeiden dan de groep die qua inkomensontwikkeling achterbleef.

Voor de analyse zijn bedrijven uit het Informatienet geselecteerd waarvan de resultaten bekend zijn voor de periode 2006-2011. Bedrijven worden aangemerkt als gegroeid tussen 2006 en 2009 als de beteelbare kasoppervlakte met minimaal 20% is toegenomen (glastuinbouwbedrijven), het areaal met minimaal 10% is toegenomen (akkerbouwbedrijven), of de melkproductie met minimaal 20% is toegenomen (melkveebedrijven). De resultaten worden gemiddeld over twee jaar om de jaarsinvloeden te verkleinen. Op basis van de verandering van het inkomen uit bedrijf tussen 2006-2007 en 2010-2011 zijn bedrijven ingedeeld in de groep ‘beste’ of de groep ‘minste’.

Glastuinbouw: sterke groeiers realiseerden gemiddeld negatief inkomen

Op een deel van de glastuinbouwbedrijven heeft een uitbreiding van het areaal geleid tot een stijging van het inkomen, terwijl bij andere bedrijven het inkomen sterk afnam (tabel 7.4). Zowel groentebedrijven als snijbloemenbedrijven zijn te vinden in de groep met de grootste verbetering van het inkomen (‘beste’), als in de groep ‘minste’. Bij de groep bedrijven waarvan het inkomen na de uitbreiding het sterkst toenam, steeg het inkomen per onbetaalde aje met ongeveer 10.000 euro. Ter vergelijking: het gemiddelde inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje bedroeg voor alle glastuinbouwbedrijven gemiddeld 38.400 euro in 2006-2007 en 35.400 euro in 2010-2011.

De bedrijfsuitbreiding is voornamelijk gefinancierd door vreemd vermogen aan te trekken. De langlopende leningen per hectare kas nemen met ruim 2 ton toe. Dit leidde ertoe dat de solvabiliteit is teruggelopen naar gemiddeld 27%. Het bedrijfsresultaat van deze bedrijven was in 2010-2011 positief gezien de rentabiliteit die tot boven de 100% toenam. Bij de nieuwe bedrijfsopzet waren de opbrengsten voldoende om zowel de betaalde als de berekende kosten te compenseren. De kasstroom per hectare is daardoor toegenomen.

Tabel7.4.png

De groei van het bedrijf kan ook anders uitpakken. Er is een groep bedrijven die na de uitbreiding het inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje zag omslaan van 92.900 euro positief naar ruim 100.000 euro negatief. Van der Meulen et al. (2010) concludeerden dat in mindere jaren de grote bedrijven meer problemen kennen dan kleinere bedrijven. Na de meer dan verdubbeling van het areaal, is de rentabiliteit na de uitbreiding lager dan ervoor en is de solvabiliteit gezakt tot 12%. Ook de kasstroom per hectare daalde. De ruimte om nog meer tegenvallers op te vangen is voor deze bedrijven fors afgenomen.

Akkerbouwbedrijven: groei door combinatie van koop en pacht

Bij de groep ‘beste’ akkerbouwbedrijven waarvan het inkomen steeg na uitbreiding met 24 hectare, werd 16 hectare extra gepacht en 8 hectare aangekocht (tabel 7.5). Door de extra grond kon geprofiteerd worden van de goede resultaten in de akkerbouw, met name in 2010. Gemiddeld werden in dat jaar recordinkomens genoteerd. In 2006-2007 en 2010-2011 lag het gemiddelde inkomensniveau op ongeveer 60.000 euro per onbetaalde aje. In de basisperiode lag het inkomen van zowel de groep ‘beste’ als de groep ‘minste’ boven dit gemiddelde niveau. De groeiers pasten het bouwplan nauwelijks aan na de uitbreiding. In de groep die na de groei het beste uit de bus komt, zijn relatief veel zetmeelaardappelbedrijven te vinden. Deze bedrijven hadden in zowel 2010 als 2011 goede bedrijfsresultaten. Uit de resultaten van beide groepen blijkt dat de investeringen een klein effect hebben op de solvabiliteit. Deze blijft voor beide groepen hoog. Dit is mede te danken aan de waardestijging van grond (zie §6.3) en een goede kasstroom als gevolg van hoge opbrengstprijzen.

De groep akkerbouwbedrijven die minder profiteerde van de uitbreiding, kocht meer grond aan (13 hectare van de totale 20 hectare uitbreiding). Dat is ook terug te zien in de grotere toename van het vreemde vermogen per hectare. De kasstroom per hectare daalt na de uitbreiding. Uit de kasstroom, eventueel aangevuld met inkomsten van buiten

Tabel7.5.png

het bedrijf, worden de gezinsuitgaven gedaan, belastingen betaald alsmede aflossingen en vervangingsinvesteringen gepleegd. De opbrengsten per hectare bleven vrijwel op het niveau van 2006-2007, ondanks het goede jaar 2010. Deels is dit te verklaren doordat het aandeel uien in het areaal werd uitgebreid. Dit bleek in 2011 geen goede keuze. De saldi van uien, die sterk fluctueren, waren toen bijzonder laag.

Melkveehouderij: goede groeiers halen meer opbrengsten per kg melk

De ‘beste’ groeiers in de melkveehouderij zagen het inkomen per onbetaalde aje licht stijgen ten opzichte van 2006-2007 (tabel 7.6). Gemiddeld daalde het inkomen in de sector in dezelfde periode van 45.000 naar 35.000 euro. De solvabiliteit en de schulden per 1.000 kg melk zijn ongeveer gelijk aan de periode voor de uitbreiding. De kasstroom steeg, waardoor er meer ruimte ontstond voor privé-uitgaven of

Tabel7.6.png

vervangingsinvesteringen. Per kg melk wisten deze bedrijven meer opbrengsten te realiseren. Dat geldt niet voor de groep ‘minste’. De bedrijven maakten een sprong van ruim 200.000 kg melk, waarbij de opbrengsten per kg melk gelijk bleven. De langlopende schulden per 1.000 kg melk namen sterker toe dan bij de groep ‘beste’. Dit komt doordat de investeringen over de gehele periode tweemaal hoger waren dan van de groep beste. Dit resulteerde in een lagere kasstroom ten opzichte van de basisperiode. De rentabiliteit is voor de groep ‘minste’ gelijk gebleven, terwijl de groep beste de rentabiliteit zag verbeteren. Deze bevindingen liggen in lijn met de conclusie uit het rapport van Zijlstra et al. (2012), waarin op basis van een uitgebreide analyse wordt geconcludeerd dat economisch gezien de minder sterke groeiers in het algemeen succesvoller zijn dan de sterke groeiers.

7.4 Financiering en investeringen

7.4.1 Duurzame investeringen

Het ministerie van Economische Zaken stimuleert door middel van subsidies en/of fiscale regelingen (onder andere MIA/VAMIL, EIA, Subsidieregeling Investeringen in integraal duurzame stallen) duurzame investeringen in de land- en tuinbouw en de visserij. Elk jaar wordt ten behoeve van de monitoring van het beleid het aandeel duurzame investeringen - investeringen die gebruik maken van regelingen en subsidies ter bevordering en stimulering van duurzaamheid - berekend ten opzichte van de totale investeringen in stallen, kassen, machines en installaties.

In 2011 was 20% van de investeringen duurzaam (figuur 7.5). In 2010 was dit aandeel nog 36%. Deze 36% is precies de streefwaarde voor het aandeel duurzame investeringen in 2013, uitgaande van een totaal investeringsniveau van 3,7 mld. euro. Deze streefwaarde was eerder 60%, maar is naar beneden bijgesteld omdat dit doel te hoog was gegrepen. De totale investeringen namen in 2011 met 7% toe ten opzichte van 2010. Daarentegen zijn de duurzame investeringen met 40% afgenomen tot 727 mln. euro.

6150.png

In de glastuinbouw lopen de duurzame investeringen al sinds 2007 terug onder invloed van de matige tot slechte financiële resultaten. In de landbouwsector, die ongeveer drie kwart van de totale duurzame investeringen voor rekening neemt, zakten de duurzame investeringen in 2011 terug naar 550 mln. euro, grotendeels door minder investeringen in duurzame stallen. Vooral de investeringen in duurzame varkens- en pluimveestallen daalden fors. De investeringen in duurzame melkveestallen stegen iets. De slechtere economische situatie in met name de varkens- en leghennenhouderij heeft bijgedragen aan de daling van de duurzame investeringen. Daarnaast lag voor pluimveebedrijven de absolute piek voor investeringen in alternatieve huisvesting in 2010, vanwege het kooiverbod per 1 januari 2012 (Van der Meulen et al., 2012). Ook het afschaffen van de fiscale crisismaatregelen, zoals tijdelijke verhoging van het afschrijvingspercentage vanaf 2009, had effect. Daarnaast worden elk jaar de eisen voor subsidieaanvragen en fiscale regelingen veranderd/verscherpt, afhankelijk van de stand van de techniek en wettelijke verplichtingen.

7.4.2 Liquiditeit

Op basis van het Informatienet is een analyse gemaakt van de oplossingsrichtingen die bedrijven hebben gekozen in de jaren 2003-2011 om liquiditeitstekorten aan te pakken (zie bijlage Begripsomschrijving voor de definitie). Daarbij is zowel gekeken naar bedrijven met structurele liquiditeitsproblemen (minstens drie jaar aaneen of meer met liquiditeitstekorten), als naar bedrijven met incidentele liquiditeitstekorten (tekorten na een jaar zonder liquiditeitstekorten).

Incidentele en structurele liquiditeitstekorten

In de varkenshouderij is er een vrij grote groep bedrijven met structurele liquiditeitstekorten (figuur 7.6). Gemiddeld over de periode 2003-2011 genereert 14% van de varkensbedrijven structureel niet voldoende middelen uit het bedrijf om gezinsbestedingen van 20.000 euro per huishouden te betalen. Over de periode 2003-2011 schommelt dit percentage sterk. Het aandeel glastuinbouwbedrijven met structurele liquiditeitstekorten vertoont sinds 2003 een stijgende lijn. Over het algemeen zijn de bedrijven met structurele tekorten wat kleiner dan gemiddeld, met uitzondering van de glastuinbouw, waar ze juist wat groter zijn. Het productieapparaat is over het algemeen ook wat verouderd. De leeftijd van de ondernemer wijkt niet echt af van het gemiddelde.

6215.png

Oplossingsrichtingen liquiditeitstekorten

Bij zowel bedrijven met incidentele liquiditeitstekorten als bedrijven met structurele problemen zijn het interen op liquide middelen en uitstel van betalingen de meest gekozen oplossingen in het jaar waarin sprake is van een liquiditeitstekort. Dat geldt voor alle bedrijfstypes (figuur 7.7). Weinig bedrijven slagen erin om de liquiditeitstekorten op te vangen door meer inkomen uit arbeid (werk voor derden en arbeid buiten bedrijf) te verwerven. In veel gevallen biedt de organisatiestructuur van de gezinsbedrijven hier slechts beperkt ruimte voor.

6232.png

Hoewel het percentage bedrijven dat kiest voor desinvesteringen beperkt is, levert dat gemiddeld voor de bedrijven wel veel geld op (figuur 7.8). De verkoop van productiemiddelen betreft in de akkerbouw vooral grond, in de melkveehouderij grond en melkquota en in de varkenshouderij vooral varkensrechten. In de glastuinbouw spelen desinvesteringen nauwelijks een rol. Voor bedrijven met incidentele liquiditeitstekorten is daarnaast het interen op de liquide middelen en het vergroten van het kort vreemd vermogen (bijvoorbeeld door rekeningen langer te laten liggen) een belangrijke oplossing. Tussen de bedrijfstypes verschillen de aandelen van de verschillende oplossingsrichtingen weinig.

6249.png

Een klein deel van de bedrijven trekt meer lang vreemd vermogen aan in tijden van liquiditeitstekorten. Op langere termijn is dat geen oplossing, omdat deze leningen leiden tot rente- en aflossingsverplichtingen. Meer structurele oplossingen zoals kostenbesparingen op arbeid, algemene kosten en onderhoud en het genereren van extra inkomen uit arbeid (werk voor derden en arbeid buiten bedrijf) leveren voor bedrijven die ervoor kiezen gemiddeld weinig op.

7.5 Innovatie

Om de concurrentie het hoofd te blijven bieden is en blijft innovatie belangrijk. Innovatie is een van de speerpunten van het huidige kabinet. Het percentage ‘innoverende’ agrarische bedrijven wordt als beleidsindicator in de begroting van het ministerie van EZ gebruikt. De streefwaarde die het ministerie hanteert is 15% in 2012.

In 2011 gold 12% van de land- en tuinbouwbedrijven als innovatief (tabel 7.7), maar slechts 2,4% van de bedrijven is een echte innovator. Zij voeren een vernieuwing door die uniek is voor de sector.

Tabel7.7.png

Zo’n 10% van de bedrijven hoort bij de groep bedrijven die kort nadat er een vernieuwing in de sector heeft plaatsgevonden, deze ook op het eigen bedrijf doorvoert. Door de dalende trend raakt de streefwaarde van 15% verder buiten bereik. De slechte bedrijfsresultaten in de afgelopen jaren in een aantal sectoren zijn hier mede debet aan.

Net als in 2010 is in 2011 het percentage innoverende bedrijven en volgers het hoogst in de pluimveehouderij. Dit is mede het gevolg van de EU-welzijnseisen die gesteld worden aan stallen per 1 januari 2012. Ook in andere dierlijke sectoren worden innovaties deels afgedwongen door wet- en regelgeving. In de melkveehouderij is er minder geïnnoveerd dan in 2010. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de matige bedrijfsresultaten in de jaren 2009 en, in mindere mate, 2010 (zie ook Van Galen en Van der Meer, 2013).

De productinnovaties worden hoofdzakelijk in samenwerking met andere ondernemingen ontwikkeld (tabel 7.8). Bij procesinnovaties is er meestal een externe partij die de innovatie uitwerkt. Een beperkt deel van de innovaties wordt op het eigen bedrijf ontwikkeld.

Tabel7.8.png

Verwante links

Voor meer resultaten per sector zijn er het Bedrijveninformatienet en de artikelen van de Agri-Monitor.

Literatuur

Backus, G., W. Baltussen, M. van Galen, H. van der Meulen en K. Poppe (2009). Voorbij het gezinsbedrijf?; Organisatie van het agrarisch bedrijf, nu en in de toekomst. Rapport 2009-051, LEI Wageningen UR, Den Haag

Galen, Michiel van en Ruud van der Meer (2013). ‘Aantal innoverende bedrijven in de land- en tuinbouw verder gedaald’. In: Agri-Monitor, maart 2013. LEI Wageningen UR, Den Haag

Meer, Ruud van der en Jacob Jager (2013). ‘Rendement eigen vermogen in de land- en tuinbouw steunt op herwaardering grond’. In: Agri-Monitor, april 2013. LEI Wageningen UR, Den Haag

RLI (Raad voor de leefomgeving en infrastructuur) (2013). Ruimte voor duurzame landbouw. Den Haag

Meulen, H.A.B. van der, W.H. van Everdingen en A.B. Smit (2012). Actuele ontwikkeling van resultaten en inkomens in de land- en tuinbouw in 2012. Rapport 2012-064, LEI Wageningen UR, Den Haag

Meulen, H.A.B. van der, C.J.A.M. de Bont, H.J. Agricola, P.L.M. van Horne, R. Hoste, A. van der Knijff, F.R. Leenstra, R.W. van der Meer en A. de Smet (2011). Schaalvergroting in de land- en tuinbouw; Effecten bij veehouderij en glastuinbouw. Rapport 2010-094, LEI Wageningen UR, Den Haag

Wisman, A. en P.W. Blokland (2013). Protocol invulling Duurzaamheidsindicatoren begroting 2014. LEI, Den Haag.

Zijlstra, J., W.H. van Everdingen, J.H. Jager, S. Kooistra, J.W. van Riel (2012). Gevolgen van groei voor financiële resultaten op melkveebedrijven in Nederland en EU. Deelrapport 1 van het project “Groeien in rendement”. Livestock Research Rapport 606, LEI-publicatie 12-095, Wageningen UR, Lelystad/Den Haag