Landelijk gebied

4.1 Beleid landelijk gebied

4.1.1 Investeringsbudget Landelijk Gebied

In 2004 is de Agenda Vitaal Platteland opgesteld, waarin beleidsopgaven voor de economische, ecologische en sociaal-culturele aspecten van het platteland zijn opgenomen. Voor de realisatie hiervan heeft het Rijk voor de periode 2007-2013 afspraken met de afzonderlijke provincies vastgelegd in bestuursovereenkomsten. De financiële middelen van ministeries en andere partijen, zoals provincies, de EU, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en particulieren, zijn gebundeld in het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). Voor de hele periode 2007-2013 werd een rijksbijdrage beschikbaar gesteld van zo’n € 3,5 mrd. (Comité van Toezicht Investeringsbudget Landelijk Gebied, 2013). De provincies dragen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het ILG. Verwacht werd dat door het werken met het ILG de realisatie van doelen, zoals de grondverwerving voor de EHS, zou versnellen (Boonstra et al., 2012).

Afrondingsovereenkomsten regelen vroegtijdige beëindiging ILG

Als onderdeel van de bezuinigingsoperaties van het kabinet Rutte I heeft het Rijk de ILG-bestuursovereenkomsten met de provincies echter opgezegd. Verder wilde dat kabinet het natuurbeleid decentraliseren. De afspraken over de afhandeling van deze tussentijdse beëindiging van het ILG en de decentralisatie van natuurbeleid zijn vastgelegd in de afrondingsovereenkomsten die het Rijk eind 2012 met alle provincies heeft getekend (Rijksoverheid, 2013c; EZ, 2012). Bepaald is dat de ILG-bestuursovereenkomsten met terugwerkende kracht per 1 januari 2011 worden afgerekend. Verder is er aan de provincies een budget toegekend voor natuurbeheer, het uitvoeren van het gedecentraliseerde natuurbeleid en het voldoen aan harde juridische verplichtingen uit de ILG-periode (Boonstra et al., 2012).

Door ILG hebben provincies hun regierol in het landelijk gebied versterkt

Uit een kwalitatieve evaluatie blijkt dat het ILG een duidelijke verschuiving heeft veroorzaakt in de verdeling van verantwoordelijkheden tussen Rijk en provincies (Boonstra et al., 2012). Doordat de provincies zelf beschikking kregen over het budget konden zij hun positie als regisseur van de uitvoering van het beleid voor het landelijk gebied versterken. Om die regisseursrol goed te kunnen vervullen, moesten provincies wel een organisatieverandering doorvoeren. Daardoor kende het ILG een lange aanloopfase. De bundeling van geldstromen maakte het gemakkelijker om doelen en werkzaamheden te koppelen aan gebiedsprocessen en leverde efficiencywinst op. Bovendien zorgde die aanpak voor lokaal draagvlak bij de gebiedspartijen. Die raakten actiever betrokken bij de besluitvorming en beleidsuitvoering. De nieuwe ILG-aanpak heeft echter niet geleid tot een versnelling van het tempo van de beleidsuitvoering. Zo verliep de grondverwerving voor de EHS en de ontwikkeling van het areaal particulier natuurbeheer ongeveer net zo snel als in de tijd voor het ILG.

Inhaalslag gemaakt in uitputting POP2-budget

Voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 voor Nederland (POP2) heeft de EC bijna € 600 mln. uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) beschikbaar gesteld. Dit geld moet als contrafinanciering worden besteed aan plattelandsmaatregelen, die zijn gegroepeerd in vier ‘assen’. In de periode 2007-2011 is slechts zo’n 60% van dat ELFPO-budget daadwerkelijk uitgegeven (Silvis et al., 2012). Vooral de as ‘versterking concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector’ bleef met een realisatie van 40% achter bij het gemiddelde, terwijl de assen voor ‘verbetering van het milieu en platteland’ en ‘uitvoering van de LEADER-aanpak’ met een realisatie van 70% beter scoorden. De onderuitputting van het ELFPO-budget hangt enerzijds samen met de aanhoudende financiële crisis, waardoor veel landbouwbedrijven terughoudend zijn met het doen van investeringen en anderzijds met de bezuiniging van het kabinet Rutte I op het natuurbeleid, waardoor er vertraging in de uitvoering van POP2 ontstond. Het Comité van Toezicht van POP2 heeft in 2011 een aantal maatregelen genomen om de onderuitputting van het ELFPO-budget tegen te gaan. Het gaat daarbij onder meer om de ontschotting van budgetten tussen provincies en het overboeken van budgetten op maatregelen waarvan de verwachting is dat ze niet tot realisatie zullen komen, naar maatregelen die wel in staat zijn om extra budget te absorberen. Deze maatregelen hebben tot een forse inhaalslag geleid: in 2012 zijn er financiële verplichtingen aangegaan voor het totale resterende ELFPO-budget.

Voorbereidingen POP3 van start

Ondertussen wordt druk gewerkt aan de voorbereidingen voor het Plattelandsontwik-kelingsprogramma 2014-2020 voor Nederland (POP3). Daarin wil Nederland vooral inzetten op innovaties, die de duurzaamheid en concurrentiekracht van de landbouwsector moeten versterken (Toekomstglb.nl, 2013). Deze insteek betekent dat er minder financiële middelen beschikbaar zullen komen voor bredere plattelandsontwikkeling, die nu vooral worden besteed aan de toeristische infrastructuur op het platteland en dorpsvernieuwingsprojecten. Gelet op de trage besluitvorming over de herziening van het GLB (zie hoofdstuk 2) is het niet waarschijnlijk dat POP3 al begin 2014 van start zal gaan.

4.1.2 Waterveiligheidsbeleid

Het Deltaprogramma, dat in 2010 van start is gegaan, wil er enerzijds voor zorgen dat de huidige en volgende generaties beschermd zijn tegen overvloedig water en anderzijds dat er voldoende zoet water beschikbaar blijft in Nederland. Deze twee zaken staan onder druk door de zeespiegelstijging, hogere en lagere rivierwaterafvoeren, bodemdaling en verzilting. De Deltascenario’s (Deltares et al., 2013) schetsen vier toekomstbeelden voor Nederland in 2050, waarin een indruk wordt gegeven van de gevolgen die deze processen kunnen hebben voor de ontwikkeling van de economie en het ruimtegebruik. Die gaan voor de land- en tuinbouw gepaard met zowel bedreigingen door onzekerheden in de zoetwateraanvoer, als kansen door een verbetering van de concurrentiepositie ten opzichte van andere landbouwgebieden in Europa. Die verbetering hangt samen met een stijging van de potentiële productie door langere groeiseizoenen en hogere temperaturen die het gevolg zijn van klimaatverandering en het grote adaptatie- en innovatievermogen van de Nederlandse landbouwsector. Het Deltaprogramma is een samenwerkingsverband van de rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen met inbreng van de maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven (Deltaprogramma, 2013). Het programma vloeit voort uit het advies van de Tweede Deltacommissie onder leiding van oud-minister Veerman (Deltacommissie, 2008).

Deltaprogramma werkt aan voorkeursstrategie met maatregelen voor vijf deelterreinen

Het Deltaprogramma kent negen deelprogramma’s. Drie daarvan hebben een landelijke focus (Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering). De overige zes zijn regionaal ingestoken: IJsselmeergebied, Rijnmond-Drechtsteden, Zuidwestelijke Delta, Rivieren, Kust en Waddengebied. Alle deelprogramma’s zijn voor de landbouw in meer of mindere mate relevant: vanwege veranderingen in de zoetwatervoorziening, door de effecten op de landbouw van maatregelen voor de bescherming tegen hoogwater, of vanwege de gevolgen voor de ruimtelijke ordening. Binnen de deelprogramma’s wordt een inventarisatie gemaakt van de opgaven die er liggen en de mogelijke strategieën. De hydrologische effecten van de verschillende strategieën worden vervolgens doorgerekend met het Deltamodel. Dit model analyseert de waterveiligheid en de vraag, het aanbod en de verdeling van zoet water.

Om daarna op een transparante en herhaalbare wijze de effecten van de strategieën op gebruiksfuncties in beeld te brengen, zijn effectprotocollen ontwikkeld (Polman et al., 2013). Deze protocollen maken aan de hand van beleidsindicatoren de gevolgen inzichtelijk voor de verschillende gebruiksfuncties in het landelijk gebied, zoals landbouw, industrie, de productie van energie, scheepvaart en natuur. De landbouw kan te maken

krijgen met verschuivingen van gewassen (bijvoorbeeld een toename van het areaal

hoogrenderende gewassen) of met een verandering van de fysieke opbrengsten en saldi voor gewassen. Op grond van een afweging van het effect van de strategieën op waterveiligheid, de zoetwatervoorziening en de gevolgen voor de gebruiksfuncties, komt het Deltaprogramma uiteindelijk tot een aanbeveling voor een voorkeursstrategie. Het kabinet en de Tweede Kamer moeten hierover in 2014 een besluit nemen. De voorkeursstrategie beslaat vijf deelterreinen - de zogenaamde Deltabeslissingen - waarin aangeven staat welke maatregelen worden geadviseerd om de waterkeringen te laten voldoen aan de geactualiseerde waterveiligheidsnormen, de zoetwatervoorziening duurzaam en economisch doelmatig in te richten, het peilbeheer in het IJsselmeergebied te reguleren, de bescherming tegen water en de zoetwatervoorziening in de Rijn-Maasdelta veilig te stellen, en de manier waarop steden en dorpen in ruimtelijke ontwikkelingen met water rekening moeten en kunnen houden (Deltaprogramma, 2013).

De Nederlandse land- en tuinbouw kan een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het Deltaprogramma, omdat de sector beschikt over een groot adaptatie- en innovatievermogen. Mogelijke maatregelen zijn verhoging van de vochtbuffer in de wortelzone (door het verhogen van het organisch stofgehalte), verbetering van de efficiency van beregenen (via druppelbevloeiing en andere technieken) en wateropslag (op bedrijfsniveau of samen met andere agrariërs). Daardoor is de sector in staat om zich op lange termijn verder door te ontwikkelen, ook bij een veranderende zoetwatervoorziening (Polman et al., 2012).

4.2 Inrichting niet-grondgebonden landbouw

De niet-grondgebonden landbouw (glastuinbouw en intensieve veehouderij) heeft een eigen ruimtelijke problematiek. Dat komt vooral doordat de kassen en stallen - mede door hun groeiende afmetingen - steeds meer een industriële indruk maken, terwijl ze in het buitengebied gelokaliseerd zijn. Bovendien lokken ze veel transportbewegingen uit. Daarmee doen ze afbreuk aan het landelijke karakter van het betreffende gebied. Het overheidsbeleid is daarom gericht op het zo veel mogelijk concentreren van deze activiteiten, om de aantasting van het landschap te minimaliseren. In deze paragraaf wordt beschreven hoe dit beleid uitwerkt op drie terreinen, namelijk de intensieve veehouderij, de glastuinbouw en de zogenaamde teeltondersteunende voorzieningen. Bij dat laatste gaat het om ruimtelijk zichtbare ingrepen in de opengrondstuinbouw. De nadruk in deze paragraaf ligt op de ruimtelijke problematiek van deze sectoren; de economische aspecten worden in andere hoofdstukken behandeld.

4.2.1 Intensieve veehouderij: de Reconstructiewet

Voor de intensieve veehouderij heeft het concentratiebeleid gestalte gekregen in de Reconstructiewet Concentratiegebieden (2002). Deze wet was in eerste instantie gericht op het creëren van varkensvrije zones in de zandgebieden van Oost- en Zuid-Nederland, waar de intensieve veehouderij is geconcentreerd. De oorspronkelijke bedoeling was om grootschalige ziekte-uitbraken, zoals de varkenspest van 1997, te beperken. Toen men in de jaren na 2000 tot de conclusie kwam dat varkensvrije zones hiervoor niet effectief waren (preventief enten is kosteneffectiever), werd besloten de Reconstructiewet in te zetten om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren in regio’s met veel intensieve veehouderij. Dit betrof twaalf gebieden in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Elk van deze reconstructiegebieden werd verdeeld in extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s). In de eerstgenoemde gebieden moesten de intensieve veehouderijbedrijven worden teruggedrongen, in de LOG’s moest juist ruimte aan gezinsbedrijven worden geboden, terwijl in de verwevingsgebieden gold: ontwikkeling mogelijk, maar beperkt en onder voorwaarden.

Dit beleid is met wisselend succes uitgevoerd. De gebiedsgerichte aanpak met een afwaartse beweging van bedrijfsactiviteiten (van gevoelige natuurgebieden naar gebieden met ruimte voor uitbreiding) werd over het algemeen positief gewaardeerd. Echter, er zijn veel minder bedrijven verplaatst dan in eerste instantie werd beoogd; de vraag naar nieuwe locaties was klein en kon deels worden ingevuld met locaties van stoppende bedrijven. Ook bleken de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling in de verwevingsgebieden groter dan verwacht, waardoor de behoefte aan verplaatsing naar de LOG’s veel kleiner was dan gedacht. Dit kwam onder andere door technologische ontwikkelingen, zoals luchtwassers. Verder heeft het reconstructiebeleid de afgelopen jaren ook het nodige maatschappelijke verzet opgeroepen; vooral in de LOG’s bleek het vaak moeilijk om de beoogde ruimte voor intensieve veehouderij te realiseren. In vrijwel alle provincies is discussie ontstaan over ‘megastallen’, bouwblokken en uitbreiding van productierechten. Megastallen hebben niet alleen gevolgen voor de omgeving, maar ze gaan ook ten koste van de ruimte voor gezinsbedrijven. Dat druist in tegen de oorspronkelijke intentie van het reconstructiebeleid.

Transitie naar een ‘zorgvuldige veehouderij’

De provincie Noord-Brabant heeft besloten om de reconstructieplannen op termijn in te trekken (EL&I, 2012a). Ook in andere betrokken provincies staat de reconstructie als onderdeel van het omgevingsbeleid ter discussie. Gelet op het ‘Onderhandelingsakkoord decentralisatie Natuur’ tussen Rijk en provincies (EL&I, 2011a), ziet de rijksoverheid voor zichzelf geen taak meer bij de reconstructie van de zandgebieden. De ruimtelijke herstructurering van de intensieve veehouderij ligt dus nu op het bord van de provincies. Noord-Brabant heeft in het voorjaar van 2013 nieuwe beleidsvoornemens voor de intensieve veehouderij geformuleerd, onder de vlag van een ‘zorgvuldige veehouderij’ (Ons Brabant, 2013). Daarin wordt een transitie naar een duurzame veehouderij beoogd als oplossing voor maatschappelijke en gezondheidsproblemen op het platteland en als kans voor gebieds- en bedrijfsontwikkeling. Ook in andere provincies wordt nagedacht over nieuw beleid ten aanzien van landelijk gebied, leefomgeving en (intensieve) veehouderij. Daarmee gaat het reconstructieproces weliswaar verder, maar onder een andere noemer en met een andere invulling (zie verder §6.1.3).

4.2.2 Herstructurering glastuinbouw

Evenals in de intensieve veehouderij streeft de overheid ook in de glastuinbouw naar ruimtelijke concentratie. Verspreid glas wil men zo veel mogelijk beperken. In de Nota Ruimte (VROM, 2004) zijn vijf tuinbouwlocaties van internationaal belang als Greenports aangewezen. In 2011 is er een zesde Greenport bijgekomen: Noord-Holland-Noord (Provincie Noord-Holland, 2011). Drie van deze Greenports zijn specifiek op de glastuinbouw gericht: Aalsmeer, Westland & Oostland en Venlo. In de andere twee gaat het vooral om de opengrondstuinbouw: bollenteelt in de Duin- en Bollenstreek en boomkwekerij in Boskoop. In de nieuwe Greenport in Noord-Holland-Noord is sprake van een mix van agrarische bedrijvigheid uit verschillende sectoren, maar ligt de hoofdrol bij de glastuinbouw. In de ruimtelijke ontwikkeling van deze Greenports speelt de overheid een stimulerende en faciliterende rol. Naast de Greenports zijn er ook andere gebieden waar de glastuinbouw zich kan concentreren. Een aantal van deze gebieden is door het Rijk aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied (LOG), analoog aan de LOG’s in de intensieve veehouderij. Daarnaast zijn er satellietlocaties, die uit provinciale initiatieven voortkomen.

Concentratie glasareaal in Greenports, LOG’s en satellietlocaties

Zo’n drie kwart van het totaal areaal tuinbouw onder glas in Nederland ligt in Greenports, LOG’s en satellietlocaties (tabel 4.1). Deze concentratie is licht toegenomen sinds 2008. Het totale areaal tuinbouw onder glas is de laatste jaren iets gedaald. Alleen in de Greenport Westland-Oostland (vooral Pijnacker-Nootdorp en Lansingerland) en in de Greenport Noord-Holland-Noord was er een uitbreiding van het areaal.

Tabel4.1.png

Concentratieproces verloopt traag door economische crisis

Het verplaatsingsproces van bedrijven verloopt traag, mede door de economische crisis van de laatste jaren. Rendementen van glastuinbouwbedrijven staan onder druk en banken stellen hogere eisen aan het eigen vermogen van bedrijven bij nieuwe leningen, waardoor de bedrijfsontwikkeling stagneert. Zo werd er in 2010 en 2011 een historisch klein areaal nieuwe kassen gebouwd (Van der Velden en Smit, 2012). Bedrijven die willen stoppen gaan liever nog enkele jaren door omdat ze geen goede prijs voor hun bedrijf kunnen krijgen. Bedrijven die willen groeien kunnen soms geen groter bedrijfsperceel vinden waarop ze toekomstgericht kunnen investeren. Bedrijven die te koop staan zijn over het algemeen lager geprijsd dan voor de crisis. De LOG’s en projectlocaties hebben hierdoor meer concurrentie van aanbod vanuit bestaande locaties en hebben meer moeite om bedrijven voor deze nieuwe locaties aan zich te binden.

Een probleem voor het concentratiebeleid is het ondersteunend glas: veel bollentelers en boomkwekers gebruiken glas voor een deel van hun activiteiten. Zij willen dit glas behouden in de nabijheid van hun grondgebonden activiteiten, en zullen niet snel verhuizen naar glastuinbouwconcentratiegebieden.

Gereedschapskist voor modernisering en verduurzaming van glasareaal

Om de modernisering en verduurzaming van het glasareaal te stimuleren, is begin 2013 door Greenport Holland een gereedschapskist ‘Modernisering Teeltareaal’ gepresenteerd. De gereedschapskist bevat 32 instrumenten, zowel bestaande als nieuwe, die kunnen helpen bij modernisering en herstructurering. Ze omvatten bijvoorbeeld een fonds voor duurzaamheidsinvesteringen, een stallingsfonds van tuinbouwgrond, en procesondersteuning. De gereedschapskist is tot stand gebracht door een initiatiefgroep waarin ondernemers, wetenschappers, ambtenaren, experts en bestuurders hun krachten hebben gebundeld (Greenport Holland, 2013).

Er bestaat echter geen blauwdruk voor een duurzame modernisering van het teeltareaal. Door middel van overleg dienen de ambities van glastuinbouwondernemers in evenwicht te worden gebracht met de taken en opgaven van overheden om zo, op initiatief van het bedrijfsleven, te komen tot een proefproject voor een bepaald gebied. Vervolgens kan dan met een specifieke mix van financiële, procesmatige en planologische stimuleringsinstrumenten naar een maatwerkoplossing toe worden gewerkt (Buurma et al., 2013).

4.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen

De opengrondstuinbouw (groenten, bloembollen, boomteelt, fruit, zomerbloemen en vaste planten) wordt beschouwd als een grondgebonden sector, maar ze maakt ten dele ook gebruik van technieken die lijken op bedekte teelten, met name wat betreft de ruimtelijke impact. Dergelijke technieken kunnen worden aangeduid als teeltondersteunende voorzieningen (TOV’s). Ze zijn zo oud als de tuinbouw zelf, die zich kenmerkt door het controleren van de natuurlijke groeiprocessen. Het gebruik van TOV’s in de opengrondstuinbouw neemt echter wel toe, niet alleen wat het oppervlakte en aantal ondernemers betreft, maar ook qua sectoren en toepassingsvormen. Voorbeelden van TOV’s zijn overwinteringskassen in de pot- en containerteelt, regenkappen bij steenfruit- en aardbeienteelt, stellingen bij de aardbeienteelt en hagelnetten bij de productie van hard fruit. De zichtbaarheid van de verschillende TOV’s loopt sterk uiteen en daardoor variëren de gevolgen voor het landschap. Verschillen zijn er onder andere in de hoogte, het gebruikte materiaal, de locatie (op of buiten het bouwblok), de oppervlakte en de tijdsduur (tijdelijk of permanent). In ons land zijn de meeste TOV’s te vinden in het Gelders rivierengebied en delen van Utrecht.

Productieomstandigheden beter onder controle met TOV’s

TOV’s maken het voor tuinders mogelijk om de productieomstandigheden beter onder controle te kunnen houden. TOV’s worden enerzijds aangewend om de concurrentiepositie te verbeteren, en anderzijds om te voldoen aan de steeds hogere kwaliteits- en milieu-eisen. TOV’s kunnen gebruikt worden voor de opkweek van plantmateriaal, vervroeging of verlating van de teelt, hogere opbrengsten, het leveren van kwalitatief hoogwaardig producten, het optimaal kunnen toepassen van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen zonder uitspoeling, om arbeidstechnische redenen en ter bescherming tegen weersinvloeden (Fruitpact, 2010).

Los van de grond-systemen om nutriënten-uitspoeling te verminderen

In 2009 is het project Teelt de grond uit gestart, waarin TOVs worden gebruikt om de nutriëntenuitspoeling te verminderen, waardoor aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) kan worden voldaan (Teelt de grond uit, 2013). In dit project worden rendabele teeltsystemen voor de opengrondstuinbouw ontwikkeld, die los van de (onder)grond kunnen worden toegepast, waardoor zowel het gebruik als de uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen fors kan worden gereduceerd. Te denken valt daarbij aan teelt in potten, in goten of op watercultuur, waarbij recirculatie en dus een betere benutting van meststoffen mogelijk is. Daarnaast bieden deze los van de grondsystemen andere voordelen. Zo zijn ze intensiever en leggen ze daardoor minder beslag op de ruimte, kunnen zowel kwaliteit als ziekten en plagen beter worden beheerst, kan het aflevertijdstip beter worden gestuurd, en kunnen de arbeidsomstandigheden en mechanisatiemogelijkheden worden verbeterd. Inmiddels doen zo’n tien boomteeltbedrijven aan het project mee. Verder zijn er pilots op enkele kleinfruitbedrijven, bij zes bladgewassentelers en bij een preiteler (Nieuwe Oogst, 2012).

De los van de grondsystemen vallen globaal uiteen in teeltsystemen in potten en containers en teeltsystemen op water. Pot- en containerteelt wordt al sinds de jaren zeventig op kleine schaal in de boomteelt toegepast. Op dit moment gaat het daarbij om zo’n 1.000 ha van het totale areaal boomteelt van ongeveer 16.000 ha. Teelt op water is als TOV daarentegen wel vrij nieuw.

Waterteelt biedt veel voordelen

Sinds 2007 wordt in Nederland onderzoek gedaan naar alternatieve systemen voor de onbedekte teelt van bladgewassen. Daarbij is ook naar drijvende systemen gekeken. In dit systeem hangen de planten in een drijver in een bassin van enkele decimeters diep met een voedingsoplossing. Vrijwel de gehele wortelontwikkeling vindt plaats in de voedingsoplossing. Het drijvende teeltsysteem is in beginsel minder kwetsbaar voor technische storingen en goedkoper dan het gotensysteem. De planten zijn bovendien erg mobiel op dit systeem en dat biedt veel mogelijkheden voor vergaande mechanisering en automatisering. Het basisprincipe is breed toepasbaar: behalve geplante en ter plekke gezaaide bladgewassen bleken ook broccoli, bloemkool en diverse soorten zomerbloemen en vaste planten op het drijvende systeem te kunnen worden geteeld. Een belangrijk voordeel voor bladgewassen is dat geen vervuiling door opspattende gronddeeltjes kan optreden. Niet alleen de groei en ontwikkeling, maar ook het planten en oogsten worden veel minder afhankelijk van het weer. Hierdoor neemt de leveringszekerheid toe en verbetert de kwaliteit van het geoogste product. Naast een snellere groei kan door een betere ruimtebenutting en snellere teeltwisseling ook meer geproduceerd worden per oppervlakte-eenheid. In 2009-2010 is op proefschaal aangetoond dat het mogelijk is om prei op water te telen in een recirculerend systeem. Daarbij kan een frequentie van vier teelten per jaar haalbaar worden met een plantdichtheid die ongeveer vijf keer hoger is dan de huidige praktijk. Bij de proef was nagenoeg geen inzet van gewasbeschermingsmiddelen nodig. Doelstelling is om eind 2013 minimaal één operationeel duurzaam teeltsysteem voor preiteelt uit de grond in de praktijk te realiseren.

Beleidsregels kunnen dynamiek TOV’s niet altijd bijhouden

Per saldo is de teeltoppervlakte die TOVs beslaan gering in verhouding tot het totaal areaal agrarische cultuurgrond (Fruitpact, 2010). Bovendien leiden TOV’s tot ruimtebesparing, wat mogelijkheden biedt voor alternatieve aanwendingen. Wel kan de ruimtelijke impact van TOV’s op dat beperkte areaal aanzienlijk zijn. Daarom hebben diverse gemeenten en provincies beleidsregels opgesteld voor TOV’s. Daarin staan de criteria ten aanzien van de locatie en inpassing van teeltondersteunende voorzieningen in relatie tot de bestemming agrarisch bedrijf. De invulling kan van gemeente tot gemeente verschillen. Voor ondernemers kan het lastig zijn om de vergunningen rond te krijgen voor TOV’s, bijvoorbeeld als permanente voorzieningen alleen op het bouwblok zijn toegestaan of omdat de voorzieningen hoger zijn dan volgens de beleidsregels mag. Voor gemeenten maakt de dynamiek van de ontwikkeling van de TOV’s het lastig om deze in regels vast te leggen: wat het ene jaar wordt vastgelegd kan het volgende jaar alweer achterhaald zijn. Er is dan ook een wens voor meer flexibiliteit in de regelgeving. Het feit dat er goede mogelijkheden voor landschappelijke inpassing zijn, kan daarbij helpen.

4.3 Natuur- en landschapsbeleid

4.3.1 Natuurbeleid

In het Onderhandelingsakkoord decentralisatie Natuur (EL&I, 2011a) zijn Rijk en provincies overeengekomen dat de opgaven voor de herijkte ecologische hoofdstructuur (EHS) tot 2021 bestaan uit het verwerven van 17.000 ha en het inrichten van 40.000 ha. Behalve voor de herijkte EHS hebben de provincies ook internationale verplichtingen voor verwerving en inrichting van natuurgebieden uit hoofde van Natura 2000, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de Kaderrichtlijn Water (KRW). Naar schatting moeten de provincies in totaal hiervoor nog zo’n 35.000 ha verwerven en ca. 80.000 ha inrichten.

Opgaven voor provincies voor herijkte EHS voor groot deel financieel haalbaar

De financiële dekking voor deze ambities moet komen uit de grondvoorraad van de overheid. Het ruilen of verkopen van deze gronden in bezit van de overheid levert de middelen voor verwerving en/of inrichting van de herijkte EHS. Het IPO concludeert dat van de 17.000 ha uit het onderhandelingsakkoord te verwerven gronden, het financieel mogelijk is om 14.000 ha te realiseren (Bestuurlijke Adviescommissie Vitaal Platteland, 2012). Ook is het volgens het IPO financieel haalbaar om de afgesproken 40.000 ha in te richten. Daarvoor is het zo snel en volledig mogelijk beschikbaar komen van 14.000 ha ruilgronden - die voor 1 januari 2007 zijn verworven - een belangrijke randvoorwaarde. Het pakket maatregelen om verdroging en vermesting tegen te gaan, dat voortvloeit uit de internationale verplichtingen in het kader van Natura 2000, PAS en KRW, leidt volgens de provincies nog eens tot ruim 80 mln. euro per jaar aan extra kosten in de eerste beheerplanperiode van zes jaar, en bijna 50 mln. euro per jaar in de tweede en derde periode (EZ, 2013c).

Tempo zit er goed in bij uitbreiding EHS

De EHS neemt nog steeds in omvang toe. Op 31 december 2011 was zo’n 577.000 ha natuurgebied in beheer, een groei van meer dan 7.000 ha in een jaar tijd (EZ, 2013e). Deze stijging komt vooral door het afronden van de inrichting van 6.700 ha aan terreinen, die daarna in beheer zijn gegeven aan natuurbeschermingsorganisaties en Staatsbosbeheer. Het areaal agrarisch natuurbeheer binnen de EHS groeide nauwelijks in 2011. Als de uitbreiding van de EHS in hetzelfde tempo doorgaat als in 2011, dan kan worden verwacht dat de herijkte EHS in 2021 in haar geplande vorm is gerealiseerd.

Vanaf 2013 200 mln. euro extra beschikbaar voor natuurbeleid

De bezuinigingen op het natuurbeleid die het kabinet Rutte I wilde doorvoeren, zijn in het Lenteakkoord van VVD, CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie gehalveerd (Ministerie van Financiën, 2012; PBL, 2012). In dit akkoord is 200 mln. euro extra voor natuur gereserveerd in 2013. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte II (VVD en PvdA, 2012) worden deze extra uitgaven voor natuur gehandhaafd en zijn de ‘oude’ ambities ten aanzien van de EHS weer van stal gehaald. Dit betekent dat de verbindingszones weer onderdeel van de EHS worden. Wel wordt meer tijd voor de uitvoering genomen, in overleg met provincies en natuurbeschermingsorganisaties (Rutte en Samson, 2012). Ruim 65 mln. euro van de extra beschikbaar gekomen natuurgelden worden door de provincies in 2013 ingezet om het natuurbeheer op voldoende niveau te kunnen uitvoeren en de kwaliteit van de bestaande natuur te verbeteren. Met dit geld kunnen de vergoedingen voor beheer van natuur binnen en buiten de EHS (inclusief nationale cofinanciering agrarisch natuurbeheer) in 2013 weer op het oude niveau (84% normkostenfinanciering) van 2012 worden gebracht (EL&I, 2012b). Daarnaast zijn provincies van plan om in totaal 42 projecten te realiseren die bijdragen aan de robuuste EHS (EZ, 2013a). Robuuste natuurgebieden kunnen tegen een stootje en worden vooral door de dynamiek van het natuurlijk systeem zelf beheerd (PBL, 2012). Daaraan willen de provincies zo’n 127 mln. euro besteden. Die projecten moeten gericht zijn op het realiseren van de internationale doelen uit hoofde van Natura 2000, KRW en PAS (IPO, 2013). Verder wordt 7,5 mln. euro gereserveerd voor de natuur op Caribisch Nederland.

Kabinet komt met nieuwe visie op natuurbeleid

Nu de decentralisatie van het natuurbeleid een feit is, wil het kabinet een volgende stap zetten (EZ, 2013b). Het wil begin 2014 een nieuwe langetermijnvisie op het natuurbeleid aan het Parlement aanbieden. Met deze nieuwe visie hoopt het kabinet in te spelen op drie belangrijke ontwikkelingen, die volgens haar de toekomst van het natuurbeleid sterk beïnvloeden. Dat is ten eerste de actieve rol die burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties in het natuurbeheer willen en kunnen spelen. Te denken valt daarbij onder meer aan gemeenschapstuinen, collectieven van boeren en burgers die het landelijk gebied beheren, en bedrijven die investeren in een kleinere ecologische voetafdruk van hun producten. Ten tweede gaat het om de klimaatsverandering en de gevolgen daarvan voor ecosystemen. Ten slotte is er een groeiend inzicht dat er maatschappelijke en ecologische winst valt te boeken als de natuur intelligenter wordt gecombineerd met andere maatschappelijke belangen. ‘Een natuur die van blijvende betekenis is voor ons maatschappelijk welzijn’, luidt het streven. Het kabinet wil burgers, ondernemers, andere overheden en maatschappelijke organisaties betrekken bij de vormgeving van het nieuwe natuurbeleid. Daarom organiseert het in de zomer van 2013 een Natuurtop om samen met deze partijen te bezien hoe hun inzet bij het nieuwe natuurbeleid kan worden geoptimaliseerd.

Collectieven krijgen centrale rol bij vernieuwing agrarisch natuurbeheer

Vooruitlopend op de nieuwe natuurvisie wil het kabinet alvast een aantal acties op korte termijn ondernemen. Eén daarvan is een vernieuwing van het agrarisch natuurbeheer (EZ, 2013b). Het huidige subsidiestelsel voor agrarisch natuurbeheer wordt in nauw overleg met de provincies zodanig aangepast dat het beter aansluit bij internationale biodiversiteitsdoelen. Daarbij komt een gebiedsgerichte aanpak centraal te staan, waarin collectieven van agrariërs en andere partijen gezamenlijk het beheer in het gebied plannen. Met het nieuwe stelsel hoopt het kabinet de ecologische effectiviteit in verhouding tot de economische efficiëntie verder te verbeteren en de uitvoeringskosten te verminderen.

Afname areaal onder agrarisch natuurbeheer in 2010 gestopt

De afgelopen jaren nam het areaal onder agrarisch natuurbeheer langzaam af (Berkhout en Roza, 2012). Deze afname is in 2010 gestopt. Aan het eind van dat jaar beliep het areaal met agrarisch natuurbeheer een kleine 62.000 ha, waarvan bijna 45% collectief werd beheerd (DR, 2012). Het collectieve beheer vindt vaak plaats onder de vlag van een agrarische natuurvereniging (ANV). In totaal zijn er in ons land tussen de 125 en 150 ANV’s (Prins en Smit, 2011). Dit collectieve beheer heeft het afgelopen 15 jaar een grote vlucht genomen en biedt zowel economische als ecologische voordelen. Collectief beheer leidt tot lagere transactiekosten, zowel voor de (leden van de) ANV als voor de overheid (Jongeneel et al., 2008). Ook kan ecologisch effectiever worden gewerkt vanwege de schaalgrootte, wat met name bij weidevogelbeheer voordelen biedt. Agrarische natuurverenigingen werken overigens aan meer zaken dan alleen natuurbeheer. Ze vormen steeds vaker een ‘gebiedspartner’ en werken samen met bijvoorbeeld natuurorganisaties en lokale overheden, onder meer bij het ontwikkelen en/of beheren van delen van de Ecologische Hoofdstructuur.

Rli-advies kritisch over effectiviteit agrarisch natuurbeheer

Een recent advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur laat zich kritisch uit over het agrarisch natuurbeheer (Rli, 2013). Volgens de Rli wijst onderzoek uit dat dit beheer beperkt effectief is wat betreft de instandhouding van kwetsbare soorten. Stoppen met het gebruik van bestrijdingsmiddelen of het verhogen van de grondwaterstand zijn belangrijke randvoorwaarden om de effectiviteit te vergroten, maar deze maatregelen laten zich maar moeizaam rijmen met een economische rendabele landbouw (Rli, 2013). Het akkerrandenbeheer in Flevoland en Noordoost-Groningen blijkt wel effectief bij het beschermen van muizen en grauwe kiekendieven (ibidem), van hamsters in Limburg en van weidevogels in enkele grotere gebieden (zie ook Kleijn, 2012).

De Raad beveelt aan om de effectiviteit van agrarisch natuurbeheer te vergroten door:

- agrarisch natuurbeheer met voorrang in te zetten in grote aaneengesloten gebieden;

- kansrijke vormen van agrarisch natuurbeheer zodanig aan te passen dat een positief effect op natuurwaarden mag worden verwacht;

- de deelnamebereidheid voor agrarisch natuurbeheer te vergroten.

Ook over de effectivieit van andere onderdelen van het huidige natuurbeleid is de raad kritisch. Zo betwijfelt de Raad of het realistisch is zulke gedetailleerde doelen te stellen voor het Nederlandse natuurbeleid als nu het geval is. Ook stelt de Raad vragen bij de complexe uitvoeringsstructuur en de versnipperde inzet van middelen.

Initiatiefnota Mooi Nederland schetst twee soorten te beschermen gebieden

Binnen het Parlement leven ook nieuwe ambities ten aanzien van het natuurbeleid. In de initiatiefnota Mooi Nederland (Jacobi et al., 2013) geven de Tweede Kamer-fracties van de PvdA, D66 en Groen Links hun visie op de natuurbescherming in Nederland. Zij willen de lappendeken die er nu bestaat van allerlei verschillende soorten gebieden inperken tot twee categorieën. De eerste categorie noemen zij ‘Top Natuur’. Die zou moeten bestaan uit de klassieke natuurgebieden, zoals de Natura 2000-gebieden, waarvoor het beschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn leidend is. De tweede categorie bevat Mooi Nederland-gebieden. Dit zijn gebieden met een grote cultuurhistorische, ecologische of landschappelijke waarde. De initiatiefnemers van Mooi Nederland denken het beheer in de Mooi Nederland-gebieden te kunnen financieren met een deel van het geld uit het extra potje van 200 mln. euro dat sinds 2013 jaarlijks voor het natuurbeleid beschikbaar is gesteld.

4.3.2 Natura 2000 en PAS

Nederland heeft onder het vorige kabinet aan de Europese Commissie om ecologische redenen verzocht vijf gebieden te schrappen van de lijst van Natura 2000-gebieden. De Europese Commissie heeft dit verzoek voor drie gebieden - Boddenbroek, Groot Zandbrink en Teeselinkven - ingewilligd (EZ, 2013d). De twee andere betrokken gebieden (deelgebied Achter de Voort en deelgebied Polder van Stein) blijven deel uitmaken van Natura 2000, omdat de Europese Commissie de onderbouwing van het verzoek onvoldoende vond. Verder zullen de in ontwerp aangewezen Natura 2000-gebieden Gelderse Poort, Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Nederrijn en Uiterwaarden Waal bij de definitieve aanwijzing worden samengevoegd tot ‘Rijntakken’.

In veel gebieden die op de nominatie staan definitief aangewezen te worden als Natura 2000-gebieden zijn de consequenties van die aanwijzing nog niet duidelijk. Binnen drie jaar na definitieve aanwijzing moet er een beheerplan voor een gebied zijn. Momenteel wachten veel beheerplannen voor hun afronding op de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze moet een oplossing bieden voor de stikstofproblematiek en de daardoor stagnerende vergunningverlening op veebedrijven. De PAS kan ervoor zorgen dat de natuurkwaliteit behouden wordt en de economische ontwikkeling van onder andere de landbouw mogelijk blijft. De PAS zet daarom onder meer in op het creëren van ontwikkelingsruimte: ruimte om stikstofdepositie toe te delen aan economische activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden. Het is de bedoeling dat de PAS als onderdeel van de gewijzigde natuurbeschermingswet op 1 januari 2014 in werking treedt (EZ, 2013c).

Baten PAS hoger dan lasten

De landelijke maatregelen uit de PAS, die op de agrarische sector zijn gericht, betreffen het aanscherpen van de eisen voor het emissiearm aanwenden van dierlijke mest, het verminderen van de stalemissie door de aanscherping en uitbreiding van de ‘AMvB Huisvesting’ voor nieuwbouw of uitbreiding van bestaande stallen, en voer- en managementmaatregelen in met name de melkveehouderij. Ze moeten resulteren in een afname van 10 kton ammoniakemissie per jaar. De kosten van deze landelijke maatregelen worden geschat op € 21 mln. per jaar tussen 2013-2020. Daarnaast kunnen provincies nog extra gebiedsgerichte maatregelen voor de landbouw treffen, waarvan de kosten circa € 5 mln. per jaar bedragen.

De PAS creëert daarnaast ontwikkelingsruimte, waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om stikstofdepositie toe te delen aan economische activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden, zodat economische ontwikkeling mogelijk blijft. Deze ontwikkelingsruimte wordt in twee segmenten verdeeld over stikstofemitterende sectoren (EZ, 2013c). In het eerste segment is ontwikkelingsruimte gereserveerd voor projecten die van groot maatschappelijk regionaal en nationaal belang zijn, zoals het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport. In het tweede segment is in ontwikkelingsruimte voorzien voor de overige stikstofemitterende activiteiten, waarbij er landelijk 5,6 kton ammoniakemissie voor de landbouwsector beschikbaar is.

Leneman et al. (2012) hebben de kosten en baten van de PAS tegen elkaar afgewogen en concluderen dat de PAS economisch voordelig is. Van 2013 tot 2020 vallen de economische baten jaarlijks zo’n 100-200 mln. euro hoger uit dan de kosten. De veehouderij bij de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kan zich blijven ontwikkelen, wat met name gunstig is voor de rundveehouderij omdat die het best in staat is om de ontwikkelingsruimte in te vullen. Verder pakt de PAS voordelig uit omdat ondernemers minder onderzoekskosten voor het verkrijgen van een Natuurbeschermingswetvergunning hoeven te maken.

4.3.3 Ganzenbeleid

Het aantal overwinterende ganzen in ons land neemt al jaren toe (SOVON, 2012). Ze voelen zich thuis op het hoogproductieve boerenland in Nederland met kwalitatief hoogwaardig voedsel. De ganzen zorgen echter ook in toenemende mate voor overlast en schade. Daarom hebben de provincies en zeven maatschappelijke belangenorganisaties op het gebied van de land- en tuinbouw, het natuurbeheer en het grondbezit - de G7 - eind 2012 een akkoord over de uitvoering van het ganzenbeleid gesloten (G7, 2012). Het akkoord beoogt rust voor overwinterende ganzen, reductie van het aantal ganzen die jaarrond in Nederland verblijven, en bestrijding van ganzen die hier van nature niet thuishoren. Rust voor ganzen die alleen ’s winters in Nederland verblijven moet worden bereikt met rustgebieden. Dat betekent dat de huidige foerageergebieden komen te vervallen. De rustgebieden worden aangewezen door de provincie op basis van schadehistorie. Op deze manier wordt gehoopt dat de schade door ganzen kan worden geconcentreerd. De populatie van grauwe ganzen en brandganzen, die het hele jaar in Nederland verblijven, moet zover worden ingekrompen dat de schade door deze vogels weer daalt tot het niveau van 2005 (grauwe gans), respectievelijk dat van 2011 (brandgans). Er moet nog worden bepaald welke streefwaarden voor de populatieomvang van deze ganzen daarbij horen. Het Ganzenakkoord wordt in de loop van 2013 verder uitgewerkt.

Ook regionaal vraagt de toename van de ganzenpopulatie aandacht. Ganzen vormen in toenemende mate een bedreiging voor de veiligheid van het vliegverkeer op Schiphol. Eén van de maatregelen om de aanwezigheid van ganzen in de buurt van het vliegveld te verminderen, is het zo snel mogelijk onderwerken van resten van de graanoogst. Het ministerie van I&M heeft hiervoor een vergoedingsregeling voor agrariërs in het leven geroepen (Rijk, 2012).

4.4 Impact van windmolens op landschap en landbouw

Het kabinet Rutte II heeft in het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ de ambitie geuit om in 2020 een aandeel duurzame energie van 16% te realiseren (VVD & PvdA, 2012), terwijl het vorige kabinet nog een ambitie van 14% in 2020 had geformuleerd (VVD & CDA, 2010). Het Energierapport uit 2011 heeft voor het bereiken van deze energiedoelstelling een belangrijke rol toebedeeld aan windenergie (EL&I, 2011b). Duurzame, of beter gezegd, hernieuwbare energie is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem en biomassa. Deze energie is afkomstig van natuurlijke processen en kan steeds opnieuw worden aangevuld. Fossiele energie en kernenergie vallen daarom niet onder hernieuwbare energie (CBS, 2013a).

Windenergie steeds belangrijkere bron van hernieuwbare energie

Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik is tussen 1990 en 2011 gestegen van 1,1% naar 4,3% (figuur 4.1). Biomassa is veruit de belangrijkste bron van hernieuwbare energie, gevolgd door windenergie. Deze laatste vorm van hernieuwbare energie is sinds 1990 het snelst toegenomen: in 2011 was het verbruik hiervan ruim 80 keer zo groot als in 1990. In diezelfde tijd is het verbruik van biomassa 3,5 keer zo groot geworden en dat van de overige bronnen, zoals waterkracht en zonne-energie, 17,5 keer. Door deze veranderingen is het aandeel van windenergie in alle hernieuwbare energie toegenomen van 1% in 1990 tot 18% in 2011.

5786.png

Nederland telt zo’n 2000 windmolens

In 2011 stonden er in Nederland 1.882 windturbines op land en lag het gerealiseerde vermogen van deze windturbines op 2.088 MW (CBS, 2013b). Windmolens op land staan vooral in de windrijke kust- en IJsselmeerprovincies. Van alle provincies levert Flevoland verreweg het meeste vermogen (612 MW), gevolgd door Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Friesland en Noord-Brabant. De overige vijf provincies zijn gezamenlijk goed voor 60 MW (tabel 4.2). Op zee zijn tot op heden twee windmolenparken aangelegd, die in 2011 samen 228 MW realiseerden. Daarmee lag het totale vermogen van Nederlandse windturbines in 2011 op 2.316 MW.

Afspraken tussen Rijk en provincies over toename vermogen windparken

Om een duurzame energieproductie van 16% in 2020 te realiseren, hebben het Rijk en het Interprovinciaal Overleg (IPO) eind januari 2013 afspraken gemaakt over wind op land. Provincies garanderen ruimte voor 6.000 MW wind op land, waarvan ze 5.715 MW vóór 31 december 2013 ruimtelijk en planologisch vastleggen (Rijksoverheid, 2013a). De verdeling over provincies is weergegeven in tabel 4.2. In absolute zin neemt Flevoland de grootste toename van het vermogen voor zijn rekening. Verder valt op dat de vijf provincies die niet aan de kust liggen, van plan zijn een vermogen te realiseren dat maar liefst 11,5 keer zo groot is als in 2011. Van de 690 MW die deze laatste provincies in 2020 moeten realiseren, komen de grootste aandelen voor rekening van Drenthe (280 MW) en Gelderland (210 MW). De doelstelling voor Overijssel is 80 MW, voor Utrecht en Limburg elk 60 MW (IPO, 2012).

Tabel4.2.png

Zoekgebieden voor windparken aangewezen

Op 28 maart 2013 heeft het Rijk de ontwerp-Rijksstructuurvisie Windenergie op Land naar de Tweede Kamer gestuurd (Rijksoverheid, 2013a). Deze structuurvisie legt planologisch vast welke prestatieafspraken het Rijk en de provincies hebben gemaakt en welke zoekgebieden geschikt zijn voor grootschalige windenergie. Het kabinet heeft gekozen voor zoekgebieden waar het relatief hard waait en waar weinig mensen wonen, zoals grote haven- en industriegebieden, landelijke gebieden, in en langs grote wateren en langs wegen en spoorlijnen. Concreet gaat het om Eemshaven, Delfzijl, Drentse Veenkoloniën, de N33 bij Veendam, Wieringermeer, IJsselmeer-Noord, Flevoland, Noordoostpolderdijk, Rotterdamse haven, Goeree-Overflakkee en Krammersluizen. Exacte locaties zijn nog niet bekend, maar de verwachting is dat de windparken in deze 11 gebieden voor de helft bijdragen aan de doelstelling van 6.000 MW aan windenergie op land (Rijksoverheid, 2013b). Als er zoekgebieden (deels) afvallen (vanwege de planologische procedures of een andere reden), dan zoeken provincies naar planologische alternatieven, die ze uiterlijk de eerste helft van 2014 vastleggen.

Eén op de 160 landbouwbedrijven heeft windmolen

De landbouwsector is al sinds de vroege jaren 1970 betrokken bij de realisatie van windenergie. In 2010 stonden er volgens de Landbouwtelling op 450 landbouwbedrijven één of meerdere windturbines opgesteld. Dat is een stijging van 64 ten opzichte van 2007 (tabel 4.3). Deze windturbines hadden gezamenlijk een vermogen van tussen de 400 en 650 MW. Daarmee had de landbouw een aandeel van zo’n 20% tot 30% in het totale vermogen in 2010.

Het percentage agrariërs in Nederland met een windmolen in (gedeeltelijk) eigendom is tussen 2007 en 2010 gestegen: van gemiddeld één windmolen op 200 bedrijven naar één op de 160 bedrijven. De verschillen tussen provincies zijn opvallend: in Flevoland heeft maar liefst 1 op de 10 bedrijven een windturbine, in Friesland 1 op de 50 en in Noord-Holland en Groningen 1 op de 100. In de overige provincies ligt het percentage aanzienlijk lager.

Tabel4.3.png

Aandeel landbouwsector in productie windenergie daalt

Ondanks de stijging van het aantal agrarische bedrijven met een windturbine, is het aandeel van de landbouw in de productie van windenergie geslonken. Dit komt omdat de productie van windenergie buiten de landbouw harder is gegroeid. Hiervoor zijn drie redenen aan te voeren. Ten eerste is er een trend van opschaling van solitaire windturbines naar windparken. Dat betekent dat landbouwers intensiever moeten samenwerken om gezamenlijk een windpark te ontwikkelen en dat kan de drempel verhogen om erin te investeren. Ten tweede neemt het vermogen van windturbines steeds meer toe, waardoor het benodigde investeringsbedrag navenant stijgt. Deze twee ontwikkelingen zijn er mede debet aan dat projectontwikkelaars en energiemaat­schappijen een steeds grotere rol hebben gekregen in de productie van windenergie (Terbijhe et al., 2009). De derde reden is van een geheel andere orde: windmolenprojecten worden vaak ondergebracht in een aparte onderneming, bijvoorbeeld om het gedeelde eigendom van een project vorm te geven. Deze aparte ondernemingen worden door het CBS, in overeenstemming met internationale afspraken, gezien als energiebedrijven. Participatie van landbouwbedrijven in deze ondernemingen, samen met andere landbouwbedrijven, energiebedrijven of investeringsmaatschappijen, blijft daarmee buiten de registratie (Agentschap NL en LEI, 2011). Dat betekent dat het daadwerkelijke aandeel van de landbouw flink hoger zal liggen dan het door het CBS geregistreerde aandeel. Los hiervan blijft de agrarische sector als groot grondgebruiker (in 2008 ongeveer 55% van de oppervlakte van Nederland, zie CBS, 2013c) sowieso een belangrijke rol spelen bij het beschikbaar stellen van grond (Terbijhe et al., 2009).

Vooral grote landbouwbedrijven en jonge ondernemers investeren in windturbines

Bijna de helft van de agrarische windmolens staat op akkerbouwbedrijven, gevolgd door

melkveebedrijven (30%). Het zijn vooral de grote bedrijven en de jongere ondernemers die in windenergie investeren: ruim 30% is jonger dan 40 jaar en bijna 75% jonger dan 50 jaar. Reden hiervoor is de grote kapitaalbehoefte. Het zijn investeringen voor de langere termijn en jonge ondernemers met een langere planningshorizon zullen daarom eerder aan windenergie beginnen dan oudere (Oltmer et al., 2009).

Windenergie vergt na realisatie weinig tijd en aandacht van een ondernemer, zeker in vergelijking met andere vormen van energiewinning, zoals mestvergisting. Daarnaast is het, door de toegenomen automatisering, mogelijk om bijvoorbeeld via sms een melding te krijgen wanneer de turbine stilvalt. Bovendien heeft een agrarische ondernemer in zijn werkzaamheden vaak zicht op de windturbine. Bij problemen kan hij dan direct actie ondernemen om de windturbine weer te starten of onderhoudsmedewerkers in te lichten. Een windturbine vergt vooral in de voorbereiding veel tijd, arbeid en inzet van een ondernemer (Oltmer et al., 2009). Voor zover bekend, hebben windmolens geen fysieke effect op agrarische activiteiten op het bedrijf, zoals grazend vee in de nabijheid van de windmolens of de groei van gewassen. Vanzelfsprekend heeft de plaatsing van windmolens op landbouwgrond wel een vermindering van dit areaal tot gevolg.

Inkomsten landbouw uit windenergie

Het is lastig om in het algemeen iets te zeggen over de gemiddelde geldopbrengst per windturbine of per MW, omdat deze sterk afhankelijk is van verschillende factoren. Te denken valt daarbij aan locatie, windsnelheden, rendement, stroomcontract met de energieafnemer, technische staat en leeftijd van de turbine, fiscale voordelen en subsidiemogelijkheden. Voor wat betreft dat laatste: initiatiefnemers (agrariërs, projectontwikkelaars en energiemaatschappijen) kunnen een beroep doen op de Energie-Investeringsaftrek (EIA) en de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE). De EIA is een langlopende fiscale maatregel, die ondernemers de mogelijkheid biedt om voor bepaalde duurzame investeringen, zoals windturbines, een bedrag af te trekken van de fiscale winst (41,5% van de investering). Hierdoor hoeft de ondernemer minder belasting te betalen. De SDE voorziet in subsidies op de productie van duurzame energie, door het kostprijsverschil met de ‘grijze’ elektriciteitsprijs te compenseren (Van der Heijden, 2013). De kostprijs van windenergie ligt namelijk hoger dan die van fossiele energie. Zonder subsidie hebben bedrijven daarom, bij het huidige prijsniveau op de energiemarkt, onvoldoende prikkel om te investeren in de productie van windenergie. Terbijhe et al. (2009) stellen, op basis van literatuuronderzoek en interviews, dat de gemiddelde opbrengst voor een agrarisch bedrijf rond de 30.000 euro per jaar ligt. Dat komt neer op zo’n 40.000 euro per MW, aangezien agrarische bedrijven gemiddeld over een windmolen van 0,75 MW beschikken. De verschillen tussen bedrijven zijn echter groot (Oltmer et al., 2009). In de toekomst zullen windmolens groter worden, zowel qua vermogen als qua investering. Daar hoort ook een hogere jaaropbrengst bij: gemiddeld ongeveer 60.000 euro per MW (Terbijhe et al., 2009). Ook als de agrariër de windturbine niet zelf exploiteert, maar zijn grond verhuurt of verpacht, kan dat hem aardig wat opleveren. Volgens Ten Klooster en Van de Bilt (2009) ligt de pacht tussen circa 5.000 euro en 23.000 euro/MW/jaar, met 14.000 euro/MW/jaar als mediaan (alle bedragen inclusief onroerendzaakbelasting).

Omdat de inkomsten uit windenergie een constante bron vormen, draagt het bij aan de continuïteit van het bedrijf. Dit geldt vooral als de verdiensten worden gebruikt om de agrarische tak verder uit te bouwen en te moderniseren. Of de opbrengsten uit windenergie daadwerkelijk terugvloeien naar het bedrijf verschilt van bedrijf tot bedrijf. Volgens schattingen wordt over het algemeen tussen de 60 en 90% van de opbrengsten weer geïnvesteerd in het agrarisch bedrijf (Oltmer et al., 2009).

Regelgeving voor bouw windmolens complex en versnipperd

Wie een windturbine of windpark wil bouwen, krijgt te maken met wet- en regelgeving. Een initiatiefnemer kan bijvoorbeeld pas subsidie (zoals SDE) aanvragen en overgaan tot realisatie van windmolens, als de vergunning voor de bouw daarvan is verleend. Dat is bepaald geen gemakkelijke opgave, want de regelgeving is complex en versnipperd (Van der Heijden, 2013). In de regel geldt dat de bouw van windturbines moet passen binnen het bestemmingsplan en dat er ten minste een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is. Als het bestemmingsplan die ruimte niet geeft, dan is er ofwel een herziening van het bestemmingsplan nodig, ofwel een omgevingsvergunning om gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken (Van der Heijden, 2013). Daarnaast bestaat een aantal algemene regels ten aanzien van geluidshinder, slagschaduw en lichtschittering, externe veiligheid en verstoring van de werking van radarstations. Verder moet er bij de bouw van windturbines ook worden voldaan aan de regelgeving op het gebied van milieu en natuur. Zo is er een omgevingsvergunning met beperkte milieutoets vereist. Om verstoring van beschermde soorten, in het bijzonder vleermuizen en vogels, te voorkomen is een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (Ffw) of een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) noodzakelijk. Bij een windproject van ten minste 10 windturbines of een gezamenlijk vermogen van ten minste 15 MW geldt een MER-plicht.

Plaatsing windmolens stuit op verzet lokale protestgroepen

Er is dus een omvangrijk en complex pakket aan wet- en regelgeving, waarmee initiatiefnemers op het gebied van windenergie te maken krijgen. Daarnaast stuit het plaatsen van windturbines, zowel op land als op zee, met de regelmaat van de klok op verzet van omwonenden en andere belanghebbenden. Die tegenstand kent vele facetten, onder meer horizonvervuiling, de hierboven geschetste effecten op natuur en milieu (met name op vogels en vleermuizen) en geluidshinder. Een voorbeeld zijn de Veenkoloniën, waar protestgroepen als Tegenwind N33 ageren tegen geluidsoverlast, waardedaling van nabije woningen, slagschaduw, gezondheid en verstoring van het landschap (Trouw, 2012). In zekere zin gaat het hier om een klassiek geval van NIMBY (‘not in my backyard’, oftewel ‘niet in mijn achtertuin’). Mensen zien over het algemeen het belang van windenergie of hernieuwbare energie wel in, maar willen daar zelf geen hinder van ondervinden. Door dergelijke lokale protesten valt nog te bezien of de kabinetsdoelstelling ten aanzien van hernieuwbare energie in 2020 word gehaald.

Literatuur

Agentschap NL en LEI (2011). Energie- en klimaatmonitor Agrosectoren 2011. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/01/25/energie-en-klimaatmonitor-agrosectoren-2011

Berkhout, P. en P. Roza (2012). Landbouw-Economisch Bericht 2012. Rapport 2012-038, LEI Wageningen UR, Den Haag

Bestuurlijke Adviescommissie Vitaal Platteland (2012). Advies commissie Jansen. Brief aan de colleges van Gedeputeerde Staten in de onderscheiden provincies, DIR 05773/2012, 8 oktober, via website: www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl

Boonstra, F.G., L.A.E. Vullings, C. Kwakernaak, R.J. Fontein, W. Kuindersma, C.M. Goossen, M.E. Sanders, E.A. van der Grift, D.A. Kamphorst en G.W.W. Wamelink (2012) Terugblik op het ILG; Kwalitatieve evaluatie van het Investeringsbudget Landelijk Gebied. Wageningen, Alterra-rapport 2371

Buurma, J., M. Ruijs, en A. van der Knijff (2013). Elkaar een toekomst gunnen. Naar een modern en duurzaam teeltareaal glastuinbouw. Den Haag, LEI-nota 13-015

CBS (2013a). Begrippen CBS. Via website: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/begrippen/default.htm?ConceptID=4371

CBS (2013b). Windenergie op land; productie en capaciteit per provincie. Via website: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=70960ned&D1=0,4-9,12&D2=a&D3=a&HD=101220-1119&HDR=T&STB=G1,G2

CBS (2013c). Bodemgebruik; naar gebruiksvorm en gemeente. Via website: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=70262NED&D1=a&D2=0&D3=a&HDR=T&STB=G1,G2&VW=T

CBS, PBL en Wageningen UR (2013). Verbruik van hernieuwbare energie 1990-2011 (indicator 0385, versie 26, 16 januari 2013). Via website: www.compendiumvoordeleefomgeving.nl

Comité van Toezicht Investeringsbudget Landelijk Gebied (2013). 6e Rapportage Comité van Toezicht Investeringsbudget Landelijk Gebied. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/01/17/6e-rapportage-comite-van-toezicht-investeringsbudget-landelijk-gebied.html

Deltacommissie (2008). Samen werken met water; een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst. Via website: http://www.deltacommissie.com/advies

Deltaprogramma (2013). Deltaprogramma . Via website: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/deltaprogramma

Deltares, Planbureau voor de Leefomgeving, KNMI, Centraal Planbureau en LEI (2013). Deltascenario’s 2050-2100; nadere uitwerking 2013. Intern concept-rapport 11 maart 2013

EL&I (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) (2011a). Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/10/06/kamerbrief-onderhandelingsakkoord-decentralisatie-natuur.html

EL&I (2011b). Energierapport 2011. Via website: www.rijksoverheid.nl

EL&I (2012a). Stand van zaken reconstructie zandgebieden. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directie Regio en Ruimtelijke Economie, referentie 264118, 22 maart, Den Haag

EL&I (2012b). Afspraken intensivering Natuur uit Begrotingsakkoord. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Natuur & Biodiversiteit Programma Stelselherziening Natuur, 276297, 4 juni, Den Haag

EZ (Ministerie van Economische Zaken) (2012). Afrondingsovereenkomst ILG Rijk - provincie Drenthe. Den Haag

EZ (2013a). Uitkomst bestuurlijk overleg met provincies en besteding 200 mln. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Directoraat-generaal Natuur & Regio, Directie Natuur en Biodiversiteit, DGNR-NB/13005395, 17 januari, Den Haag

EZ (2013b). Vooruit met Natuurbeleid. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Directoraat-generaal Natuur & Regio, Directie Natuur en Biodiversiteit, DGNR-NB/13033541, 8 maart, Den Haag

EZ (2013c). Beantwoording Schriftelijk Overleg Natuur- en milieueffecten veehouderij inclusief PAS. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Directoraat-generaal Natuur & Regio, Programmadirectie Natura 2000, DGNR-PDN2000/13006643, 4 februari, Den Haag

EZ (2013d). Implementatie Natura 2000. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Directoraat-generaal Natuur & Regio, Programmadirectie Natura 2000, DGNR-PDN2000/12375152, 15 februari, Den Haag

EZ (2013e). Groot Project Ecologische Hoofdstructuur - Vijfde voortgangsrapportage; Rapportagejaar 2011. Den Haag

G7 (De 12 Landschappen, de Federatie Particulier Grondbezit (FPG), de Landbouw- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), Natuurmonumenten, Stichting Agrarisch en Particulier Natuur- en Landschapsbeheer Nederland, Staatsbosbeheer en Vogelbescherming Nederland) (2012). Akkoord uitvoering ganzenbeleid tussen IPO/provincies en de Ganzen 7. Via website: http://www.ipo.nl/files/2413/5731/4299/2012_12_06_definitief_akkoord_ganzenbeleid.pdf

Greenport Holland (2013). Gereedschapskist Modernisering teeltareaal; Instrumenten voor ruimtelijke en economische versterking. Via website: www.modernetuinbouw.nl

Fruitpact (2010). Teeltondersteunende voorzieningen; Een handreiking voor de praktijk. Via website: http://www.fruitpact.nl/publicaties.asp

Heijden, I.M. van der (2013). ‘Windturbines op het land; Milieuregels en vergunningplichten op een rij’. In: Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2013-1

IPO (Interprovinciaal Overleg) (2012). Verdeling 6000 MW windenergie over de provincies. Via website: http://www.ipo.nl/publicaties/verdeling-6000-mw-windenergie-over-de-provincies

IPO (2013). Extra Natuurprojecten 2013. Utrecht

Jacobi, L. , Veldhoven, S. van en J. Klaver (2013). Initiatiefnota Mooi Nederland. Via website: https://www.d66.nl/wp-content/uploads/2013/03/MooiNed_01.pdf

Jongeneel, R. A., B.P. Polman, L.H.G. Slangen, A. Guldemond, E. Hees en E. van Well (2008). ‘Collectieve versus individuele contracten voor natuurbeheer’. In: F.M. Brouwer en G.H.P. Dirkx (red.), Natuur en Landschap in het Landelijk gebied: Kennis voor beleid. WOT studie no 8, p. 44-47, Wageningen

Klooster, M. ten en S. van de Bilt (2009). Kosten en baten windpark op land. Hengelo. Pondera consult

Leneman, H., R. Michels, P. van der Wielen, D. Oudendag, J. Helming, W. van Deursen en S. Reinhard (2012). Economisch perspectief van de PAS; Baten en kosten van de rogrammatische Aanpak Stikstof in Natura 2000-gebieden. LEI-nota 12-070, LEI Wageningen UR, Den Haag

Ministerie van Financiën (2012). Voorjaarsnota 2012. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, BZ/2012/283M, 25 mei, Den Haag

Nieuwe Oogst (2012). Veel interesse voor telen uit de grond. 6 oktober

Oltmer, K., M. van der Voort en A. Terbijhe (2009). Wind voor of wind tegen: windenergie op agrarische bedrijven. Den Haag, LEI Agri-Monitor oktober 2009

Ons Brabant (2013). Slotverklaring Brabantberaad “zorgvuldige veehouderij”. Via webite: http://www.brabant.nl/actueel/nieuws/2013/februari/-/media/6844AAAC5218411AA18689AC42ACB0EA.pdf

PBL (Planbureau voor de Leefomgeving ) (2012). Balans voor de Leefomgeving 2012. Den Haag

Polman, N.B.P., V.G.M. Linderhof, R. Michels, K.H. van de Sandt en T. A. Vogelzang (2012). Landbouw in een veranderende delta; toekomstscenario’s voor zoetwatergebruik. Rapport 2012-032, LEI Wageningen UR, Den Haag

Polman, N.B.P., A.J. Reinhard, W.J. Oliemans, P. van der Wielen en R. Michels (2013). Notitie gedragen effectprotocollen voor beoordeling sectoren in het Deltaprogramma. Den Haag, LEI-nota 12-013

Prins, H. en A.B. Smit, met medewerking van A.H.F. Stortelder (Alterra, onderdeel van Wageningen UR), J.M.G.A. Brokx & J.J.C.M. Hammerstein (2011). Vermaatschappelijking van het GLB; Kunnen Agrarische Natuurverenigingen inspiratie opleveren? Rapport 2011-023, LEI Wageningen UR, Den Haag

Provincie Noord-Holland (2011). Noord-Holland Noord krijgt steun Kamer voor Greenport-status. Via website: http://www.noordholland.nl/web/Actueel/Nieuws/Artikel/NoordHolland-Noord-krijgt-steun-Kamer-voor-Greenportstatus.htm

Rijk, P. (2012). Veilig landen en stijgen op Schiphol - Vergoedingsregeling graanteelt om ganzen te weren. Den Haag, LEI-rapport 2012-045

Rijksoverheid (2013a). Afspraken overleg Rijk en IPO over wind op land van 22 januari 2013. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/01/31/afspraken-over-wind-op-land-met-ipo.html

Rijksoverheid (2013b). Windenergie op land. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/windenergie/windenergie-op-land

Rijksoverheid (2013c). Investeringsbudget Landelijk Gebied afgerond. Via website: www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/11/23/investeringsbudget-landelijk-gebied-afgerond.html

Rli (Raad voor de leefomgeving en infrastructuur) (2013). Onbeperkt houdbaar, naar een robuust natuurbeleid. Den Haag

Silvis, H.J., I.J. Terluin en J.H. Jager (2012). Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2); Samenvattend Verslag 2012. Den Haag, LEI-nota 13-012

SOVON (2012). Vogelbalans 2012 - Thema boerenland. Nijmegen, SOVON Vogelonderzoek Nederland

Teelt de grond uit (2013). Bladgewassen. Via website: http://www.teeltdegronduit.nl/nl/teeltdegronduit/Onderzoek/Bladgewassen.htm

Terbijhe, A., K. Oltmer en M. van der Voort (2009). Spin-off windenergie; een onderzoek naar de economische, duurzaamheids- en regionale effecten van windenergie. Lelystad, Acres - Wageningen UR

Toekomstglb.nl (2013). POP3: naar een nieuw plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland. Via website: http://www.toekomstglb.nl/pop-naar-een-nieuw-plattelandsontwikkelingsprogramma-voor-893.html

Trouw (2012). Leven van de wind. 27 maart

Velden, Nico van der en P. Smit (2012). Energiemonitor van de Nederlandse Glastuinbouw. Rapport 2012-059, LEI Wageningen UR, Den Haag

VROM (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne) (2004). Nota Ruimte; Ruimte voor Ontwikkeling. Den Haag

VVD en CDA (2010). Vrijheid en verantwoordelijkheid; Regeerakkoord VVD – CDA. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/30/regeerakkoord-vvd-cda.html

VVD en PvdA (2012). Bruggen slaan; Regeerakkoord VVD – PvdA. Via website: http://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerakkoord

TOC