Landbouw, milieu en dierenwelzijn

5.1 Algemeen beeld milieudruk landbouw

Het beeld van de milieudruk van de primaire land- en tuinbouw is voor de verschillende indicatoren zeer uiteenlopend (figuur 5.1). De uitstoot van broeikasgassen en van ammoniak is gedaald in 2011. De overschotten fosfaat en stikstof zijn daarentegen vrijwel stabiel. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nam toe. Globaal gezien lijkt de vermindering van de milieudruk de laatste jaren wat te stagneren.

De jaarlijkse variaties in de milieudruk zijn deels het gevolg van veranderingen in de natuurlijke omstandigheden. Regenachtige zomers, zoals in 2011, leiden tot een toename in het gebruik van schimmelbestrijdingsmiddelen om zo de gevreesde aardappelziekte Phytophtora te bestrijden. Een zachte winter drukt het energieverbruik en daarmee de CO2-uitstoot.

Op wat langere termijn bezien is duidelijk sprake van een verlaging van de milieudruk van de Nederlandse land- en tuinbouw, zeker gezien ook de stijging van de productie. Zo is het verbruik van gewasbeschermingsmiddelen sinds het midden van de jaren tachtig ongeveer gehalveerd. De emissie van ammoniak is met twee derde afgenomen sinds

7183.png

1990, wat vooral te danken is aan minder emissie bij het toedienen van dierlijke mest op bouw- en grasland en meer export en verwerking van vooral pluimveemest. De emissie van broeikasgassen ligt in 2011 zo’n 16% onder het niveau van 1990. De overschotten van fosfaat en stikstof zijn, na aanvankelijke dalingen sinds 1990, weer enigszins aan het stijgen. Dit is vooral een gevolg van een toename van de veestapel; daarnaast is van belang dat de export en verwerking van mest op het maximum zit. Met name voor mest en mineralen geldt dat het halen van de milieudoelstellingen de komende jaren nog veel inspanningen zal vergen. Deze ontwikkelingen komen in de volgende paragrafen uitgebreid aan bod.

5.2 Gewasbescherming

5.2.1 Verbruik gewasbeschermingsmiddelen

Het verbruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen door de Nederlandse land- en tuinbouw is tussen het midden van de jaren tachtig en de eeuwwisseling ongeveer gehalveerd (tabel 5.1), in lijn met de doelstelling uit het MeerJarenPlan Gewasbescherming (MJP-G) van 1991 (LNV, 1991). In de periode van 2001 tot 2007 steeg het verbruik licht, tussen 2007 en 2010 was weer sprake van een afname. In 2011 is de afzet echter met bijna 15% gestegen ten opzichte van 2010 (CBS, PBL, Wageningen UR 2012). De stijging deed zich voor in alle categorieën van middelen, maar was procentueel het sterkst in de onkruid- en schimmelbestrijding, de twee grootste categorieën in actieve stofgebruik. Opvallend is ook dat sinds 2010 het gebruik van grondontsmetters weer toeneemt, een categorie waarbij in het verleden juist een spectaculaire daling was bereikt door middelverboden.

Tabel5.1.png

Ten opzichte van 1985 is de totale afzet in 2011 met 51% afgenomen, de vraag is dan ook of de toename in 2011 een incident is of dat er ontwikkelingen zijn waardoor een stijgende lijn te verwachten is. De zomer van 2011 was nat, wat de geconstateerde toename in middelengebruik tegen schimmels in ieder geval deels verklaart. Dit geldt in mindere mate voor grondontsmetting waarmee met name aaltjes worden aangepakt, omdat de ontwikkeling van aaltjes minder weersafhankelijk is. Er zijn echter ook geluiden dat de bodemgezondheid in diverse gebieden terugloopt, onder andere als gevolg van intensievere bouwplannen in de akkerbouw (Berkhout et al., 2011). Dit zou een opwaartse druk op het gebruik kunnen geven.

Aanpak Phytophthora infestans blijft een groot probleem

Bij de schimmelziekten gaat het vooral om Phytophthora infestans, die al decennialang een groot probleem vormt in de aardappelteelt. Onder meer door betere hygiëne en het aanpakken van ziektehaarden slaagt de sector erin om dit probleem geleidelijk meer te beheersen. Middels het Masterplan Phytophthora besteden LTO en het Productschap Akkerbouw hier uitdrukkelijk aandacht aan (PA, 2011).

Naar aanleiding van een hoge ziektedruk van Phytophthora in de jaren 1997 en 1998 werd door het landbouwbedrijfsleven een gezamenlijke aanpak geformuleerd om deze problematiek te lijf te gaan. Daarbij moest de milieubelasting als gevolg van de bestrijding van Phytophthora worden teruggebracht, maar tegelijkertijd de continuïteit van de aardappelteelt worden gewaarborgd. Dit betekende dat in 2006 een halvering van de milieubelasting moest worden bewerkstelligd. Later is de doelstelling aangescherpt, namelijk een reductie van de milieubelasting in 2010 tot 5% van die in 1998; die doelstelling is in 2011 bij alle aardappelen gehaald. Een belangrijke factor in dit succes was de instelling van het Lozingenbesluit Open Teelten en Veehouderij vanaf 1 maart 2000, waarin een groot aantal maatregelen is opgenomen om de drift (het verstuiven van gewasbeschermingsmiddelen) te beperken. Dit besluit had tot gevolg dat het gemiddelde driftpercentage afnam van 5,4% naar 0,5%. Die afname van het driftpercentage vertaalt zich rechtstreeks in een vermindering van het aantal milieubelastingspunten (mbp) in het compartiment ‘oppervlaktewater’ (Jager en Janssens, 2013) (figuur 5.2).

6690.png

Er zijn dus goede resultaten geboekt met de terugdringing van de milieubelasting bij de bestrijding van Phytophthora. Het probleem kan echter pas structureel worden opgelost als er voldoende (meervoudig, duurzaam) resistente aardappelrassen beschikbaar komen. Omdat de ziekte zich snel genetisch aanpast en onder steeds koudere en warmere omstandigheden toeslaat, blijft voorlopig de beschikbaarheid van een uitgebalanceerd middelenpakket essentieel.

Ook de biologische sector is erg gespitst op Phytophthoraresistente rassen, omdat in die sector chemische correctiemiddelen ontbreken; het loof wordt gebrand als dat voor meer dan 5% aangetast is. Dit betekent dan ook direct het einde van het productieproces, zodat de kg-opbrengsten van vatbare rassen in natte jaren sterk achterblijven vergeleken bij resistente rassen of chemisch goed beschermde percelen (Tamm et al., 2004).

5.2.2 Beleid

Het oude gewasbeschermingsbeleid, vastgelegd in de 1e Nota Duurzame gewasbescherming (LNV, 2004), is over de periode 1998 - 2010 geëvalueerd door het Planbureau voor de leefomgeving (PBL, 2012a). Daaruit bleek dat er in die periode forse verbeteringen zijn geboekt, met name op het terrein van voedselveiligheid. Zo was in 2008 het aantal overschrijdingen van de residunormen (de maximaal toegestane hoeveelheid chemicaliën op het voedsel) 70% lager dan in 2003, ruim meer dan de doelstelling van 50%. Een aantal andere beleidsdoelstellingen is echter niet (geheel) gehaald. Dat betreft met name het oppervlaktewater (de ecologische kwaliteit daarvan en het aantal knelpunten bij de drinkwaterbereiding uit oppervlaktewater) en de veiligheid voor de gebruikers van de middelen. Tegelijkertijd is wel voldaan aan een belangrijke randvoorwaarde van het beleid, namelijk dat de concurrentiepositie van de Nederlandse telers niet zou verslechteren (PBL, 2012). Een deel van de telers leeft de regelgeving onvoldoende na en heeft te weinig aandacht voor de risico’s die het werken met gewasbeschermingsmiddelen met zich meebrengt. Dit verklaart in belangrijke mate waarom de doelstellingen op het gebied van de waterkwaliteit en de arbeidsveiligheid niet zijn gehaald (PBL, 2012).

Aanvullend beleid geformuleerd

Op basis van de evaluatie van de 1e Nota is in de 2e Nota Duurzame Gewasbescherming Gezonde groei, duurzame oogst aanvullend beleid geformuleerd; de nota is in mei 2013 aangeboden aan de Tweede Kamer (EZ en IenM, 2013a,b). Het Nationaal Actieplan voor duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, dat Nederland in 2012 heeft inge­diend bij de EU-Commissie, vormt hier een onderdeel van (EL&I, 2012a, Buurma et al., 2012).

In de 2e Nota laat het kabinet als ambitie zien ‘dat uiterlijk 2023 voldaan is aan alle (inter)nationale eisen op het gebied van milieu- en water, voedselveiligheid, menselijke gezondheid en arbeidsomstandigheden. Het kabinet wil tegelijkertijd een blijvend economisch perspectief voor de land- en tuinbouw realiseren door de concurrentiekracht te versterken. De maatregelen in de Nota zijn er op gericht deze ambitie te verwezen­lijken door intensieve samenwerking tussen kabinet, bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en andere overheden’ (EZ en IenM, 2013a).

Deze ambitie wordt geconcretiseerd in een aantal speerpunten:

1. Geïntegreerde gewasbescherming voor alle telers vanaf 2014.

2. Verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit (geen overschrijdingen meer van respectievelijk de drinkwaternorm en de milieukwaliteitsnormen).

3. Verbod op het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (waaronder glyfosaat) voor onkruidbestrijding op verhardingen in de openbare ruimte en op sport- en recreatieterreinen vanaf 2018.

4. Zo veel mogelijk voorkomen van eventuele risico’s en effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de biodiversiteit, waaronder bijen.

5. Verder terugdringen van residuen op voedsel, onder andere in verband met risico’s vanuit cumulatie (meerdere stoffen tegelijk).

6. Verbetering van de verplichte risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) en de naleving daarvan.

7. Voldoende afdekking van de risico’s voor omwonenden en passanten in de toelating en eventueel aanvullende maatregelen om blootstelling te verminderen.

8. Verdere verduurzaming van de teelt. Innovatie, ontwikkelen, verspreiden en toepassen van kennis zijn daarbij volgens het kabinet sleutelwoorden (EZ en IenM, 2013b).

De 2e Nota richt zich onder andere op de verbetering van het oppervlaktewater. Tegen die achtergrond zijn de bedrijfskundige, economische en milieukundige effecten van enkele emissiebeperkende en/of biodiversiteitsbevorderende maatregelen doorgerekend (Buurma et al., 2012). De betaalbaarheid van de benodigde maatregelen voor bedrijven in de verschillende plantaardige sectoren bleek te verschillen. De kosten kunnen hoog oplopen als breed werkende insecticiden moeten worden vervangen door selectieve alternatieven, die het schadelijk effect op bijen en nuttige insecten aanzienlijk verminderen. Ook aan zuivering van spuiwater in de glastuinbouw en aanleg van meerjarige akkerranden op akkerbouwbedrijven hangt een prijskaartje. Bij de aanschaf van nieuwe spuitsystemen kunnen de meerkosten dikwijls (meer dan) terugverdiend worden door besparing op middelengebruik. Een verbod van glyfosaat op verhardingen kost gemeenten en bedrijven veel geld, maar die maatregel levert juist waterwinbedrijven een flinke besparing op zuiveringskosten op (Buurma et al., 2012).

Vooruitlopend op de behandeling van de 2e Nota in de Tweede Kamer is daarnaast nog een ex ante-evaluatie uitgevoerd om inzicht te krijgen in de milieukundige en economische effecten van de maatregelen in de 2e Nota om het aantal normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater terug te dringen (Buurma et al., 2013). De vraag daarbij was nu of de voorgestelde emissie-technische maatregelen zullen leiden tot een afname van het aantal overschrijdingen met 50% in 2018 en 90% in 2023, zoals in de 2e Nota nagestreefd wordt.

De voorgestelde maatregelen in de 2e Nota blijken voldoende om de doelstelling van 50% reductie van normoverschrijdingen in 2018 te realiseren voor de sectoren glastuinbouw, bollen, akkerbouw en loonspuiten in mais, maar onvoldoende voor de sectoren fruit, bomen en vollegrondsgroente. De oorzaken van de normoverschrijdingen verschillen. Naast generieke maatregelen, liggen daarom sectorspecifieke maatregelen voor de hand. Zo blijkt in de bloembollenteelt de ontsmetting van bollen de doorslaggevende activiteit te zijn bij de overschrijding van normen.

Met aanvullende maatregelen kan in glastuinbouw, akkerbouw, loonspuiten in mais en bollen de doelstelling van 90% reductie van normoverschrijdingen in 2023 worden gerealiseerd. Bij bomen, fruit en vollegrondsgroente wordt 50-70% reductie gerealiseerd met dezelfde aanvullende maatregelen. In deze sectoren kan dan verbreding van teeltvrije zones en/of een verbod op de probleemmiddelen (middelen met een groot aantal hoge normoverschrijdingen) leiden tot realisatie van het doel.

Vermindering chemieafhankelijkheid

Met een vermindering van de chemieafhankelijkheid worden meerdere vliegen in een klap geslagen: de veiligheid van werkers in de sector, omwonenden en consumenten neemt toe, de milieubelasting vermindert en de biodiversiteit wordt bevorderd. Ook wordt de kans op resistentie kleiner (PBL, 2012a). Er is een breed scala aan mogelijkheden om de chemieafhankelijkheid te verminderen, zoals niet-chemische bestrijdingsmethoden, ontwikkelen van resistente rassen, preventieve maatregelen, stimuleren bodemgezondheid etcetera. Deze mogelijkheden zijn in de praktijk bekend en worden deels ook toegepast (Van der Wal et al., 2011).

Toch zou er nog meer kunnen gebeuren, maar de kosten en een verhoging van de risico’s bij de teelt worden door de telers vaak als een probleem gezien. In de praktijk wordt daarom vrij snel overgegaan op chemische bestrijding, terwijl de niet-chemische mogelijkheden nog niet zijn uitgeput (PBL, 2012a). Biologische bestrijding met inzet van bijvoorbeeld natuurlijke vijanden en biologische landbouw blijven daardoor in omvang beperkt. Met name in de akkerbouw hebben telers de neiging om via technologische weg de milieubelasting te willen beperken (Berkhout et al., 2011). De inzet van sterk driftreducerende spuitdoppen en precisietechnieken spreekt hen aan en leidt inderdaad (bij goed gebruik) tot een aanzienlijke daling van het middelengebruik en de milieubelasting (Buurma et al., 2013). Daardoor zijn zulke maatregelen ook kostentechnisch aantrekkelijk. Bij toenemende schaalgrootte en weersvariaties is deze voorkeur voor sterk gemechaniseerde en geautomatiseerde aanpak goed te begrijpen.

Overigens is een goede start van het teeltseizoen van groot belang om de middelenbehoefte in de rest van het seizoen te beperken. In dit kader is het gebruik van gezond en goed beschermd (bijvoorbeeld gepilleerd) uitgangsmateriaal (zaai-, poot- en plantgoed) essentieel. Naast de verantwoordelijkheid van telers ligt hier ook een taak voor producenten en toelatingsinstanties van gewasbeschermingsmiddelen.

5.2.3 Discussie over risico’s gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Rond het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen spelen verschillende discussies. Zo heeft de Gezondheidsraad desgevraagd aan de regering geadviseerd een onderzoek in te stellen naar mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mensen, die wonen in gebieden waar veel chemische middelen worden gebruikt (Gezondheidsraad, 2011a). Aanleiding voor dit advies was een televisie-uitzending begin 2011, waarin in het bijzonder de bloembollengebieden werden genoemd. Dit advies zou oorspronkelijk eind 2012 uitkomen, maar dat is uitgesteld tot de zomer van 2013. Dit thema is een van de speerpunten geworden in de 2e Nota Duurzame Gewasbescherming (EZ en IenM, 2013b).

Een andere kwestie betreft de vraag in hoeverre een vrij nieuwe soort insectenbestrijdingsmiddelen - de neonicotinoïden en dan in het bijzonder het veelvuldig toegepaste imidacloprid in bijvoorbeeld de teelt van koolzaad - verantwoordelijk is voor de inkrimping van de bijenstand. Algemeen wordt erkend dat dit laatste een zeer zorgelijk verschijnsel is, met name vanwege de betekenis van bijen voor de voedselproductie. Het PBL stelt dat de neonicotinoïden vermoedelijk een rol spelen bij de bijensterfte, doordat ze andere factoren die de bijenpopulatie negatief beïnvloeden, zoals de varraomijt, versterken (PBL, 2012: 67/68).

Een deel van de problemen met imidacloprid hangt samen met onzorgvuldige toepassing van de middelen. De gebruiksvoorschriften waren weliswaar goed omschreven in de toelatingsprocedure, maar ze kwamen onvoldoende terug in de etiketvoorschriften, waarmee de gebruiker werkt. De producenten hebben aangekondigd dit te zullen verbeteren (Natuur & Milieu, 2013).

De discussies hebben ondanks dit initiatief geleid tot een Europees moratorium op het gebruik van neonicotinoïden voor een periode van twee jaar (De Boomkwekerij, 29 april 2013). Het moratorium geldt niet voor alle middelen uit deze groep, maar voor de werkzame stoffen imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam. Niet alle toepassingen van deze werkzame stoffen zullen worden stopgezet. Het gaat met name om zaadtoepassingen van de insecticiden in door bijen bevlogen gewassen, zoals koolzaad. Gebruik in de glastuinbouw krijgt waarschijnlijk een uitzondering. Tijdens en na het moratorium worden de effecten van deze middelen op honingbijen en andere bloemzoekende insecten onderzocht. Tegen dit moratorium was verzet bij de producenten van deze middelen. Hun redenering hierbij was dat een moratorium zou leiden tot een frequenter gebruik van alternatieve middelen en mogelijk nog meer schade aan de bijenstand (Friesch Dagblad 30 april 2013).

5.3 Broeikasgassen

5.3.1 Internationale afspraken over vermindering emissies

In 2012 liep het Kyoto-protocol af. Tijdens de VN-klimaatconferentie in december 2012 in Doha hebben de 195 deelnemende partijen afgesproken om het huidige protocol te verlengen tot 2020. De doelstelling voor deze periode is om de uitstoot van broeikas­gassen met 18% terug te brengen ten opzichte van 1990. Omdat maar een beperkt aantal landen meedoet aan het Kyoto-protocol (waaronder de EU en Australië), is het effect van deze nieuwe afspraak op het verminderen van de broeikasgasemissies beperkt. De deelnemende landen vertegenwoordigen 12% van de mondiale uitstoot (IPS, 2012).

In Doha zijn ook afspraken gemaakt over onderhandelingen in de periode 2013-2015 om tot een nieuw klimaatinstrument te komen, dat met ingang van 2020 in werking moet treden. Dit nieuwe klimaatinstrument zou van toepassing moeten zijn op meer landen dan het Kyoto-protocol. Ook zou het instrument niet alleen moeten gaan over vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, maar ook over aanpassingen aan de gevolgen van klimaatverandering (I&M, 2012).

Het Nederlandse voornemen, uit het regeerakkoord uit 2010, is om de emissie van broeikasgassen met 20% te verminderen ten opzichte van 1990. Dat komt neer op een uitstoot van circa 170 Mton CO2-equivalenten in 2020. Om dit doel te realiseren zal de uitstoot van emissies in de periode 2012-2020 jaarlijks met gemiddeld 1,5% moeten dalen. Dat is aanmerkelijk meer dan de gemiddelde 0,4% afname per jaar sinds 1990. In de Klimaatbrief 2011 (I&M, 2011) spreekt het kabinet de verwachting uit dat deze ambitie haalbaar is, zelfs zonder aankoop van buitenlandse emissierechten. Deze verwachting is enerzijds gebaseerd op het feit dat de sectoren en bedrijven die deelnemen aan het Europese Emissiehandel Systeem (ETS) per 2020 21% minder CO2-equivalenten mogen uitstoten. Door het ingebouwde plafond in het ETS ‘is de realisatie van deze doelstelling een gegeven’ (I&M, 2011). Voor de niet-ETS sectoren is de doelstelling een vermindering van de emissie met 16% in 2020 ten opzichte van 1990; met het huidige beleid is deze doelstelling haalbaar. De bedrijven in de primaire land- en tuinbouw vallen onder de sectoren die niet deelnemen aan het ETS, grote tuinbouwbedrijven daargelaten.

5.3.2 Ontwikkeling emissies

In 2011 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen in Nederland 194 Mton CO2-equivalenten (tabel 5.2). Ten opzichte van een jaar eerder is dit een daling met ruim 7%, die vooral is toe te schrijven aan een lager energieverbruik als gevolg van de zachte wintermaanden in 2011 (PBL, 2013). De emissie van de twee andere grote broeikasgassen methaan en lachgas was in 2011 min of meer stabiel ten opzichte van 2010. Met deze uitstoot blijft Nederland binnen de afspraak van het Kyoto-protocol, op basis waarvan Nederland in 2012 maximaal 200 Mton CO2-equivalenten mag uitstoten.

De primaire land- en tuinbouw heeft een aandeel van rond de 12 à 13 % in de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland. De afname van de uitsloot van CO2 in 2011 ten opzichte van 2010 is vooral te danken aan een lagere CO2-uitstoot in de tuinbouw.

De gestage daling sinds 1990 van de uitstoot van lachgas, vooral afkomstig uit

(kunst)mest, is met name toe te schrijven aan het mestbeleid, waardoor het gebruik van (kunst)mest per ha sterk is afgenomen (zie tabel 5.4). Voor de broeikasgassen kooldioxide en methaan, was tot circa halverwege het eerste decennium van deze eeuw eveneens sprake van een gestage afname van de emissies. De (hernieuwde) groei van de veestapel heeft sindsdien bijgedragen aan de toename van de methaanemissie (zie

Tabel5.2.png

ook tabel 6.2, hoofdstuk 6). De toename in de uitstoot van kooldioxide is vooral een gevolg van de gestegen CO2-emissie in de tuinbouw, zowel voor de teelt als voor de productie van elektriciteit (zie ook §5.4).

De emissies vertonen jaarlijks aanzienlijke schommelingen. Gemiddeld is de emissie van de land- en tuinbouw sinds 1990 met 0,9% per jaar afgenomen. Hoe de emissie zich de komende jaren zal ontwikkelen hangt af van verschillende factoren zoals de ontwikkeling van de rundveestapel na het wegvallen van de melkquota, de verdere invulling van het mestbeleid en de omvang van de energieopwekking in de glastuinbouw.

De uitstoot van broeikasgassen van het totale agrocomplex bedroeg in 2010 47,5 miljard kg CO2-equivalenten. Binnen het totale agrocomplex heeft de primaire land- en tuinbouw met een aandeel van circa 60% de grootste bijdrage (Van Leeuwen, 2012). Het aandeel van de tuinbouwsector en van de distributiesector in de totale emissie is de laatste jaren omhooggegaan, voor de overige onderdelen is juist sprake van een lichte daling.

5.4 Glastuinbouw en energie

De Nederlandse glastuinbouw is zowel verbruiker als leverancier van energie. Het energiegebruik is daardoor een belangrijk thema voor de Topsector Tuinbouw en uitgangsmaterialen. Bovendien zijn belangrijke maatschappelijke onderwerpen als het effect op het klimaat, slinkende voorraden fossiele brandstof, leveringszekerheid en het imago van de glastuinbouw van belang, waardoor de glastuinbouw en de overheid gemeenschappelijke belangen hebben om het verbruik van fossiele brandstof te reduceren. In het Convenant Schone en zuinige agrosectoren (Agroconvenant, 2008) zijn voor de glastuinbouw de volgende doelen en ambities overeengekomen voor 2020:

- verbetering van de energie-efficiëntie met gemiddeld 2% per jaar;

- een reductie van de CO2-emissie voor de teelt vanaf 1990 met 1 Mton tot 5,8 Mton; de ambitie is om deze emissie verder te reduceren tot 4,8 Mton;

- een nationale reductie van de CO2-emissie met warmtekrachtinstallaties van 2,3 Mton;

- een aandeel duurzame energie van 20%.

Voor het bereiken van de doelen werken glastuinbouw en overheid samen in het programma Kas als Energiebron (KaE). De ambitie is om vanaf 2020 in nieuwe kassen klimaatneutraal en economisch rendabel te telen. KaE omvat een zevental transitiepaden (Jaarplan, 2012): zonne-energie, aardwarmte, biobrandstoffen, teeltstrategieën, licht, duurzame(re) elektriciteit en duurzame(re) CO2.

CO2-emissieruimte voor 2020 ambitieuzer dan streefwaarden 2008-2012

Voor de glastuinbouw is er een vereveningssysteem voor CO2-emissie, ook wel het CO2-sectorsysteem genoemd. Dit systeem wordt momenteel verder ontwikkeld naar een meer individuele benadering. Naast het Agroconvenant is er tussen de sector en de overheid een streefwaarde voor de CO2-emissie voor de teelt overeen gekomen van 6,6 Mton per jaar in de periode 2008-2012 (Brief, 2007). In 2011 is vervolgens het Convenant CO2-emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem afgesloten tussen de Nederlandse overheid en de sector voor de periode 2013-2020 (Convenant, 2011). Hierin is voor het laatste jaar 2020 een emissieruimte opgenomen voor de totale CO2-emissie van 6,2 Mton. De CO2-emissieruimte voor het eerste jaar 2013 wordt vastgesteld op basis van de resultaten van de Energiemonitor Glastuinbouw 2010-2012 . Bezien vanuit de werkelijke emissies is de emissieruimte voor de totale CO2-emissie in 2020 duidelijk ambitieuzer dan de streefwaarde voor de teelt in 2008-2012.

De streefwaarde en de emissieruimte zijn geen doelen zoals in het Agroconvenant. Bij een hogere werkelijke CO2-emissie ten opzichte van de streefwaarde en de emissieruimte dient de sector aan de overheid te betalen overeenkomstig de marktwaarde van de CO2-emissierechten. Op deze wijze worden de kosten voor de milieubelasting geïnternaliseerd.

Energie-efficiëntie verder verbeterd

De energie-efficiëntie - de verhouding tussen het verbruik van primaire brandstof en productievolume - was in 2011 52% beter dan in 1990 (tabel 5.3) (Van der Velden en Smit, 2012). Dit komt zowel door reductie van het primair brandstofverbruik per m2 met 33%, als door een toename van de fysieke productie per m2 met 40%. De warmtekracht(wk)-installaties dragen veel bij aan de verbeterde energie-efficiëntie; ruim een derde van de verbetering sinds 1990 is hieraan toe te schrijven. In 2011 is de energie-efficiëntie verslechterd met 2 procentpunten. Dit is deels toe te schrijven aan een lagere verkoop van elektriciteit, waardoor het primair brandstofverbruik is toegenomen. Daarentegen is de fysieke productie per m2 in 2011 verbeterd. Het uiteindelijke doel is een verbetering van de energie-efficiëntie met 57% in 2020 ten opzichte van 1990. Of dit haalbaar is, is mede afhankelijk van de vraag of de elektriciteitsverkoop door de wk-installaties in de komende jaren op peil blijft.

CO2-emissie

Bij de CO2-emissie dient onderscheid te worden gemaakt tussen de totale CO2-emissie en de CO2-emissie voor de teelt. Het verschil is de emissie die samengaat met de verkoop van elektriciteit door de glastuinbouw.

Zowel de totale CO2-emissie als die voor teelt namen in 2011 af (tabel 5.3). De CO2-emissie voor de teelt is gedaald tot 5,6 Mton en ligt daarmee 0,2 Mton onder het doel voor 2020 uit het Agroconvenant. De totale CO2-emissie is gedaald tot 7,8 Mton en ligt 1,6 Mton boven de CO2-emissieruimte voor 2020 (6,2 Mton).

De totale CO2-emissie wordt beïnvloed door (1) de buitentemperatuur, (2) het gebruik van wk-installaties en de bijbehorende verkoop van elektriciteit, (3) de inkoop van (fossiele) warmte, (4) de inkoop en productie van duurzame energie, (5) de reductie van de energievraag door energiebesparende opties en (6) de toename van de energievraag door het intensiveringsproces (Van der Velden en Smit, 2012). De daling van de totale CO2-emissie is in 2011 voor 0,5 Mton toe te schrijven aan de hogere buitentemperatuur; dit effect komt voort uit het gebruik van de IPCC-methode voor het meten van de CO2-emissie, waarbij geen rekening wordt gehouden met verschillen in buitentemperatuur tussen de jaren, bij de energie-efficiëntie gebeurt dit wel. Indien de CO2-emissie wordt gecorrigeerd voor de eerste vier factoren, blijft het effect over van de laatste twee. Daaruit blijkt een toename van de emissies voor de periode 2006-2011. Dit betekent dat in deze periode het effect van het intensiveringsproces groter is dan het effect van energiebesparing c.q. vraagreductie. Zowel het intensiveringsproces als de energiebesparing is een continu proces in de glastuinbouw. Het intensiveringsproces omvat onder andere de verschuiving naar meer energievragende gewassen, telen in de winterperiode met belichting en het gebruik van koeling (zie ook kader groei elektriciteitsconsumptie).

Tabel5.3.png

Warmtekrachtinstallaties leveren zo’n 10% van de Nederlandse elektriciteitsvraag

De glastuinbouw is een belangrijke elektriciteitsproducent en netto (verkoop minus inkoop) leverancier van elektriciteit (Van der Velden en Smit, 2012). De elektriciteit wordt geproduceerd met warmtekrachtkoppeling. Bij deze vorm van elektriciteitsproductie wordt de vrijkomende warmte benut, in tegenstelling tot elektriciteitscentrales waar meer dan de helft van het brandstofverbruik verloren gaat als afvalwarmte.

Het vermogen in de glastuinbouw om elektriciteit op te wekken nam in 2011 toe tot bijna 3.000 MWe. In de jaren 2009-2011 werd gemiddeld 11 tot 12 miljard kWh elektriciteit opgewekt, wat neerkomt op zo’n 10% van de totale Nederlandse elektriciteitsconsumptie. Door benutting van de warmte uit de wk-installaties is in 2011 ten opzichte van 1990 de nationale CO2-emissie met 2,2 Mton gereduceerd. Dit is iets minder dan het doel in het Agroconvenant (2,3 Mton).

De wk-installaties hebben een belangrijke invloed op de energiekosten en de energie-efficiëntie van de glastuinbouw. In de periode 2002-2010 is de aardgasprijs die de tuinders betalen meer dan verdubbeld. De netto-energiekosten (inkoop minus verkoop) liggen in 2010 echter maar zo’n 20% hoger dan in 2002 (Van der Velden en Smit, 2012). Met de wk-installaties en de bijbehorende verkoop van elektriciteit heeft de glastuinbouw de toename van de energiekosten dan ook kunnen beperken. In 2011 is de aardgasprijs gestegen en de prijs van elektriciteit gedaald. De netto energiekosten voor de glastuinbouw zijn daardoor gestegen (Van der Velden en Smit, 2012).

De verwachting is dat de elektriciteitsprijs verder zal dalen vanwege de bouw van nieuwe elektriciteitscentrales en verbeterde internationale transportmogelijkheden, waardoor het aanbod groter wordt. Hierdoor zullen de netto energiekosten voor de glastuinbouw op de korte termijn verder toenemen. Dit geeft een prikkel voor energiebesparing en het gebruik van duurzame energie, en de intensivering van de productie wordt geremd. Daarentegen zal door de dalende elektriciteitsprijs de verkoop van elektriciteit afnemen, hetgeen een negatieve invloed heeft op de energie-efficiëntie. De totale CO2-emissie van de glastuinbouw zal hierdoor dalen, maar de nationale emissie (inclusief die uit elektriciteitscentrales) zal extra stijgen omdat de vrijkomende warmte in de centrales niet wordt benut. Door de dalende elektriciteitsprijs wordt de belichting en dus ook het intensiveringsproces gestimuleerd.

Groei elektriciteitsconsumptie

Het elektriciteitsgebruik van de glastuinbouw groeit. In 2011 werd zo’n 6,2 miljard kWh gebruikt, tegen 4,2 miljard kWh in 2005 . Hiervan werd in 2011 82% gebruikt voor belichting. Van de resterende 18% van de elektriciteitsgebruik gaat 10% naar de energievoorziening in en om het ketelhuis, 3% naar algemene elektrische apparatuur, 3% naar apparatuur in de kas en 2% naar apparatuur in de waterruimte.

De groei van het elektriciteitsgebruik zit vooral bij de belichting, maar ook bij de overige apparatuur. Driekwart van het belichte areaal is in gebruik voor bloemkwekerij (bloemen en planten), een kwart voor groente. Bij de groente groeit het areaal met belichting. De groei van het elektriciteitsgebruik voor de belichting komt vooral door de toenemende belichtingsintensiteit (W/m2) en in mindere mate door de stijging van het belichte areaal (ha) en de gebruiksduur (uur/jaar). Bij de overige apparatuur vertoont het elektriciteitsgebruik voor de energievoorziening in en om het ketelhuishuis en in de kas een groei. Dit komt door het toegenomen gebruik van duurzame en efficiëntere energiebronnen. Deze energiebronnen zijn duurzamer, maar gebruiken vaak meer elektriciteit. In de kas is het klimaat verder geoptimaliseerd en is het interne transport toegenomen. Beide brengen extra elektriciteitsgebruik met zich mee.

In de toekomst zal de elektriciteitsconsumptie door de glastuinbouw verder groeien. Dit hangt samen met de verwachte verdere toename van de belichting, maar ook met het naar verwachting toenemend gebruik van duurzame(re) energiebronnen, mechanisering en de verdere optimalisering van het kasklimaat.
De verdere groei van de belichting komt voort uit de vraag naar kwaliteitsproducten in de winterperiode waarvoor duidelijk hogere prijzen worden betaald.

Bron: Van der Velden en Smit (2013).

Duurzame energie

Het aandeel duurzame energie nam in 2011 met 0,2 procentpunt toe tot 1,8% (tabel 5.3) (Van der Velden en Smit, 2012). Naast de groei van de hoeveelheid duurzame energie, het aantal bedrijven en het areaal waar duurzame energie wordt gebruikt, is het aandeel duurzame energie ook toegenomen door de daling van het totaal energiegebruik in de glastuinbouw. Dit laatste hangt vooral samen met de hogere buitentemperatuur. Duurzame energie omvat in oplopende volgorde van gebruik: duurzaam gas, inkoop van duurzame warmte, aardwarmte, biobrandstoffen, inkoop van duurzame elektriciteit en zonnewarmte. Om de doelstelling uit het Agroconvenant te halen (aandeel van 20% in 2020) zal het gebruik van duurzame energie nog flink moeten toenemen.

5.5 Mest en mineralen

5.5.1 Mest- en mineralenproductie

De netto stikstofproductie in dierlijke mest (na aftrek van de gasvormige emissies, zoals ammoniak) daalde van 1990 (604 mln. kg) tot 2005 (423 mln. kg) met 30% (www.compendiumvoordeleefomgeving.nl). Daarna steeg de stikstofproductie, vooral door toename van het aantal dieren (vleesvee uitgezonderd). Verlaging van het stikstofgehalte in het voer had, na de afschaffing van het Minasstelsel en het invoeren van het gebruiksnormenstelsel in 2006, aanvankelijk weinig aandacht. In de melkveehouderij begon, onder invloed van de bedrijfsspecifieke excretie (bex), het stikstofgehalte in het rantsoen vanaf 2008 te dalen (Van den Ham et al., 2011a). De bex is een regeling waarmee de melkveehouder aantoont hoe hij, anders dan via de forfaitaire methode, voldoet aan de bemestingsnormen van het Gebruiksnormenstelsel (Van den Ham, 2011a). In 2011 daalde de totale stikstofproductie ten opzichte van 2010 met ongeveer 2%. Deze daling trad op bij alle sectoren, behalve in de varkenshouderij, waar de stikstofproductie steeg door toename van de dieraantallen. Het door de EU aan Nederland opgelegde stikstof-excretieplafond (de brutostikstofproductie van 2002 van 504 mln. kg) werd na 2002 nooit overschreden.

De fosfaatproductie in dierlijke mest daalde van 1990 (260 mln. kg) tot 2005 (170 mln. kg) met 35%. Daarna trad een stijging op die er in resulteerde dat in de jaren 2008 t/m 2010 het fosfaatexcretie-plafond (173 mln. kg, de fosfaatproductie van 2002) met 2 à 3% werd overschreden. De toename van het aantal dieren en de stijging van het fosforgehalte in het voer in vooral de varkenshouderij, zijn hiervan de oorzaak. Het niet overschrijden van het excretieplafond is één van de voorwaarden voor derogatie. In 2011 daalde de fosfaatproductie met ruim 9 mln. kg tot 170 mln. kg fosfaat, waarmee de fosfaatproductie weer onder het plafond kwam. Deze daling komt voor twee derde voor rekening van de rundveehouderij; die realiseerde deze daling voor bijna 75% (4,4 mln.kg) door lagere fosforgehalten in mengvoer en voor ruim 25% door minder dieren. Daarnaast daalde de fosfaatproductie van pluimvee door minder dieren en de fosfaatproductie van vleesvarkens door een betere voerconversie en een gemiddeld lager fosforgehalte in bijproducten (CBS, 2012).

De aanvoer van mineralen op Nederlandse landbouwgrond neemt af doordat steeds meer mest, vooral van pluimvee, wordt geëxporteerd. Van 2006 tot 2012 nam de export met 65% toe, van 17 mln. kg fosfaat naar 28 mln. kg (De Koeijer et al., 2011; DR loket, 2013). Na 2008 stokt de vermindering van de aanvoer van stikstof en fosfaat op landbouwgrond (tabel 5.4). De reden is dat de export en verwerking van droge mest op het maximum zit, de export en verwerking van drijfmest nog niet op gang komt en de bemesting met kunstmest vermoedelijk niet ver meer zal kunnen dalen. De lage aanvoer van fosfaatkunstmest in 2009 werd veroorzaakt door de hoge kunstmestprijzen.

Tabel5.4.png


Kwaliteit grondwater

De nitraatconcentratie van het water dat onder landbouwbedrijven uit de wortelzone uitspoelt, is vanaf 1992 tot 2011 aanzienlijk gedaald, vooral op zand en klei. Maar er zijn nog overschrijdingen. In de gebieden Zand-noord en Zand-midden wordt de nitraatdoelstelling, maximaal 50 mg per liter, gemiddeld ruimschoots gehaald, in Zand-zuid en in de Lössregio is dat niet het geval, hoewel ook hier een verbetering optrad (Baumann et al., 2012). De verschillen tussen genoemde regio’s kunnen voor een groot deel worden verklaard uit verschillen in stikstofoverschot en bodemgebruik, het aandeel grond met een diepe grondwaterstand en verschillen in neerslagoverschot. Daarnaast is de nitraatconcentratie van het water onder akkerbouwbedrijven en hokdierbedrijven hoger dan onder melkveebedrijven door een hoger stikstofbodemoverschot, een groter aandeel bouwland en diepere grondwaterstanden (Schoumans et al., 2012).

Het is daarom nodig meer specifiek per regio en sector te kijken naar opties die tot verbetering kunnen leiden. Zo is het de vraag hoe effectief nagewassen na bijvoorbeeld snijmais in de praktijk zijn in het verminderen van de nitraatuitspoeling. Ook wordt al meerdere jaren gewezen op een hoger berekend aanbod op de mestmarkt dan geregistreerd volgens de Vervoerbewijzen Dierlijke Mest (VDM’s). Een afdoende verklaring voor dit verschil is nog niet gevonden (Luesink et al., 2011). Het is nodig dat de oorzaken worden opgespoord, zodat duidelijk wordt of dit verschil in mestaanbod in werkelijkheid niet bestaat, of dat sprake is van een steeds toenemende hoeveelheid mest in opslag, of dat (een deel van) het verschil op andere wijze op het land wordt gebracht, of dat er minder wordt geproduceerd. Op bedrijven met derogatie (minimaal 70% grasland) lag de nitraatconcentratie in de zandregio (Zand-noord, Zand-zuid en Zand-midden) in 2011 net beneden de 40 mg/l water. Landelijk gezien ligt de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de wortelzone de laatste jaren gemiddeld onder de norm van 50 mg/l. In de zand- en lössregio’s nemen de nitraatconcentraties tussen 2007 en 2011 nog steeds significant af, hoewel de bodemoverschotten voor stikstof zich de laatste jaren stabiliseren (Buis et al., 2011).

5.5.2 Huidig en toekomstig mestbeleid

Het mestbeleid van de overheid stelt door middel van gebruiksnormen grenzen aan de hoeveelheid stikstof en fosfaat die met meststoffen aan landbouwgrond kan worden toegediend. Vanaf 2010 is de fosfaatgebruiksnorm afhankelijk van de fosfaattoestand van de bodem. Bij een hoge fosfaattoestand mag minder fosfaat worden toegediend dan bij een neutrale of een lage fosfaattoestand (DR loket, 2013). Volgens de gegevens die de landbouwers bij de Dienst Regelingen hebben opgegeven, heeft 20% van de landbouwgrond een neutrale, 10% een lage en 70% een hoge fosfaattoestand. Daarbij krijgt de landbouwgrond waarvan de fosfaattoestand niet bekend is volgens de regelgeving de gebruiksnormen voor fosfaattoestand hoog (Van den Ham et al., 2011a). De fosfaatgebruiksnorm voor grond met een hoge fosfaattoestand is 10 kg per hectare lager dan voor grond met een neutrale fosfaattoestand. Op grond met een lage fosfaattoestand kan 5 kg (grasland) tot 20 kg (bouwland) meer fosfaat worden geplaatst dan op grond met een neutrale fosfaattoestand (2013).

De omvang van de veestapel wordt nu nog beperkt door de melkquotering (melkveehouderij) en door de dierrechten (varkens- en pluimveehouderij). Beide instrumenten zullen, op basis van de huidige Meststoffenwet en Europese besluitvorming, in 2015 worden beëindigd. Dat kan leiden tot een opwaartse druk op de mestproductie en daarmee op het mestoverschot en de mestmarkt.

Nieuw mestbeleid

Het ministerie van Economische Zaken (EZ) wil, samen met het landbouwbedrijfsleven, via drie sporen het toekomstig mestbeleid vorm geven (EL&I, 2011):

1. Een nieuw stelsel ter realisering van een duurzaam evenwicht tussen mestproductie en mestafzet op macro- en microniveau: verplichte mestverwerking en gegarandeerde afzet van het resterende overschot (wetsvoorstel verantwoorde mestafzet).

2. De hoeveelheid nutriënten in mest door voermaatregelen verminderen, het zogenaamde voerspoor. De overheid verwacht dat het bedrijfsleven hierbij het initiatief neemt.

3. Hoogwaardige producten (mineralenconcentraten) uit dierlijke mest met de kwaliteit van kunstmest niet langer onder dierlijke mest laten vallen, maar onder kunstmest. Het kabinet spant zich daarvoor in Europa in.

De ambitie voor het voerspoor is dat de graasdierhouderij en de varkenshouderij in 2013 via de voeding ieder 10 mln. kg fosfaat minder produceren ten opzichte van het peiljaar 2009. De varkenshouderij heeft ten opzichte van 2010 tot nu toe 2 mln. kg gerealiseerd. Verwacht wordt dat het resterende deel in 2013 niet wordt gehaald. Als redenen voor de vertraging wordt gewezen op het lang uitblijven van de definitieve voerspoorverordening en het feit dat verbetering van de fosfaatefficiency onder de varkenshouders niet leeft (Boerderij Vandaag, 2013a). De rundveehouderij realiseerde door voedingsmaatregelen in 2011 ten opzichte van 2010 4,4 mln. kg minder fosfaatuitscheiding (CBS, 2012). De fosfaatuitscheiding van 2010 is echter hoger dan die van 2009, waardoor er ten opzichte van 2009 nog niets is gerealiseerd.

Rundveehouders merken een lagere fosfaatuitscheiding direct in de omvang van het bedrijfsoverschot en dus in de hoeveelheid af te voeren mest. Varkenshouders zonder of met weinig grond moeten toch (vrijwel) alle mest afvoeren, los van de fosfaatgehalten in de mest. De kosten van mestafvoer zijn niet afhankelijk van het fosfaatgehalte in de mest. LTO Nederland heeft aangekondigd dat, bij het niet realiseren van de doelen van het voerspoor, er ook in de rundveehouderij verplichte maatregelen komen en in de varkenshouderij sancties (LTO Nederland, 2011). De huidige stand van zaken is dat LTO Nederland nog bezig is deze inzet te realiseren (Van Bruggen, 2013).

5.5.3 Ex ante-evaluatie wetsvoorstel verantwoorde mestafzet

Uit de ex ante-evaluatie van het wetsvoorstel verantwoorde mestafzet, blijkt dat invoering van verplichte mestverwerking op middellange termijn het tekort aan afzetmogelijkheden voor dierlijke mest kan oplossen en daarmee de druk op de mestmarkt opheft. Opheffing van de druk op de mestmarkt staat of valt echter met de mate waarin tijdig voldoende mestverwerkingscapaciteit wordt gerealiseerd en met de mate waarin de doelstellingen van het voerspoor worden gerealiseerd.

Zonder mestverwerking stijgen de kosten van mestafzet. Dat gaat vooral ten koste van de concurrentiepositie van de varkenshouderij en, in mindere mate, de graasdierhouderij. Voor de pluimveehouderij zijn er geen gevolgen omdat daar vrijwel alle mest al wordt verwerkt en geëxporteerd. De akkerbouw profiteert van de hogere mestdruk doordat ze geld toe krijgt bij het afnemen van mest (De Koeijer et al., 2012).

De voortgang van mestverwerking

De plannen die er zijn om mestverwerking van de grond te krijgen, wachten op zekerheid. Voor de nog benodigde mestverwerkingscapaciteit zijn voldoende plannen, maar het is zeer de vraag of die allemaal voor 2015 kunnen worden gerealiseerd. Veel initiatieven staan nog in de kinderschoenen, bij veel initiatieven is nog geen vergunning verleend en in een aantal gevallen moet de vergunning nog worden aangevraagd. Ook is niet altijd duidelijk hoe de eindproducten afgezet gaan worden (Boerderij Vandaag, 2013b). In Zuid-Nederland, waar de meeste mest moet worden verwerkt, komt mestverwerking moeilijk van de grond doordat gemeenten en provincies terughoudend zijn met het verlenen van vergunningen (Boerderij Vandaag, 2013c). Daarnaast komt de financiering van mestverwerkingsprojecten die wel zijn vergund, door onzekerheden moeilijk tot stand. De staatssecretaris houdt de mogelijkheid achter de hand de dierrechten in 2015 niet af te schaffen en ze voor de melkveehouderij in te voeren als mestverwerking onvoldoende van de grond komt.

De staatsecretaris wil in 2013 een ex ante-beleidsevaluatie laten uitvoeren van de mestverwerkingsplannen van het bedrijfsleven (EZ, 2013). Deze evaluatie zal mede bepalen of de mestverwerkingsplannen voldoende perspectief bieden voor een goed evenwicht op de mestmarkt en dus of dierrechten nodig zijn of niet.

Discussie over de noodzaak van mestverwerking

In maart 2013 ontstond discussie over de vraag of extra mestverwerking wel nodig is. Er zouden voldoende afzetmogelijkheden zijn zonder extra mestverwerking, uitgaande van een plaatsingsruimte van fosfaat van 140 mln. kg (Boerderij Vandaag, 2013d). Deze plaatsingsruimte betreft de theoretisch maximale plaatsingsruimte voor alle fosfaat als elke ha cultuurgrond geheel tot aan de norm wordt opgevuld. Een deel van de ondernemers doet dat niet omdat ze de aanvoer van extra mest niet nodig achten; vooral op grasland komt dat voor. Uit de laatste monitoringen mestmarkt blijkt dat de afgelopen jaren ongeveer 10 mln. kg van de potentieel beschikbare plaatsingsruimte niet werd benut. Bovendien wordt een deel van de plaatsingsruimte ingenomen door kunstmestfosfaat en overige organische meststoffen. Dat was de laatste jaren ongeveer 20 mln. kg fosfaat (De Koeijer et al., 2012). De hoeveelheid kunstmestfosfaat neemt wel af maar zal niet snel gelijk aan nul worden. Voor fosfaat uit dierlijke mest is er dan vanaf 2013 maximaal 120 à 125 mln. kg fosfaat aan plaatsingsruimte beschikbaar van de totaal beschikbare plaatsingsruimte van 140 mln. kg.

Extra mestverwerking kan de druk van hoge afvoerprijzen verminderen en de vraag naar en afzetmogelijkheden van mest(verwerkings)producten, ook naar het buitenland, een extra stimulans geven. Bij de geschiedenis van de afzet van pluimveemest is dat al gebleken: de afvoerprijzen zijn afgenomen na in gebruik name van DEP-centrale (Duurzame Energieproductie Pluimveehouderij) bij Moerdijk. De onzekerheid in het evenwicht tussen mestproductie en mestafzetmogelijkheden neemt met extra mestverwerking af.

5.6 Ammoniak

5.6.1 Ontwikkeling ammoniakemissie

In 1999 was de ammoniakemissie gehalveerd ten opzichte van 1990 (163 kiloton ammoniak versus 333 kiloton ammoniak). Deze vermindering kwam voornamelijk door het emissiearm toedienen van dierlijke mest en door vermindering van het aantal dieren. Bij rundvee (75% vermindering van de emissie) ging de afname van de ammoniakemissie die eerste 10 jaar sneller dan bij varkens en pluimvee (ruim 50% respectievelijk ruim 15% vermindering). In 2009 was nog een derde (108 kiloton) over van de ammoniakemissie van 1990, wat vooral was te danken aan afgenomen ammoniakemissie bij het toedienen van dierlijke mest op bouw- en grasland en meer export en verwerking van vooral pluimveemest (Compendium, 2013). De winst zat in dat tweede decennium meer bij varkens en pluimvee dan bij rundvee. Zo kwam de afname van de emissie uit stal en opslag bij varkens en pluimvee beter van de grond dan bij rundvee en verminderde de emissie bij het toedienen van varkens- en pluimveemest na 1999 sneller dan bij rundveemest. In 2011 was de emissie van ammoniak uit de landbouw gedaald naar 100 kiloton ammoniak, waarvan 10 kiloton (een kwart minder dan in 1990) uit kunstmest. Samen met de ammoniakemissie uit niet-landbouwbronnen werd in 2011 in Nederland 117 kiloton ammoniak uitgestoten, 11 kiloton minder dan het plafond van de Europese National Emission Ceiling-richtlijn (NEC) van 128 kiloton (Van Bruggen et al., in voorbereiding). Dat plafond is nog steeds ongewijzigd maar voor de nabije toekomst zal er een aanpassing van dit plafond komen, vermoedelijk naar 100 kiloton.

Niet meer toestaan van de sleepvoetbemester

Sinds 2012 mogen op zand en löss sleepvoetbemesters niet meer worden toegepast. Sleepvoetbemesters leggen de mest in stroken tussen het gras waardoor een hogere emissie optreedt dan wanneer de mest in sleufjes in de grond wordt gebracht zoals bij zodenbemesten. Daarnaast wordt door de NVWA strenger op een goede uitvoering van het werk toegezien. Per 1 januari 2014 mogen sleepvoetbemesters ook op veen en klei niet meer worden toegepast met het oog op een verdere beperking (10 mln. kg) van de ammoniakemissie in het kader van de Programmatisch Aanpak Stikstof (PAS). Op nat zand en op klei en veen verwachten zowel de NVWA als de praktijk knelpunten (Nieuwenhuis, 2012, Boerderij Vandaag, 2012b, Van den Ham et al., 2011b). Het zijn dezelfde knelpunten als die in de jaren tachtig werden genoemd voor de mogelijkheden van traditionele injectie, zoals schade aan de bodem en geen goed resultaat van het werk mogelijk zoals sleufjes die open blijven staan. Die knelpunten hebben er toen toe geleid dat alternatieven werden toegestaan waaronder de sleepvoetbemester (Boerderij Vandaag 2012, Wadman, 1988). Een minder goede uitvoering van het werk kan, gezien het verscherpt toezicht op de kwaliteit van het werk, leiden tot meer processen-verbaal.

5.6.2 Emissiearme huisvesting

Emissiearme huisvesting varkens en pluimvee

Het Besluit Huisvesting (in werking in 2008) en het aanvullende gedoogbeleid verwoord in het Actieplan Ammoniak en Veehouderij (in werking in 2010) (VROM, 2009), beogen de ammoniakemissie uit stallen fors te verminderen.

Bijna de helft van de bedrijven met leghennen had in 2012 traditionele (niet-emissiearme) huisvesting, maar het aandeel dieren op deze bedrijven is relatief gering (14%). Twee derde van de leghennen bevindt zich op bedrijven met uitsluitend emissiearme huisvesting. Het aandeel vleeskuikens in emissiearme stallen nam toe van 37% in 2010 naar 68% in 2012 (Van Bruggen, 2012).

Emissiearme huisvesting van varkens komt vooral tot stand door het installeren van luchtwassers. Het aandeel vleesvarkens met emissiearme huisvesting nam toe van 50% (2010) naar ruim 60% (2012). Grote bedrijven (meer dan 2000 varkens of meer dan 750 fokzeugen) moesten vanaf eind oktober 2007 aan de IPPC-richtlijn voldoen (emissie reguleren via een integrale vergunning). Middelgrote varkensbedrijven (250 tot 2000 vleesvarkens of 100 tot 750 zeugen) moeten op 1 januari 2013 aan de emissie-eisen van het Besluit huisvesting (in werking sinds 2008) voldoen. Wanneer een bedrijf een techniek toepast die de ammoniakemissie verder beperkt dan wettelijk is vereist, mag de emissie van een traditionele stal hiermee worden gecompenseerd (intern salderen).

Vooral grotere bedrijven beschikken geheel of gedeeltelijk over emissiearme huisvesting. In 2012 kwam echter op ruim 60% van de bedrijven met vleesvarkens en ruim 40% van de bedrijven met fokzeugen alleen traditionele huisvesting voor. Het aandeel dieren op deze bedrijven is relatief klein en varieert van 22% (zeugen) tot 28% (vleesvarkens) (Van Bruggen, 2012). In het kader van het gedoogbeleid Actieplan Ammoniak Veehouderij kunnen ondernemers die hebben aangeven hun bedrijf op termijn te willen beëindigen, tot 2020 hun traditionele huisvesting houden. Ze moeten dan voor 1 april 2013 emissiebeperkende maatregelen nemen. Het gaat dan om maatregelen als verlaging van het eiwitgehalte in het voer, een andere inrichting van het mestkanaal, toepassing van koeling, veevoer met benzoëzuur en drijvende ballen etcetera. Minder dieren gaan houden behoort ook tot de mogelijke maatregelen. Deze regeling geldt zowel voor varkenshouders als voor pluimveehouders (Infomil, 2013). Van het totaal aantal bedrijven heeft 40% zich aangemeld voor de stoppersregeling, die geldt voor kleine en middelgrote bedrijven (Boerderij Vandaag, 2012a).

Misstanden bij het gebruik van luchtwassers

Handhavingssamenwerking Noord-Brabant constateerde in 2009 dat 40% van de voorgeschreven luchtwassers niet aanwezig was of uit stond en dat nog eens 45% andere tekortkomingen vertoonde. De Inspectie Leefomgeving en Transport constateerde in 2011 bij 72% van de luchtwassers tekortkomingen. Dat werd niet nader gespecificeerd. Het RIVM berekende dat hierdoor in 2010 mogelijk 2,5 mln. kg meer ammoniak werd uitgestoten dan de tot dan toe vastgestelde 107 mln. kg. Door boven omschreven tekortkomingen wordt naar schatting in werkelijkheid slechts de helft van de potentiële emissiereductie door luchtwassers gerealiseerd (Vonk et al., 2012). Vooral in gebieden met veel varkens betekent dit dat sprake is van een hogere belasting van ammoniak op natuurgebieden dan waarmee bij de vergunningverlening rekening werd gehouden.

Emissiearme huisvesting op rundveebedrijven

Van de ammoniakemissie uit stallen en mestopslagen is 45% afkomstig van rundvee, waarvan 80% van melkkoeien en bijbehorend jongvee. In het Besluit huisvesting blijft traditionele huisvesting van rundvee toegestaan, maar nieuwbouw van een traditionele stal kan alleen in combinatie met weidegang. Emissiearme huisvesting kwam bij melkvee moeizaam van de grond omdat emissiearme stallen niet dierenwelzijnsvriendelijk waren (uitglijden door gladde vloeren). De laatste jaren is het aanbod van emissiearme vloeren in de melkveehouderij sterk toegenomen, waarbij de bezwaren uit een oogpunt van dierenwelzijn grotendeels zijn opgeheven. Mede daardoor is het aandeel emissiearme ligboxen-/loopstallen toegenomen van 1% in 2008 naar 7% in 2012. Samen met de grupstal met drijfmest, waaruit relatief weinig ammoniak vervluchtigt, komt het aandeel emissiearme stallen voor melkvee plus bijbehorend jongvee voor 2012 uit op 10%. Het aandeel melkvee in een emissiearme stal steeg van 5% in 2008 naar 10% in 2012 (Van Bruggen, 2012). Vergeleken met de varkens- en pluimveehouderij is dat bescheiden.

Toch is er op het gebied van vermindering van de stalemissie wel wat bereikt. Ten opzichte van 1990 is de emissie uit stal en opslag in 2011 bij melkvee gedaald met ongeveer een derde. Dat komt deels doordat het aandeel minerale stikstof in mest in 2011 ten opzichte van 1990 was gedaald met 10% (Van Bruggen, 2013). De oorzaak daarvan is een eiwitarmer rantsoen door minder bemesting (eiwitarmer gras) en meer snijmais. Het toepassen van de bex (bedrijfsspecifieke excretie) leidt tot een daling van de ammoniakemissie. De bedrijfsspecifieke excretie leidt tot minder ruw eiwit in het rantsoen, waardoor de mest minder stikstof in de vorm van ammoniak bevat. Vooral vanaf 2008 zien we daardoor ook een lager ureumgehalte in tankmelk (Van den Ham et al., 2011b). De totale N-excretie per koe nam sinds 1990 toe met ruim 10% door meer melk per koe. Het aantal dieren nam vanaf 1990 af met ruim 20% en het aantal stuks bijbehorend jongvee met 30% (Van Bruggen, 2013). Dat leidt ook tot een lagere ammoniakemissie. Van de in de weideperiode geproduceerde mest komt tegenwoordig meer in de stal terecht, vanwege de toename van het in de weideperiode opstallen van melkvee (Reijs et al., 2013).

Emissiefactoren voor melkveestallen

Momenteel geldt in het Besluit huisvesting een maximale emissienorm voor traditionele ligboxenstallen in combinatie met beweiding van 9,5 kg ammoniak per dierplaats per jaar (Van Bruggen, 2012). Nieuw onderzoek heeft aangetoond dat de ammoniakemissie hoger ligt: 12,0 kg per dierplaats bij acht uur weidegang en 13,5 kg bij permanent opstallen (Ogink, 2012). Omdat nog diverse correcties moeten worden uitgevoerd, zijn de consequenties voor de norm in het Besluit huisvesting nog niet duidelijk (Ogink, 2013).

5.7 Diergezondheid en dierenwelzijn

5.7.1 Algemeen

Per 1 januari 2013 is de Wet dieren in werking getreden, die het algemeen wettelijk kader vormt voor regels met betrekking tot vooral gehouden dieren. Pijlers van de wet zijn de intrinsieke waarde van het dier en een algemene zorgplicht in de omgang van mensen met gehouden dieren. De wet is een bundeling van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), de Diergeneesmiddelenwet, de Wet op de dierenbescherming, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 en de Kaderwet diervoeders. Ook onderdelen van de Landbouwwet en de Landbouwkwaliteitswet, zoals regels op het gebied van vleeskeuring en illegale groeibevorderaars, zijn erin opgenomen.

Dierenwelzijn omvat diverse aspecten, zoals voeding, huisvesting en verzorging (ook tijdens transport), gezondheid, mogelijkheden voor natuurlijk gedrag en ingrepen. Deze elementen komen terug in de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij, een samenwerkingsverband tussen overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties dat zich ten doel heeft gesteld een volledig duurzame veehouderij te realiseren in 2023. Het welzijn en de gezondheid van dieren is een van de zes speerpunten. Voor het ministerie van EZ is verduurzaming de kern van het veehouderijbeleid.

5.7.2 Dierenwelzijn

Duurzame stallen

De ambitie om eind 2011 5% integraal duurzame stallen te hebben en per eind 2012 6% is ruimschoots bereikt. Het aantal duurzame stallen neemt vooral toe door de wettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn (denk aan groepshuisvesting voor dragende zeugen) en milieu (emissiebeperking). De percentages variëren van 3,5% in de rundveehouderij tot 10% in de varkenshouderij en 17% in de pluimveehouderij (Duurzaamheidlandbouw.nl). De rundveehouderij blijft waarschijnlijk wat achter omdat er geen wetgeving is die verplicht tot nieuwbouw of renovatie.

Couperen van varkensstaarten

Eén van de doelen bij verduurzaming van de veehouderij is het uitbannen van routinematige ingrepen aan de dieren. Dat zal ook bijdragen aan een beter imago van de veehouderij.

Een ingreep die bij varkens nog veelvuldig wordt toegepast is het couperen van de staarten. In 1996 is in het Ingrepenbesluit een verbod vastgelegd voor het routinematig couperen van staarten bij varkens, tenzij het risico op een uitbraak van staartbijten te groot is (zie EU-richtlijn 2001/93/EG). In de praktijk besluiten dierenartsen en varkenshouders echter nog vaak tot couperen om problemen te voorkomen. Hierbij wordt het uiteinde van het staartje van jonge biggen met een elektrisch apparaat afgeknipt, waarna het wondje meteen wordt dichtgeschroeid.

Staartschade door staartbijten kan leiden tot lagere productieresultaten, kosten door extra handelingen en dierbehandelingen en secundaire schade aan het karkas door een verhoogde kans op infecties. Zonderland et al. (2011) ramen de schade van staartbijten voor de Nederlandse varkenssector op ruim 8 miljoen euro per jaar, bij een gemiddelde prevalentie van staartschade onder de gespeende biggen en vleesvarkens van 2,12%. Als gestopt wordt met het couperen van staarten zou de prevalentie van staartschade sterk kunnen toenemen. Om dit te voorkomen zijn naar verwachting ingrijpende verbeteringen van het management nodig (onder andere klimaat, afleidingsmateriaal), die de chronische stress verlagen waardoor het afweermechanisme beter gaat functioneren. Dit kan tevens leiden tot een verdere verbetering van dierenwelzijn, diergezondheid en vermindering van het antibioticagebruik.

In oktober 2012,12 jaar na het van kracht worden van het ingrepenbesluit, is op initiatief van LTO Nederland en de Dierenbescherming de werkgroep Krulstaart opgericht om oor- en staartbijten in de varkenshouderij aan te pakken. De werkgroep bestaat naast de initiatiefnemers uit vertegenwoordigers van diverse schakels van de varkensvleesketen,dierenartsen, fokkerij, slachterij, diervoederindustrie en overheid. De werkgroep wil op termijn dieren houden zonder ingrepen die noodzakelijk zijn om de schade beperken. In 2013 zal daarvoor een plan worden gepresenteerd.

5.7.3 Antibioticagebruik

De antibioticaresistentie is in Nederland nog heel laag, maar neemt wel toe. Het gevaar voor toenemende resistentie komt in de eerste plaats uit de humane gezondheidszorg, vooral in andere landen. Er zijn nog veel landen waar antibiotica voor mens en dier zonder recept verkrijgbaar zijn. Mensen die reizen naar landen in bijvoorbeeld Afrika of Azië, waar veel meer resistentie is dan in Europa, lopen een grote kans om resistente bacteriën mee terug te nemen. Dat risico is nog veel groter na een ziekenhuisopname in zo’n land. Veterinair antibioticagebruik lijkt nog slechts een beperkte rol te spelen; zelfs de resistente ESBL-bacteriën (Extended Spectrum Beta-Lactamase), die door de Gezondheidsraad worden gezien als het grootste gevaar uit de veehouderij, zijn in Nederland vooral een ziekenhuisprobleem.

Toch is grootschalig en onzorgvuldig antibioticagebruik in de veehouderij wel degelijk een risicofactor voor de volksgezondheid, die terecht serieuze aandacht heeft gekregen. Humane gezondheid, diergezondheid en het milieu kunnen tenslotte niet los van elkaar worden gezien (‘One Health’-benadering). Veehouderijsectoren werken volop aan verbeteringen, ook in het belang van een goede diergezondheid en dierenwelzijn. In de afgelopen jaren is er al veel verbeterd: de hoeveelheid in Nederland verkochte antibiotica voor gebruik bij dieren was in 2012 bijna de helft lager dan in 2009 en is daarmee op een historisch laag niveau gekomen (zie figuur 5.3). De doelstelling van een halvering van de totale verkopen in 2013 ten opzichte van 2009 is dus al nagenoeg bereikt.

7051.png

In de veehouderij was een praktijk gegroeid met veel gemakkelijk, routinematig antibioticagebruik. Die structurele medicatie is in de afgelopen vijf jaar weer grotendeels verdwenen. Veel bedrijven hebben inmiddels een meer acceptabel niveau van antibioticagebruik gerealiseerd. Toch ligt het gebruik van antibiotica in de meeste veehouderijsectoren nog wel duidelijk hoger dan bij de mens (in Europa). De Nederlandse veehouderij kan de komende jaren verder bijdragen aan het terugdringen van resistentie door het gebruik ook terug te brengen op de minderheid van de veehouderijbedrijven die nu nog veel antibiotica gebruiken. Veel veehouders en dierenartsen zijn ervan doordrongen dat zo min mogelijk en zorgvuldig gebruik van antibiotica belangrijk is, maar communicatie daarover zal nodig blijven. Ook zullen sommige veehouders gebaat zijn bij extra kennis en vaardigheden om de diergezondheid op hun bedrijf te verbeteren, in nauwe samenwerking met de dierenarts en andere adviseurs. De verwachting is dat op veel bedrijven voldoende verbetering kan worden gerealiseerd door extra aandacht voor preventieve gezondheidszorg, vaccinaties, hygiëne en natuurlijk goede huisvesting en voeding. Daarnaast kan een verdere groei van biologische veehouderij of andere alternatieve houderijsystemen bijdragen aan een vermindering van het antibioticagebruik. De eerste ervaringen van producenten van langzaam groeiende vleeskuikens wijzen op een aanzienlijke vermindering van het antibioticagebruik.

5.7.4 Kippen met uitloop

Met enige regelmaat laait in de pluimveesector een discussie op over uitbraken van vogelgriep door trekvogels, die vooral buiten lopende kippen zouden besmetten. Door een ophokplicht kan dit risico worden verkleind. Zo’n ophokplicht is een complex onderwerp, omdat het niet alleen over diergezondheid gaat, maar ook over economie (verlies van markten), dierenwelzijn (uitloop), volksgezondheid (besmetting van mensen door zieke dieren) en maatschappelijk draagvlak (enerzijds dierenwelzijn en anderzijds ‘ruimen’ van besmette bedrijven).

Ook in het voorjaar van 2013 wordt gediscussieerd over een ophokplicht. Na twee uitbraken van laag pathogene vogelgriep (LPAI, milde variant) binnen één week stuurt de pluimveesector eind maart een verzoek aan het ministerie van EZ om met spoed voor enkele maanden een ophokplicht in te stellen voor kippen met uitloop. Doel daarvan is maximale preventie om meer uitbraken te voorkomen. Leghennen op uitloopbedrijven hebben een 11 keer grotere kans op een LPAI-besmetting dan andere leghennen, met name door contact met watervogels, zoals wilde eenden (CVI, 2012).

De laatste jaren zijn veel leghennenhouders in Nederland omgeschakeld van kooihuisvesting naar alternatieve houderijsystemen, waardoor het besmettingsrisico is toegenomen. Tabel 5.5 geeft de verdeling over de houderijsystemen in 2012.

Tabel5.5.png

Gezondheid en welzijn

Het voordeel van ophokken is dat daarmee uitbraken voorkomen kunnen worden. Iedere uitbraak leidt tot het ‘ruimen’ van duizenden kippen en mogelijk ondermijning van het maatschappelijk draagvlak voor de pluimveehouderij. Verder is er het risico dat een mild virus zich ontwikkelt tot een gevaarlijker variant, met als gevolg nog veel meer ruimingen en mogelijk directe risico’s voor de volksgezondheid.

Wetenschappers op het gebied van gezondheid en dierenwelzijn komen tot uiteenlopende conclusies. Er zijn deskundigen die de nadruk leggen op beheersbaarheid en hygiëne en menen dat het op grote schaal buiten houden van dieren grote gezondheidsrisico’s met zich mee brengt. Vanuit de biologische landbouw wordt vaak gewezen op robuustheid, met als argument dat de gebruikte rassen sterker zijn dan de gangbare rassen, en daardoor minder vatbaar voor ziektes.

De Commissie van deskundigen vogelgriep concludeerde eind maart 2013 dat een afschermplicht in april, mei en juni naar schatting 29% van de introducties van milde vogelgriep zou kunnen voorkomen (Rijksoverheid, 2012a). Aangezien de afgelopen jaren de helft van de besmettingen plaatsvond op bedrijven zonder uitloop, stelt de commissie dat ook hygiënemaatregelen op die bedrijven van groot belang zijn, om indirect contact tussen gehouden vogels en (ontlasting van) wilde vogels te voorkomen.

Economische belangen

De economische gevolgen van een eventuele ophokplicht zijn niet eenduidig en sterk afhankelijk van de reactie van de handelspartners. De afgelopen jaren sloten diverse landen buiten de EU na een uitbraak van LPAI direct de grenzen voor importen uit Nederland, niet alleen uit de driekilometerzone rond het getroffen bedrijf, maar uit het hele land of een hele provincie. Volgens de geldende handelsafspraken mag een land alleen producten uit de beperkingsgebieden weigeren en niet uit een hele provincie, maar sommige landen houden zich daar niet aan. De schade door het Russische importverbod voor pluimveeproducten uit Gelderland en Flevoland lijkt mee te vallen, omdat er nog wel broedeieren en eendagskuikens uit andere provincies kunnen worden geëxporteerd. Als er echter ook een uitbraak van LPAI in Noord-Brabant zou komen - waar ruim een kwart van het aantal kippen in Nederland wordt gehouden - zou de economische schade kunnen oplopen tot (vele) miljoenen euro’s.

Een ophokplicht verkleint de kans op zulke schade, maar kan tegelijk een bedreiging zijn voor de afzet van biologische eieren en vrije uitloop-eieren naar Duitsland. In 2012 werden in totaal 10,2 miljard eieren geproduceerd in Nederland (PPE, 2013), waarvan twee derde werd geëxporteerd in de vorm van consumptie-eieren en eiproducten. Van de tafeleieren gaat meer dan 70% naar Duitsland. In tabel 5.6 is weergegeven om welke economische belangen het gaat.

Tabel5.6.png

Het ministerie van EZ stelde in april dat het instellen van een ophok- of afschermplicht, waarbij de pluimveeproducten de uitloopstatus behouden, Europees rechtelijk alleen mogelijk is wanneer de overheid dit oplegt en wanneer er een veterinaire noodzaak voor is (EZ, 2013d). EZ oordeelde dat er geen veterinaire noodzaak was en besloot daarom niet tot een ophokplicht.

5.7.5 Welzijn vermarkten

In de pluimveehouderij zijn in het najaar van 2012 op verzoek van Nederlandse retailers gesprekken begonnen over een betaalbare ‘kip van morgen’ voor de binnenlandse markt, als antwoord van de retail en de pluimveesector op de grote maatschappelijke druk waar de vleeskuikenhouderij mee te maken heeft. Belangrijke items in de discussie over de productiesystemen in de pluimveehouderij zijn dierenwelzijn (‘plofkip’), antibioticagebruik en ‘megastallen’.

De ‘kip van morgen’ past in het besluit van het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) om vanaf 2020 alleen nog duurzaam vlees in te kopen. Een eerste schatting van de brancheorganisatie van pluimveeslachterijen Nepluvi is dat de kostprijs van filet van de ‘kip van morgen’ maximaal 1,50 euro per kilo hoger zal zijn die van gangbare kipfilet. Daarbij is verondersteld dat de meerkosten van de productie vrijwel volledig moeten worden terugverdiend via de filet (www.boerderij.nl/Pluimveehouderij). PPE geeft aan dat etikettering volgens het sterrensysteem van de Dierenbescherming te beperkt is voor duurzame kip. In het Beter Leven-systeem krijgt een kip alleen een ster als de stal een uitloop heeft, wat minder duurzaam is vanuit het perspectief van milieu (CO2-emissie, ammoniakemissie). De ‘kip van morgen’ is het resultaat van een afweging van dierenwelzijn, milieu, dier- en volksgezondheid en economische haalbaarheid voor de consument.

Belangenorganisaties hebben verschillend op het initiatief gereageerd: de Dierenbescherming vindt het positief dat in de pluimveehouderij een beweging ontstaat waarin marktconcepten met aandacht voor dierenwelzijn meer ruimte krijgen, terwijl Wakker Dier ontevreden is en stelt dat één Beter Levenkenmerk-ster voor het dierenwelzijn het absolute minimum is. De supermarkten zullen ook diervriendelijker kip met het Beter Leven kenmerk in de schappen blijven aanbieden zodat de consument een eigen keuze kan maken.

Een vergelijkbaar initiatief is in ontwikkeling voor varkensvlees. Op initiatief van CBL is voorjaar 2013 met verschillende partijen in de varkenshouderijketen het overleg gestart over de eisen die gesteld moeten worden aan het basisassortiment vers varkensvlees.

Literatuur

Baumann, R.A., A.E.J. Hooijboer, A. Vrijhoef, B. Fraters, M. Kotte, C.H.G. Daatselaar, C.S.M. Olsthoorn en J.N. Bosma (2012). Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2010. RIVM rapport 680716007/2012, RIVM, Bilthoven

Berkhout, P., T. Bakker, W.H.M. Baltussen, P.W. Blokland, N. Bondt, C.J.A.M. de Bont, J.F.M. Helming, O. Hietbrink, P. van Horne, S.R.M. Janssens, A. van der Knijff, M.G.A. van Leeuwen, V.G.M. Linderhof, A.B. Smit, G. Solano en A. Tabeau (2011). In perspectief; Over de toekomst van de Nederlandse agrosector. Rapport 2011-051, LEI Wageningen UR, Den Haag

Boerderij Vandaag (2012a). ‘Veel animo voor stoppersregeling Actieplan Ammoniak en Veehouderij’. In: Boerderij vandaag, 25 mei 2012

Boerderij Vandaag (2012b). ‘Besluit over verbod sleepvoet is voorbarig en onvolledig’. In: Boerderij Vandaag, 12 oktober 2012

Boerderij Vandaag (2013a). ‘LTO: doelen voerspoor worden niet gehaald’. In: Boerderij Vandaag, 8 maart 2013

Boerderij Vandaag (2013b). ‘Mestverwerking komt op stoom’. In: Boerderij Vandaag, 12 maart 2013

Boerderij Vandaag (2013c). ‘Overheden vergunnen mestverwerking niet.’In: Boerderij Vandaag, 13 maart 2013.

Boerderij Vandaag (2013d). ‘Extra mestverwerking niet nodig’. In: Boerderij Vandaag , 28 maart 2013.

Brief van de Directeur-generaal Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit en Plv. Directeur-generaal Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan De heer drs. D. Duizer, Voorzitter Productschap Tuinbouw en De heer ing. N. van Ruiten, Voorzitter LTO Glaskracht, dd 27 april 2007.

Bruggen, C. van (2012). Huisvesting van landbouwhuisdieren. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen, 2012.

Bruggen, C. van, C.M. Groenestein, B.J. de Haan, M.W. Hoogeveen, J.F.M. Huijsmans, S.M. van der Sluis en G.L. Velthof (in prep.). Ammoniakemissie uit dierlijke mest en kunstmest 1990-2011. Berekeningen met het Nationaal Emissiemodel voor Ammoniak (NEMA). WOT document, Wageningen, in prep.

Bruggen, C. van (2013). Persoonlijke mededeling. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen, april 2013.

Buis, E., A. van den Ham, L.J.M. Boumans, C.H.G. Daatselaar en G.J. Doornewaard (2012). Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. Rapport 680717028/2012, RIVM, Bilthoven, 2012.

Buurma, J., B. Smit, P. Leendertse (CLM), L. Vlaar (CLM) & T. van der Linden (2012). Gewasbescherming en de balans van milieu en economie; Berekeningen bij de 2e Nota Duurzame gewasbescherming. Den Haag, LEI, rapport 2012-026; CLM-rapport 783-2012, RIVM-rapport 607407004.

Buurma, J.S., P.C. Leendertse (CLM) en A. Visser (CLM) (2013). Waterkwaliteit binnen de normen; Haalbaarheid en betaalbaarheid van ambities in 2e Nota Duurzame Gewasbescherming. Den Haag, LEI-rapport i.w..

CBS (2012). Mest- en mineralenuitscheiding 2011 – definitieve cijfers. Nieuwsbrief Mest en Mineralen 31-10-2012. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen

CBS, PBL en Wageningen UR (2012). Belasting van het milieu door

gewasbeschermingsmiddelen, 1998 - 2010 (indicator 0548, versie 04, 15 februari

2012). Via; www.compendiumvoordeleefomgeving.nl, geraadpleegd 13 maart 2012.

CBS / Planbureau voor de Leefomgeving / Wageningen UR, Den Haag / Bilthoven /

Wageningen

Compendium http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0101-Ammoniakemissie-door-de-land--en-tuinbouw.html, april 2013.

Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren (2008), inclusief toelichtingsverklaring bij artikel6.2 lid 4 en 5. Den Haag,

Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2 sectorsysteem glastuinbouw voor de periode 2013-2020 (2011). Den Haag

DR loket (2013). Vervoer dierlijke mest per jaar, 2010-2012. DR loket 28 februari 2013.

DR loket (2009). http://www.hetlnvloket.nl. Gebruiksnormen fosfaat, tabellen 2010 – 2013, december 2009.

EL&I (2011). Kamerbrief Toekomstig Mestbeleid dd 28 september 2011. Ministerie van Economische zaken, Landbouw & Innovatie, Den Haag, 2011.

EL&I (2012a). Gewasbescherming duurzamer. Nieuwsbrief dd. 15-02-2012. Den Haag

EL&I (2012b). Kamerbrief Mestverwerkingspercentages stelsel verantwoorde mestafzet dd. 29 juni 2012. Ministerie van Economische zaken, Landbouw & Innovatie, Den Haag, 2012.

EZ (Ministerie van Economische zaken) (2013). Kamerbrief Voornemen verdere behandeling wijziging Meststoffenwet dd 18 januari 2013. Ministerie van Economische zaken, Den Haag, 2013.

EZ en IenM (Ministerie van Infrastructuur en Milieu) (2013a). Aanbiedingsbrief van de Nota ‘Gezonde Groei, Duurzame Oogst’ aan de Tweede Kamer. Den Haag, 14 mei 2013.

EZ en IenM (2013b). Nota ‘Gezonde Groei, Duurzame Oogst. Den Haag, 14 mei 2013

EZ (2013d). Aviaire Influenza. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, kenmerk DGA-DAD / 13061461, 9 april, Den Haag

Groenendijk, O.F., , L.V. Renaud, W. van Dijk, J.J. Schröder, A. van den Ham en A.E.J. Hooijboer (2012). Verhoogde nitraatconcentraties in het Zuidelijke zandgebied. Rapport 2319, Alterra Wageningen UR, Wageningen

Ham, A. van den, G. Doornewaard en C.H.G. Daatselaar (2011a). Werking van de Meststoffenwet; evaluatie Meststoffenwet 2012: deelrapport ex post. Rapport 2011-073. LEI, Wageningen UR, Den Haag

Ham, A. van den, G. Doornewaard en C.H.G. Daatselaar (2011b). Uitvoering van de Meststoffenwet; evaluatie van de Meststoffenwet 2012: deelrapport ex post. Rapport 2011-073. LEI Wageningen UR, Den Haag

Infomil, http://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw-tuinbouw/ammoniak-en/actieplan-ammoniak/stoppersmaatregelen/, 2013.

I&M (Ministerie van Infrastructuur en Milieu). Kyoto Protocol verlengd. Staatssecretaris Mansveld tevreden over uitkomsten klimaatconferentie. Nieuwsbericht, 10-12-2012. Via: http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/12/08/kyoto-protocol-verlengd.html

IPS (2012). Doha climate summit ends with no new co2 cuts or funding. Via: www.ipsnews.net/2012/12/doha-climate-summit-ends-with-no-new-co2-cuts-or-funding/

Jaarplan 2012 (2011). Programma Kas als energiebron. Zoetermeer

Jager, J.H., en S.R.M. Janssens (2013). Monitoring Masterplan Phytophthora 2001 tot en met 2011.Vertrouwelijk LEI-Rapport, waaruit gegevens met toestemming van de opdrachtgever zijn overgenomen

Koeijer, T.J. de, H.H. Luesink en A. van den Ham (2012). Ex-ante analyse wetsvoorstel stelsel van verantwoorde mestafzet. LEI-nota 12-08, LEI Wageningen UR, Den Haag

Koeijer, T.J. de, M.W. Hoogeveen en H.H. Luesink (2011). Synthese monitoring mestmarkt 2006-2010. Rapport 116, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen, november 2011.

Leeuwen, M.G.A. van, A.J. de Kleijn, A. Pronk en A.D. Verhoog (2012). Het Nederlandse agrocomplex 2012. LEI-rapport 2012-073, Den Haag

LNV (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid) (1991). Meerjarenplan Gewasbescherming; Regeringsbeslissing. Tweede Kamer, 1990-1991, 21677, nr.3-4, Den Haag

LNV (2004). Nota Duurzame gewasbescherming. Den Haag

Luesink, H.H., P.W. Blokland en J.N. Bosma (2011). Monitoring mestmarkt 2010, achtergronddocumentatie. LEI-rapport 2011-048. LEI Wageningen UR, november 2011.

LTO Nederland (2011). Diervoerindustrie maakt werk van lagere fosfaatproductie. Persbericht 25 augustus 2011, Den Haag.

Natuur & Milieu (2013). Bestrijdingsmiddel imidacloprid bedreigt mondiale voedselproductie. Persbericht Natuur & Milieu, 17-01-2013.

Nieuwenhuis, Monique (2012). ‘Geen sleepvoet op zand; alternatieven zijn voorhanden’. In: Veehouderij en Techniek, januari 2012, pg 34-35.

Ogink, Nico (2013). Persoonlijke mededeling, 9 april 2013.

Ogink, Nico (2012). Ammoniakemissie van melkvee in ligboxenstallen met roostervloeren: Resultaten van metingen op praktijkbedrijven. Informatieblad Mest, Milieu en Klimaat, nr. 45, Wageningen UR Livestock Research, juni 2012.

PA (Productschap Akkerbouw) (2011). www.productschapakkerbouw.nl/files/Overzichtsdocument_Masterplan_Phytophthora_2011.pdf

PBL (2012). Evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming. Publicatie

500158001, Bilthoven/ Den Haag

PPE (Productschap voor Pluimvee en Eieren) (2012). Statistisch jaaroverzicht 2011. Via www.pve.nl.

PPE (2013). Voorlopig Statistisch jaaroverzicht 2012. Via www.pve.nl.

Reijs, J.W., G.J. Doornewaard en A.C.G. Beldman (2013). Sectorrapportage Duurzame Zuivelketen. Nulmeting in 2011 ten behoeve van realisatie van de doelen. Rapport 2013-013, LEI Wageningen UR, Den Haag, januari 2013.

Rijksoverheid (2012a). www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/brieven/2013/03/29/advies-groep-van-deskundigen-afschermplicht-pluimvee/advies-groep-van-deskundigen-afschermplicht-pluimvee.pdfSchoumans,

Tamm L., Smit A.B., Hospers M., Janssens S.R.M., Buurma J.S., Mølgaard J.-P., Lærke P.E., Hansen H.H., Hermans A., Bødker L., Bertrand C., Lambion J., Finckh M.R., Schüler Chr., Lammerts van Bueren E., Ruissen T., Nielsen, B.J., Solberg S., Speiser B., Wolfe M.S., Phillips S., Wilcoxon S.J., Leifert C (2004). Assessment of the socio-economic impact of Late Blight and state-of-the-art management in European Organic Potato Production Systems. Zwitserland, FiBL

Velden, N. van der en P. Smit (2012). Energiemonitor van de Nederlandse Glastuinbouw 2011. Rapport 2012-059. LEI Wageningen UR, Den Haag

Velden, N. van der en P. Smit (2013). Groei elektriciteitsconsumptie glastuinbouw; Hoe verder ? Rapport 2013-022. LEI Wageningen UR, Den Haag

Vonk, J., W.A.J. van Pul, E. Schols en G.M. de Groot (2012). Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij; effect op emissie(-reductie) van ammoniak. RIVM Briefrapport 609021121/2012. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven, 2012.

VROM (voormalig Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu) (2009). Actieplan Ammoniak Veehouderij. Bijlage bij brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1 december 2009, Den Haag

Wadman, W.P. (Red) (1988). Mestinjectie, mogelijkheden, voordelen en problemen. Onderzoek inzake de mest- en ammoniakproblematiek in de veehouderij 1. Verslag van de Werkgroep Mestinjectie. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren. Dienst Landbouwkundig Onderzoek, november 1988.

Wal, A.J. van der, A. Velenturf, J. Spruijt, H. Mulder en J.A. Metselaar (2011). Evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming. Deelrapport kennisontwikkeling en verspreiding. CLM Onderzoek en Advies, Culemborg

Zonderland, J.J., B. Bosma en R. Hoste (LEI) (2011). Financiële consequenties van staart­bijten bij varkens. Wageningen UR Livestock Research, rapport 543, december 2011.

Geraadpleegde websites

www.boerderij.nl/Pluimveehouderij

www.duurzaamheidlandbouw.nl

www.duurzaamvarkensvlees.nl

www.ecdc.europa.eu

www.foodlog.nl

www.innovatievarkensvleesketen.nl

www.maran.wur.nl

www.pve.nl

www.kasalsenergiebron.nl

www.tuinbouw.nl