De Nederlandse agrosector

3.1 Ontwikkeling van het agrocomplex

In 2011 droeg het Nederlandse agrocomplex iets minder dan 10% bij aan de toegevoegde waarde van de Nederlandse economie en 10% aan de Nederlandse werkgelegenheid (tabel 3.1). Naast de primaire land- en tuinbouw, omvat het complex de verwerking en distributie van agrarische producten en de toelevering van producten en diensten die hiervoor nodig zijn, zoals energie, kunstmest, veevoer en zakelijke dienstverlening. Door verwerking en verhandeling van steeds meer producten die van buiten Nederland worden aangevoerd (per spoor, schip of vrachtwagen) neemt de rol van de agrologistiek toe. In de periode 2001-2011 groeide het aandeel in de totale toegevoegde waarde van het agrocomplex van 18% tot bijna 21%.

Tabel3.1.png

De nominale toegevoegde waarde van het totale agrocomplex (binnen- en buitenlandse agrarische grondstoffen) groeide met 28% van 40,6 mld. euro in 2001 tot 52 mld. euro in 2011. De toename van de nationale toegevoegde waarde was met 32% hoger, zodat het aandeel van het agrocomplex in de nationale economie licht daalde. Deze ontwikkeling komt vooral door het achterblijven van de prijsontwikkeling van land- en tuinbouwproducten bij de gemiddelde prijsstijging in Nederland. Van 2001 tot 2008 daalde het aandeel van het agrocomplex in het nationale totaal. Over 2009-2011 is het gemiddelde aandeel echter weer iets hoger. Dit laat zien dat de effecten van de recessie voor het agrocomplex minder waren dan voor de gemiddelde Nederlandse sector.

De werkgelegenheid in het Nederlandse agrocomplex daalde met 6% tussen 2001 en 2011, tegen een 1% toename van de totale werkgelegenheid in Nederland in deze periode. De groei van de toegevoegde waarde per arbeidsjaar van het totale agrocomplex kwam hierdoor hoger uit dan die van de gemiddelde nationale ontwikkeling.

Tussen 2001 en 2011 genereerde het agrocomplex op basis van binnenlandse grondstoffen een vijfde meer aan toegevoegde waarde met 12% minder arbeidskrachten. De ontwikkeling van de toegevoegde waarde per arbeidsjaar was voor dit onderdeel minder groot dan voor het totale agrocomplex. Naar verhouding groeide de economische bijdrage van het op buitenlandse grondstoffen gebaseerde agrocomplex dus sterker in de onderzochte periode (zie tabel 3.1).

Aandelen van deelcomplexen

Het grondgebonden-veehouderijcomplex is al jaren het belangrijkste deelcomplex in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid (tabel 3.2). Tot 2003 nam zijn aandeel jaarlijks iets af. Door hogere opbrengsten van de rundveehouderij (melkpremies in 2005 en 2006, hoge melkprijzen in 2008) en de zuivelindustrie is de ontwikkeling tot 2009 vervolgens positief, daarna stabiliseerde de bijdrage op rond de 30%. De crisis heeft de glastuinbouw relatief hard getroffen.

Tabel3.2.png

Na een jarenlange stijging van het aandeel, was de bijdrage van het glastuinbouwcomplex aan het totale complex in de periode 2008-2010 een procentpunt lager dan in 2001, maar het jaar daarop laat weer een verbetering zien. De prijzen van akkerbouwproducten waren in 2010 en 2011 relatief hoog, met als gevolg een significante toename van het aandeel van het akkerbouwcomplex in het totale complex vergeleken met de jaren ervoor.

Exportafhankelijkheid

Een substantieel deel van de activiteiten van de agrarische productiekolom heeft te maken met export. De betekenis van die export voor de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van het op binnenlandse agrarische grondstoffen gebaseerde agrocomplex lag tot 2008 rond de 75 à 76%, maar werd hierna minder onder invloed van de door de crisis veroorzaakte lagere buitenlandse vraag (tabel 3.3). Uit de cijfers blijkt verder dat de exportwaarde van het op buitenlandse grondstoffen gebaseerde agrocomplex - met name van veevoer en margarine, oliën en vetten - sterker is toegenomen dan die van het op binnenlandse grondstoffen gebaseerde agrocomplex.

Tabel3.3.png

3.2 Toeleverende industrie

Kunstmest

Nederland is een belangrijke producent en exporteur van kunstmest, vooral van stikstofhoudende meststoffen. In 2011 produceerde Nederland 1,5 miljoen ton stikstofmeststoffen (N) en 122.500 ton fosfaatmeststoffen (P2O5). Van de productie van stikstofmeststoffen wordt meer dan 90% geëxporteerd. De binnenlandse afzet bedroeg in 2011 ruim 214.000 ton N, waarvan 70% kalkammonsalpeter, dat speciaal wordt aangewend op grasland. Hiermee is de sector een belangrijke toeleverancier van de primaire land- en tuinbouw en nauw verweven met de veehouderij. De kunstmestindustrie genereert een omzet van circa 1 miljard euro en biedt werkgelegenheid aan 2.000 personen.

Nederland telt nog een handvol producenten van kunstmest: ICL Fertilizers Europe, OCI Nitrogen, Yara en Rosier Nederland. Alle genoemde bedrijven hebben een buitenlandse moeder. Het laatste Nederlandse kunstmestbedrijf kwam in 2010 in buitenlandse handen. Het betrof DSM Agro, onderdeel van chemieconcern DSM, dat werd overgenomen door het Egyptische bouwbedrijf Orascom Construction Industries (OCI). OCI heeft kunstmestlocaties in het Nederlandse Geleen, in de Verenigde Staten en op het Afrikaanse continent. Er werken 90.000 mensen bij OCI, waarvan 1.000 in Nederland. Het is van oorsprong een bouwbedrijf en via een Belgische dochteronderneming als zodanig ook betrokken bij bouwwerken in Nederland.

Veevoeders

De veevoederindustrie maakt volgens de nomenclatuur van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deel uit van de Voedings- en genotmiddelenindustrie (V&G-industrie). De sector biedt werkgelegenheid aan 8.000 personen, die in 2010 een omzet genereerden van 6,2 miljard euro. Hiermee is de veevoederindustrie de op twee na grootste bedrijfsgroep van de V&G-industrie, na de Zuivelindustrie en de Slachterijen en vleesverwerkende industrie (tabel 3.4). De veevoederindustrie is nauw verweven met deze twee sectoren. Het is een belangrijke toeleverancier van rundvee-, varkens- en pluimveevoeders aan de Nederlandse veehouderij. In de veevoederindustrie is al geruime tijd sprake van schaalvergroting door fusies en overnames, veelal ingegeven door een krimpende markt, vooral door een daling van de varkensstapel. De Nederlandse veevoederindustrie produceert vooral varkensvoeders (40%), gevolgd door pluimveevoeders (27%) en rundveevoeders (24%). Door schaalvergroting kunnen de bedrijfskosten worden verlaagd.

De productie van veevoeders in Nederland bedraagt zo’n 14,5 miljoen ton; dat is nog geen 10% van de totale EU-productie, die in 2011 een omvang had van bijna 152 miljoen ton. In een nog sterk gefragmenteerde Europese markt zijn Denemarken, Frankrijk en Spanje de grootste producenten binnen de EU met een productie van ieder meer dan 20 miljoen ton. Nederland was in 2011 de zesde producent van de EU, net na Italië en het Verenigd Koninkrijk (Fefac, 2012). Fusies en overnames hebben in Nederland geleid tot een aantal grote multinationale ondernemingen die tot de top van Europa behoren. Forfarmers, Agrifirm en De Heus Voeders zijn exponenten daarvan.

Het coöperatieve ForFarmers uit Lochem is ontstaan uit fusies en een reeks van overnames. In 2012 werd 8,63 miljoen ton veevoeders geproduceerd, waarmee een omzet werd behaald van 2,6 miljard euro (ForFarmers, 2013). Het veevoederconcern heeft 40 productielocaties in Nederland, België, Duitsland en Groot-Brittannië. Het veevoederconcern Agrifirm doet met een omzet van 2,3 miljard euro (2011) nauwelijks onder voor haar branchegenoot. Dit concern is in 2010 ontstaan uit een fusie met Cehave Landbouwbelang, waarin 17.500 boeren en tuinders hun krachten hebben gebundeld. Het heeft een coöperatieve historie van meer dan 100 jaar, waarvoor in 2012 het predicaat Koninklijk werd toegekend. De particuliere onderneming De Heus Voeders timmert eveneens al meer dan honderd jaar aan de weg en kreeg daarvoor in 2011 ook het predicaat Koninklijk toegekend. Met 2.600 medewerkers is het concern uit Ede actief in meer dan 50 landen.

Toeleveranciers glastuinbouw

De kassenbouw is als toeleverancier nauw verweven met de glastuinbouw, samen met bedrijven die zich bezighouden met installaties en technische uitrusting. Een groot deel van deze toeleveranciers heeft zich verenigd in AVAG PLUS, de overkoepelende organisatie voor bedrijven die zijn gespecialiseerd in tuinbouwtoelevering en -dienstverlening. AVAG PLUS vertegenwoordigt circa 100 bedrijven en genereert met 6.500 werknemers een omzet van 2,6 miljard euro. De overkoepelende organisatie bestaat uit vier brancheorganisaties. Een van die brancheorganisaties is AVAG, waarin bedrijven die zich bezighouden met kassenbouw, installatie en technische uitrusting zich hebben verenigd. Met een omzet van 1,4 miljard euro, 60 bedrijven en 3.750 werknemers (fte) heeft zij binnen AVAG PLUS het grootste aandeel. De meeste aangesloten bedrijven van AVAG zijn ook in het buitenland actief. Van de totale omzet wordt circa 800 miljoen euro in het buitenland behaald, waarvan ongeveer 480 miljoen euro in Noord-, West- en Zuid-Europa. Daarnaast zijn veel Nederlandse kassenbouwers actief in Rusland, Turkije, Mexico, Oost-Afrika en het Verre Oosten, waar zij een leidende positie hebben. Naar schatting is ongeveer 80% van alle glazen kassen die buiten Europa in gebruik zijn van Nederlandse herkomst. De verwachting is dat vooral in die contreien de omzet verder zal groeien, terwijl die in Nederland gelijk blijft of zelfs licht daalt (Baltussen en Smit, 2013).

De kassenbouw in Nederland heeft het zwaar door de aanhoudend slechte resultaten in de tuinbouw. Hierdoor is het investeringsniveau bij veel kwekers laag, wat op termijn zijn weerslag kan hebben op het innovatieve karakter van de sector (Avag, 2011). Veel kassenbouwers trachten het tij te keren door hun vizier, nog meer dan voorheen, te richten op het buitenland. In de voorbije periode zijn er in de kassenbouw veel overnames, faillissementen en fusies geweest. De moeilijke marktomstandigheden zijn veel bedrijven fataal geworden. De markt voor nieuwbouw van kassen is sinds het hoogtepunt in 2007 sterk teruggevallen. Het aantal afgegeven vergunningen voor nieuwbouw van kassen is historisch laag. In 2012 werden in totaal 49 vergunningen afgegeven tegen een geplande bouwsom van 18 miljoen euro. In 2007 bedroeg het aantal afgegeven vergunningen nog 226 tegen een bouwsom van 278 miljoen euro (CBS, 2013a).

3.3 Voedings- en genotmiddelenindustrie

3.3.1 Omvang

De voedings- en genotmiddelenindustrie (V&G-industrie) behaalde in 2010 een omzet van bijna 59 miljard euro. Daarmee behoort het tot de grootste sectoren van de industrie, die in 2010 een omzet genereerde van bijna 269 miljard euro (tabel 3.4). Het aandeel van de V&G-industrie in de totale omzet van de industrie bedraagt daarmee bijna 22%, terwijl het aandeel in de werkgelegenheid ruim 16% bedraagt. De V&G-industrie telt 4.355 bedrijven, bijna 10% van het totaal aantal bedrijven in de industrie. Ruim de helft (54%) behoort tot de brood- en deegwarenindustrie. Deze sector creëert ook de meeste banen, namelijk 48.000, ofwel 31% van de totale werkgelegenheid in de V&G-industrie. De brood- en deegwarenindustrie is sterk gefragmenteerd. Er komen relatief weinig grote bedrijven voor en ook de gemiddelde omzet per bedrijf is met 1,8 miljoen euro lager dan het gemiddelde van 13,5 miljoen van de V&G-industrie. Daarmee steekt de V&G-industrie als geheel gunstig af tegenover de totale industrie, waar de gemiddelde omzet per onderneming 6 miljoen euro bedraagt.

Tabel3.4.png

Binnen de V&G-industrie tekent zich, gemeten naar omzet, een aantal grote bedrijfsgroepen af. Daartoe behoort de diervoederindustrie, die met 175 bedrijven een omzet genereert van bijna 6,2 miljard euro. De diervoederindustrie is een belangrijke toeleverancier van de primaire land- en tuinbouw en sterk gerelateerd aan de zuivelindustrie en de slachterijen en vleesverwerkende-industrie (zie ook §3.2), van oudsher de twee grootste sectoren binnen de V&G-industrie. Samen maken zij bijna een derde uit van de totale omzet in de V&G-industrie. De zuivelindustrie is in Nederland sterk geconcentreerd, met een marktaandeel van ruim 80% voor het zuivelconcern FrieslandCampina dat door de jaren heen is ontstaan uit de samenvoeging van een aantal grote regionale zuivelondernemingen.

De Nederlandse V&G-industrie is sterk exportgericht, bijna 21 miljard euro (41%) van de omzet wordt in het buitenland behaald, met Duitsland als belangrijkste handelspartner. Dit is exclusief de exportwaarde van de dranken- en tabaksindustrie (genotmiddelenindustrie), die onder de geheimhoudingsplicht van het CBS valt. De meeste voedingsmiddelenbedrijven ondernemen geen buitenlandse activiteiten en zetten hun producten af op de binnenlandse markt. Hoewel een specificatie naar grootteklasse ontbreekt mag worden aangenomen dat dit vooral de kleinere bedrijven betreft. Van het totaal aantal voedingsmiddelenbedrijven zijn er 1.000 die im- en exportactiviteiten ontplooien, naast 125 bedrijven die uitsluitend exporteren. De exportwaarde van deze 125 bedrijven is met 77 miljoen euro echter beperkt (Statline.CBS.nl, 2013). In met name opkomende markten als China en India is de vraag naar Nederlandse bewerkte voedingsmiddelen groot, vooral door de groei van de middenklasse in deze landen. Producten als margarine, sauzen, kindervoeding, koffie, thee cacao en specerijen zijn daar veel gevraagd (ING, 2012).

3.3.2 Fusies en overnames

De markt voor fusies en overnames trekt weer aan, zo luidt de conclusie van deskundigen. Sinds 2007 zat de overname- en fusiemarkt, met uitzondering van een korte opleving in 2010, nagenoeg op slot. In de markt wordt gesignaleerd dat veel potentiële kopers en verkopers met elkaar in gesprek zijn. Hierbij gaat het vooral om grote grensoverschrijdende transacties. Er zit veel geld in de markt, vooral bij bedrijven met een stabiele kasstroom en een lage schuld (FD, 2012). Door de toenemende concurrentie, die merkbaar is in alle geledingen van de keten, zullen voedingsmiddelenbedrijven hun heil zoeken in schaalgrootte. Dit zal leiden tot minder, maar grotere ,bedrijven die op internationale schaal opereren (ING, 2012a).

Bedrijven die willen fuseren of een bedrijf willen overnemen hebben sinds kort te maken met een nieuwe toezichthouder: de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Deze nieuwe Dienst, die op 1 april 2013 officieel van start ging, is een voortzetting van de Consumentenautoriteit, de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Bedrijven die willen fuseren of een ander bedrijf willen overnemen, moesten dit tot 1 april 2013 melden bij de NMa, en nu bij de ACM. De meldingsplicht geldt overigens alleen als de betreffende bedrijven een jaaromzet hebben van meer dan 113 miljoen euro wereldwijd, en ten minste twee van de bedrijven een jaaromzet hebben van minimaal 30 miljoen euro binnen Nederland. De ACM hecht goedkeuring aan de fusie of overname als na controle is gebleken dat het de concurrentie niet in belangrijke mate beperkt (Rijksoverheid.nl, 2013a).

Heineken slaat grote slag in Azië, Plukon neemt InterChicken over

Bierbrouwer Heineken sloeg vorig jaar een grote slag in Azië; voor 5 miljard euro kreeg het volledige zeggenschap over de joint-venture Asia Pacific Breweries (APB) uit Singapore. In deze joint-venture werkte het sinds de oprichting in 1931 samen met het Singaporese handelsconglomeraat Fraser & Neave, waar de laatste de kennis van de lokale markt en zakencultuur inbracht en Heineken zijn kennis over het produceren van bier. Centraal staat hier de gedachte dat kennis een onderscheidend element is van concurrentiekracht. Kennis die leidt tot technologische veranderingen en innovatie is een belangrijke bepalende factor voor de concurrentiekracht van een bedrijf (Van Berkum et al., 2013). Met de overname van APB voegt Heineken 8% aan zijn productievolume toe, waardoor de productie van bier uitkomt op circa 200 miljoen hectoliter. Hiermee is Heineken de derde bierproducent in de wereld, na het Belgisch-Amerikaanse AB Inbev (productievolume 423 miljoen hectoliter) en het Zuid-Afrikaanse SAB Miller (213 miljoen hectoliter), in Nederland eigenaar van Grolsch (FD, 2012a).

Plukon Food Group, onderdeel van Gilde Buy-Out Fund III, kreeg van de NMa goedkeuring branchegenoot InterChicken over te nemen. Plukon houdt zich bezig met het inkopen, slachten en verwerken van pluimvee en de handel in en verwerking van pluimveeproducten voor het groot- en detailhandelskanaal. Zijn marktaandeel in Nederland is circa 50%. InterChicken koopt halffabricaten in die het bewerkt, verpakt, etiketteert en levert aan de detailhandel. InterChicken maakte deel uit van MYWO Food Group. Met de overname van InterChicken door Plukon voegt het pluimveeconcern uit Wezep 115 miljoen euro toe aan haar omzet, die nu een omvang heeft van 1,4 miljard euro. De onderneming heeft 4.100 werknemers op de loonlijst, verdeeld over 14 productielocaties in binnen- en buitenland (Plukon-InterChicken, 2013). Het ontbreken van een eigen slachterij en de voortgaande concentratie in de detailhandel noodzaakte InterChicken zich aan te sluiten bij een grotere partij, die uiteindelijk is gevonden in Plukon.

Overname van koffiebrander DE Master Blenders en voedingsmiddelenconcern H.J. Heinz

Koffiebrander DE Master Blenders 1753 (DE) wordt voor 7,5 miljard euro overgenomen door de Duitse investeringsmaatschappij Joh. A. Benckiser (JAB). DE werd vorig jaar losgemaakt van de Amerikaanse moedermaatschappij Sara Lee en kreeg een beursnotering in Amsterdam. De overname is de grootste van een Nederlands bedrijf sinds 2007, toen Numico voor ruim 12 miljard euro overging naar het Franse Danone.

Opzien baarde de overname van voedingsmiddelenconcern H.J. Heinz. De in beleggerskringen bekende miljardair Warren Buffet en de Braziliaanse investeringsgroep 3G, ook eigenaar van hamburgerketen Burger King, namen voor 28 miljard dollar Heinz over. Met een omzet van circa 11 miljard euro en 33.000 werknemers is deze multinational actief in 200 landen en één van de grotere voedingsmiddelenconcerns in de wereld. Heinz, met het hoofdkantoor in Pittsburgh, heeft ook productiefaciliteiten en een onderzoekscentrum in Nederland. In Elst wordt sinds 1958 Heinz Sandwich Spread en Heinz Tomato Ketchup geproduceerd. Daarnaast voert het bekende (lokale) A-merken, waaronder De Ruijter, Venz en Roosvicee. In Nijmegen werd onlangs het nieuwe Europese onderzoekscentrum geopend, waar Heinz samen met kennisinstellingen en andere bedrijven gaat samenwerken om nieuwe voedingsconcepten te ontwikkelen of voeding verder te verbeteren (Rijksoverheid.nl, 2013). De overname van Heinz zelf is de op één na grootste ooit in de voedingsmiddelenindustrie, na de inlijving van het Amerikaanse Best Foods door Unilever in 2000.

Nieuwe grote zuivelfabriek in de maak

De Nederlandse A-ware Food Group en de Nieuw-Zeelandse zuivelmultinational Fonterra kondigden vorig jaar aan hun kennis te bundelen bij de bouw van een kaas- en ingrediëntenfabriek, op basis van een samenwerkingsovereenkomst voor onbepaalde tijd (A-ware, 2012). Het familiebedrijf A-ware, in 2010 ontstaan uit een fusie tussen de kaashandelaren Anker Cheese en Bouter Cheese, is actief in het rijpen, versnijden, verpakken, opslaan en transporteren van kaasproducten. Het gaat hierbij om circa 200.000 ton kaas op jaarbasis. De onderneming genereerde in 2012 met 1.700 vaste medewerkers een omzet van 1,2 miljard euro en behoort daarmee tot de grootste in zijn soort. Fonterra is met een omzet van 19,8 miljard NZ-dollar en ruim 17.000 werknemers één van de grootste zuivelondernemingen in de wereld. Dit van oorsprong Nieuw-Zeelandse bedrijf verkoopt producten in meer dan 100 landen.

In 2014 wil A-ware zelf kaas gaan produceren. Hiertoe zal het onlangs in Almere neergestreken familiebedrijf een kaasfabriek bouwen in Heerenveen, die eind 2014 operationeel moet zijn met een capaciteit van 60.000 tot 80.000 ton kaas. Fonterra zal voor eigen rekening een ingrediëntenfabriek bouwen, naast die van de kaasfabriek van A-ware, waar hoogwaardige bestanddelen uit wei zullen worden gemaakt. Voor de kaasproductie is in eerste instantie jaarlijks circa 700 miljoen liter melk nodig, met de mogelijkheid tot uitbreiding tot 2 miljard liter (Boerderij vandaag, 2013a). Voor de toelevering van melk heeft A-ware zich verzekerd van NoorderlandMelk, een afzetcoöperatie van melkveehouders die in 2007 de handen ineen hebben geslagen, en die zo’n 120 miljoen liter melk produceren (Boerderij vandaag, 2012). Voor de nog ontbrekende melk doet NoorderlandMelk een beroep op melkveehouders uit Groningen, Friesland en Drenthe zich aan te sluiten bij de coöperatie (NoorderlandMelk, 2013). De vrees bestaat echter dat er flink meer melk geproduceerd gaat worden met lagere kaas- en melkprijzen tot gevolg (www.profnews.nl, 25-2-2013).

Ook FrieslandCampina roert zich op de kaasmarkt. De grootste zuivelonderneming van Nederland heeft kaasspecialist Zijerveld uit Bodegraven overgenomen van MYWO Food Group. Daarmee zal FrieslandCampina ruim 400 miljoen euro kunnen toevoegen aan zijn omzet, die in 2012 10,3 miljard euro bedroeg (tabel 3.3). Zijerveld heeft 300 mensen in dienst en blijft zelfstandig opereren met behoud van zijn eigen identiteit (FrieslandCampina, 2013).

Vleesverwerker VION in de verdrukking

Dat niet alle overnames en fusies tot een succes leiden leert de geschiedenis van VION. Deze vleesverwerker ontwikkelde zich in het afgelopen decennium tot de grootste vleesverwerker van Europa, vooral door overnames van concurrerende bedrijven in Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië. In betrekkelijk korte tijd had deze van oorsprong Brabantse onderneming, eigendom van de ZLTO, zich belangrijke posities verworven in genoemde landen. De opmars van één van de grootste voedingsmiddelenconcerns van Nederland (tabel 3.5) begon in 2002 met de overname van Moksel, het grootste particuliere slachterijbedrijf van Duitsland, in 2004 gevolgd door de overname van Dumeco, de grootste slachterij van Nederland. De laatste overname van importantie was die van het Britse Grampian Foods Group in 2008. Met deze overname van een al jaren verlieslijdend vleesconcern vond VION bijna zijn Waterloo. VION behaalde met zijn vleesactiviteiten in Groot-Brittannië, die waren ondergebracht in VION Food UK, een omzet van ruim 1,3 miljard euro, waarmee het marktleider was.

VION opereert in een markt waar sprake is van overcapaciteit in de slachterijen en de vleesverwerking, de marges onder druk staan, de varkensprijzen (inkoop) explosief zijn gestegen en de supermarkten niet bereid zijn al te veel voor het vlees te betalen. Bovendien hebben de supermarkten de betalingstermijn opgerekt waardoor VION cashflow-problemen kreeg (Volkskrant, 2012).

VION is een reorganisatie traject ingegaan waarbij alle food-activiteiten in het Verenigd Koninkrijk zijn verkocht en ook afscheid zal worden genomen van een aantal niet-kernactiviteiten. De onderneming gaat zich in de toekomst volledig richten op Food in Nederland en Duitsland, en Ingredients wereldwijd (VION, 2012). Inmiddels heeft VION bekend gemaakt dat voor Ingredients, dat 6.000 medewerkers telt en een sterke en gezonde zelfstandige financiële basis heeft, een nieuwe (mede)aandeelhouder wordt gezocht, die een verdere ontwikkeling en groei kan helpen realiseren (VION, 2013). Dat VION in afgeslankte vorm verdergaat heeft ook gevolgen voor de werkgelegenheid, ook bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO), met circa 18.000 leden de enige

Tabel3.5.png

aandeelhouder van VION. Als gevolg van het teruglopend aantal leden en verlies op participaties zal het personeelsbestand van 186 fte met 30% worden ingekrompen (ZLTO, 2012).

CSM desinvesteert

CSM heeft zijn divisie bakkerij-ingrediënten, met activiteiten in Europa en Noord-Amerika, afgestoten. Voor ruim 1 miljard euro is deze divisie in handen gekomen van het Amerikaanse private equity bedrijf Rhône Capital L.L.C., dat ook de bedrijfsnaam CSM verwierf. Met de verkoop van de bakkerijdivisie verliest CSM ruim driekwart van zijn omzet, in 2012 goed voor ruim 3,3 miljard euro (tabel 3.3). De verkochte divisie behaalde in 2012 met 8.220 werknemers een omzet van 2,6 miljard euro. CSM is nu nog wereldmarktleider in bakkerij-ingrediënten en een wereldspeler op het terrein van bioplastics. De onderneming is actief in 28 landen in Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Azië en Afrika (CSM, 2013). Als de mededingingsautoriteiten hun feitelijke goedkeuring geven aan de overname, zal het huidige CSM zich onder een nieuwe bedrijfsnaam volledig transformeren tot een biotech-onderneming. Met de levering van bio-plastics wordt nu een omzet behaald van 700 miljoen euro. Met de opbrengst van de verkoop van de bakkerijdivisie zullen de activiteiten in biotech-activiteiten worden uitgebreid.


Convenanten

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, bewaakt de gezondheid van dieren en planten, het dierenwelzijn en de veiligheid van voedsel en consumentenproducten, en handhaaft de natuurwetgeving, zo luidt haar missie (www.vwa.nl). In haar streven naar nieuwe vormen van toezicht wil de NVWA bedrijven meer verantwoordelijkheid geven met betrekking tot veilig voedsel of veilige producten en hen de mogelijkheid bieden een deel van de controles zelf te organiseren. Hierbij moet het betreffende bedrijf hebben aangetoond een goed werkend zelfcontrolesysteem te hebben ontwikkeld, waarbij ook verantwoordelijkheid wordt genomen voor de naleving van wet- en regelgeving. Om het een en ander in goede banen te leiden kan het bedrijf een convenant sluiten met de NVWA, waarin het bedrijf en de toezichthouder hun gezamenlijke inspanning voor een optimale naleving van de wettelijke veiligheidseisen bekrachtigen. Het voordeel is dat wanneer de afspraken uit het convenant goed worden nageleefd en het vertrouwen van de NVWA niet wordt beschaamd, de betreffende onderneming minder inspecties kan verwachten van de NVWA. Deze kan zich dan meer kan richten op bedrijven die dat wel behoeven. In het kader van dit vernieuwde toezicht hebben al diverse voedingsmiddelenbedrijven een dergelijk convenant afgesloten, waaronder Lamb Weston/Meijer, VION, Perfetti van Melle en Cargill.

3.4 Groothandel

De groothandel in agroproducten is met een omzet van ruim 103 miljard euro, 110.000 werknemers en bijna 14.000 bedrijven een belangrijk onderdeel van het agrocomplex (tabel 3.6). De groothandel in voedingsmiddelen is binnen die categorie met ruim 67 miljard euro het sterkst vertegenwoordigd. De groothandel in landbouwproducten en levende dieren is sterk op het buitenland gericht, bijna de helft van de omzet (47%) komt uit export, tegenover bijna een derde voor de groothandel in voedingsmiddelen. De sector wordt gekenmerkt door fusies en overnames. De groothandel in zijn totaliteit is desondanks nog sterk gefragmenteerd. De gemiddelde omzet van de bedrijven in de groothandel in landbouwproducten en levende dieren bedraagt ruim 6 miljoen euro, de gemiddelde personeelsbezetting ruim 5 personen. Ruim de helft (55%) van het aantal bedrijven betreft eenmanszaken, slechts 15 bedrijven hebben 100 werknemers of meer. In de groothandel in voedingsmiddelen bedraagt de gemiddelde omzet circa 9 miljoen euro en telt de doorsnee onderneming 10 werknemers. Bijna 85 ondernemingen hebben 100 werknemers, vooral onder invloed van de foodservicegroothandel, die wel sterk is

Tabel3.6.png

geconcentreerd en waar de 10 grootste ondernemingen circa 70% van de markt in handen hebben (ING, 2013).

Groothandel bloemen en planten in zwaar weer

De groothandel in bloemen en planten behaalde in 2010 een omzet van ruim 9 miljard euro (tabel 3.6). De sector is sterk gericht op het buitenland, bijna 65% van de omzet komt uit export. Bloemen en planten zijn niet de grootste exportproducten, maar Nederland heeft zich er wel het meest in gespecialiseerd. Veel bloemen en planten die in het buitenland worden gekweekt, komen naar Nederland om hier te worden geveild. Daarna worden ze door handelaren weer geëxporteerd. Deze producten maken ruim 2% van de Nederlandse export uit, tegenover 0,1% bij de andere Europese landen (CBS, 2011). De sector is sterk in beweging. Fusies, overnames en faillissementen zijn bijna aan de orde van de dag. Het aantal bedrijven neemt af, maar de groothandel als geheel bestaat desondanks nog uit veel (kleine) bedrijven. De bloemenhandel kampt met hoge kosten, lage marges, dalende consumentenbestedingen en een slechte betalingsmoraal van vooral Zuid-Europese landen als gevolg van de crisis. Om te overleven zoeken veel kleine en middelgrote bedrijven aansluiting bij een strategische partner (FD, 2012b).

Dat er ook bedrijven zijn die in het huidige marktklimaat niet overleven, blijkt uit het faillissement van twee grote bloemengroothandelaren dit jaar: Ciccolella Holding en Florimex, beiden uit De Kwakel.

Ciccolella was met 250 werknemers en een omzet van 230 miljoen euro de derde bloemenhandelaar van Nederland. Het bedrijf stond tot 2006 bekend onder de naam Zurel, tot in dat jaar het Italiaanse Ciccolella Spa het bedrijf overnam en zijn eigen nam gaf aan de onderneming uit De Kwakel. Ciccolella kreeg te maken met een sterk teruglopende vraag van bloemen uit Italië, het belangrijkste marktgebied. Ook de vraag uit enkele andere EU-landen nam fors af, wat leidde tot miljoenen verliezen. Het moederbedrijf in Italië besloot uiteindelijk de banden met de Nederlandse dochter door te snijden, met een faillissement tot gevolg.

Florimex was met een omzet van 200 miljoen euro op jaarbasis de vierde op de ranglijst van grootste bloemgroothandelaren van het land. De onderneming bestaat sinds 1925 en is van oorsprong een Duits familiebedrijf. In 1970 opende het een vestiging in Nederland en in 2002 verhuisde het hoofdkantoor naar De Kwakel. In 2005 kwam Florimex in handen van de Nederlandse participatiemaatschappij Bencis Capital Partners. Met het faillissement van Florimex en dochterondernemingen verliezen 350 werknemers hun baan. De onderlinge concurrentie en de toenemende inkoopmacht van supermarkten en tuincentra hebben uiteindelijk Florimex de das om gedaan.

3.5 Detailhandel

3.5.1 Ontwikkelingen in de detailhandel

De omzet van de detailhandel in voedings- en genotmiddelen nam in 2012 met 2,3% toe ten opzichte van 2011. Dit was vooral toe te schrijven aan de prijzen, die met gemiddeld 2,2% stegen. Het volume nam slechts toe met 0,1%. De supermarkten doen het traditioneel beter dan de speciaalzaken in voedings- en genotmiddelen. De omzet van de supermarkten steeg met 3% . De speciaalzaken zagen voor het zoveelste jaar op rij hun omzet dalen, dit keer met 2,4%. Overigens deed de detailhandel in voedings- en genotmiddelen het vorig jaar beter dan de non-foodwinkels, die met een 3,8% lagere omzet genoegen moesten nemen. Vooral de winkels in wooninrichtingartikelen en doe-het-zelfwinkels deden het slecht. Hun omzetten liepen terug met respectievelijk 7,8 en 6,6%. Postorderbedrijven en internetwinkels daarentegen deden het in 2012 bijzonder goed. Hun omzet steeg met 9% (CBS, 2013).

Het verschil in groeiontwikkeling tussen de detailhandel in food en de detailhandel in non-food blijft de komende jaren groot. Voor winkels in non-food wordt voor dit jaar een 2,5% lagere omzet voorzien en voor 2014 bedraagt de omzetdaling naar verwachting 1,5%. Vooral de non-foodwinkels hebben last van de btw-verhoging van het hoge tarief van 19 naar 21% per 1 oktober 2012. Het lage btw-tarief van 6%, dat geldt voor voedingsmiddelen, bleef ongewijzigd.

De supermarkten hebben slechts beperkt te maken met deze tariefsverhoging. De verhoging van het hoge btw-tarief drukt alleen op non-food-artikelen en alcoholische dranken, ongeveer 15% van de verkopen in supermarkten (ING, 2012b). Supermarkten zien hun omzet dit jaar naar verwachting toenemen met 1,8% en in 2014 met 1,6%, dankzij prijsstijgingen.

Speciaalzaken krijgen naar verwachting ook dit jaar en volgend jaar te maken met een omzetdaling van respectievelijk 2,0 en 1,5%. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door het wegvloeien van omzet naar de supermarkt, maar ook door een daling van het aantal verkooppunten. Overigens doen niet alle speciaalzaken het slecht. Zo neemt het aantal viswinkels, winkels in buitenlandse voedingsmiddelen en winkels in specialiteiten als koffie en thee nog wel toe (ING, 2013a).

Steeds meer winkels open op zondag

Het aantal supermarkten dat op zondag open is, groeit explosief. Waren er in 2009 nog 300 supermarkten op zondag open, eind 2012 was dit aantal gestegen tot bijna 1.100. Dat is bijna een kwart van alle supermarkten. Albert Heijn, marktleider in Nederland (tabel 3.7), heeft iedere zondag circa 400 winkels open. Dat is ongeveer de helft van het aantal AH-winkels en een verdubbeling ten opzichte van drie jaar geleden. Jumbo volgt met ruim 100 winkels die op zondag open zijn. Plus heeft 90 winkels open van in totaal 255 supermarkten, tegenover 14 drie jaar geleden.

Ook supermarkten die in 2009 uit principiële overwegingen of om andere redenen op zondag gesloten waren, openen steeds vaker de winkels. De van oorsprong Duitse discounter LiDL heeft nu 67 van de 357 vestigingen op zondag open, tegenover nog 6 in 2009. Hetzelfde geldt voor regionale supermarktketens, zoals Jan Linders met 25 van de totaal 61 winkels open op zondag, Poiesz 10 van de 52 en Vomar 32 van de 56. Alleen Boni doet niet mee. Alle 37 vestigingen van deze regionale supermarktketen houden hun deuren zondag op slot.

De zondagsopening staat ook regelmatig op de politieke agenda. Afhankelijk van de stroming van de politieke partij wil men de zondagsopenstelling vrijlaten, tegengaan, beperken of overlaten aan de besluitvorming van de gemeenten. Weliswaar is de omzet die op zondag wordt behaald met 518 miljoen euro nog enigszins beperkt, hij groeit wel jaarlijks met dubbele cijfers (Distrifood, 2012).

Huismerken zetten de toon

Onderzoek wijst uit dat de consument nauwelijks het verschil ziet tussen de verschillende supermarktketens (ABN-AMRO, 2012). Om zich te onderscheiden van de concurrenten

Tabel3.7.png

zetten veel supermarkten steeds meer huismerken in, producten die bovendien 25% meer marge opleveren en ook nog eens gemiddeld 15% goedkoper zijn dan A-merken, iets wat consumenten in tijden van economische crises en dalende koopkracht opvalt. Naast huismerken worden ook streekproducten, biologische producten en meer non-foodartikelen in het assortiment opgenomen, producten met een hogere marge dan de 2% die supermarkten gemiddeld halen.

Uitbreiding van het assortiment met deze producten moet zowel de omzet als de winstgevendheid stimuleren. Nu nog wordt ruim een kwart van alle producten in de supermarkt onder huismerk verkocht. Naar verwachting zal het aandeel huismerken de komende jaren doorgroeien naar 45% (FD, 2012c). Selectieve distributie, ofwel het exclusief leveren van merkproducten (uitgezonderd merkartikelen die wereldwijd worden verkocht) aan een specifieke supermarkt, moet voor de merkartikelenfabrikanten het leed van de toenemende populariteit van huismerken enigszins verzachten. Exclusieve distributie biedt de detaillist de mogelijkheid hogere marges te bedingen en zich te onderscheiden van de concurrentie die het product niet voert. Zo levert H.J. Heinz al sinds 2008 Brinta-brood exclusief aan supermarktketens die inkopen via Superunie; sinds kort levert Heinz ‘Nieuwe Oogst ketchup’ exclusief aan Albert Heijn. Unilever levert al langer Blueband Goede Start-brood exclusief aan Albert Heijn, evenals het margarinemerk Lätta. Bierbrouwer Bavaria produceert exclusief Dors bier voor Jumbo en bierbrouwer Grolsch De Klokbier voor C1000 (FD, 2012d).

Jumbo opent megasupermarkt

In Breda heeft Jumbo de grootste supermarkt van Nederland geopend: Jumbo Foodmarkt, een combinatie van een overdekte markt, een cateraar, een horecagelegenheid en een supermarkt. Met een vloeroppervlakte van 6.000 m2 is deze uit de kluiten gewassen Foodmarkt vijf keer groter dan een gemiddelde Nederlandse supermarkt, terwijl het assortiment van 35.000 producten ruim dubbel zo groot is. Naar Amerikaans voorbeeld zijn in de supermarkt tientallen koks en vakspecialisten aanwezig, waaronder diëtistes, die ter plekke nationale en internationale gerechten bereiden en kookinstructies en voedingsadviezen geven. Klanten kunnen de gerechten kant-en-klaar mee naar huis nemen of ter plekke eten in het zogenoemde Foodmarkt Café (Jumbo Supermarkten, 2013). In de supermarkt, die werkgelegenheid biedt aan 430 medewerkers, ligt het accent op vers; hier is 700 m2 vloeroppervlakte AGF voor vrijgemaakt. Voor het aanleveren van AGF-producten zijn contracten afgesloten met 15 tot 20 telers uit de omgeving van Breda. Jumbo Foodmarkt zet hoog in op streekproducten. De supermarkt biedt producenten uit de omgeving de mogelijkheid hun waren aan te bieden. Met een varkenshouder en een molenaar zijn contracten gesloten voor de levering van vlees en meel. Jumbo mikt op een verspreidingsgebied van circa 30 kilometer, waardoor het veel klanten hoopt te trekken uit Rotterdam en België (Boerderij Vandaag, 2013).

3.5.2 Ontwikkeling van producenten- en consumentenprijzen voor voedsel

De producentenprijzen voor landbouwproducten in Nederland - behalve die voor melk - laten op de lange termijn een trendmatige daling zien (fig. 3.1). De laatste jaren zijn de prijzen vanwege de schaarste op de wereldmarkt fors aangetrokken. Rekening houdend met een inflatie van 2-3% per jaar, is er nog wel steeds sprake van een reële daling. Die ontstaat doordat het aanbod van landbouwproducten de neiging heeft de vraag te overtreffen. Daar zijn tal van redenen voor, zoals nieuwe technische mogelijkheden die de productiviteit verhogen; voor de individuele boer is het aantrekkelijk mee te gaan in de technische ontwikkelingen omdat hij zo de productiekosten kan drukken. De hogere productiviteit gaat gepaard met een tendens tot verhoging van de productie, waardoor het aanbod nog groter wordt en de prijzen nog lager. Door de instelling van de melkquotering in 1984 is vergroting van het melkaanbod niet meer mogelijk, wat zich heeft vertaald in een gunstiger prijsontwikkeling. Als de melkquotering in 2015 wordt afgeschaft, kan worden verwacht dat ook de prijs van melk zich op de langere termijn net zo gaat gedragen als die van de overige landbouwproducten.

In tegenstelling tot de langetermijnontwikkeling van de producentenprijzen, vertoont de consumentenprijs voor voedingsmiddelen in Nederland een trendmatige stijging (fig. 3.1). Deze uiteenlopende beweging ontstaat doordat landbouwproducten voor ze de consument bereiken een aantal bewerkingen ondergaan, zoals bereiding, verpakking en transport. De kosten van die schakels in de keten zijn in de loop van de tijd toegenomen, vooral door de stijging van de lonen en energieprijzen (Agrarisch Dagblad, 2010).

7166.png

Daardoor is het aandeel van de producentenprijs in de consumentenprijs gezakt van zo’n 40% in 1960 naar ongeveer 20% nu, en drukt de prijsontwikkeling in de overige schakels van de keten een steeds zwaarder stempel op de ontwikkeling van de consumenten­prijzen. Ook hier geeft de consumentenprijs voor melk een afwijkend beeld te zien: deze prijs lijkt globaal de ontwikkeling van de producentenprijs te volgen. Winkeliers nemen bij de verkoop van dagverse melkproducten genoegen met een kleine marge om zo klanten te trekken (Bakker en Dagevos, 2013).

Stijgingen in producentenprijs veel sneller merkbaar in consumentenprijs dan dalingen

Ook al is het aandeel van de producentenprijs in de consumentenprijs dan beperkt, dat wil niet zeggen dat de consumentenprijs ongevoelig is voor fluctuaties in de producentenprijs. Zodra de producentenprijs gaat stijgen, zal de winkelier geneigd zijn de consumentenprijs ook te verhogen om de negatieve schok in zijn marge teniet te doen (Bunte et al., 2009). Een aantal overwegingen kan hem hier echter van weerhouden, zoals het minimaliseren van de kosten van het aanpassen van de prijzen van levensmiddelen, het voorkomen van bederf van kort houdbare producten, en een mogelijke voorkeur voor een constante prijs voor producten met frequente prijsfluctuaties (EC, 2009). Bij een daling van de producentenprijs zal een winkelier zo lang mogelijk proberen om te blijven profiteren van de grotere marge voordat hij overgaat tot een verlaging van de consumentenprijs (Bunte et al., 2009). Onderzoek in de EU-27 wijst uit dat in de periode 2007-2009 verhogingen in de producentenprijzen gemiddeld genomen direct merkbaar zijn in een hogere consumentenprijs, terwijl consumenten-prijzen met een vertraging van zo’n zes maanden reageren op verlagingen in de producentenprijzen (EC, 2009).

3.6 Horeca

De horeca telt ruim 43.600 bedrijven, die werkgelegenheid bieden aan bijna 352.000 werknemers (www.KHN.nl). Door de dalende koopkracht van de huishoudens staan de bestedingen in de horeca onder druk. Huishoudens geven jaarlijks ruim 11 miljard euro uit in restaurants, cafetaria’s, lunchrooms, fastfoodrestaurants en cafés (tabel 3.8); dat is ongeveer een kwart van de totale consumptieve bestedingen aan voedings- en genotmiddelen. Vorig jaar steeg de omzet in de horeca weliswaar met 1,5%, maar dit kwam vooral door de prijsstijging van 1,8%. Het volume daalde met 0,3%. Wordt gekeken naar de afzonderlijke sectoren van de horeca, dan blijkt dat de restaurants er vorig jaar nog enigszins uitsprongen. Hun omzet nam toe met 3,1%, deels door prijsverhogingen, maar ook door een groei van het volume met 1,2%. Cafetaria’s, snackbars, lunchrooms, fastfoodrestaurants, ijssalons zagen hun omzet ook toenemen, maar vooral door de prijsverhoging met 2,4%. Het volume daalde met 0,6%. Voor de cafés was het wederom afzien. Het volume daalde met 3,9%. Door de prijsstijging van 2,4% bleef de omzetdaling met 1,6% nog enigszins beperkt (CBS, 2013b). Voor 2013 wordt wederom een daling van het volume verwacht van 1%.

Ondanks omzetvermindering menen veel horecaondernemers hun prijzen te moeten verhogen wegens stijgende inkoopkosten, accijnsverhogingen en een verhoging van de btw. Vooral in de drankensector tikt dat aan omdat 80% van de omzet is gebaseerd op de verkoop van goederen tegen het hoge btw-tarief (ING, 2012c). Ook zijn er ondernemers die hun prijzen juist verlagen om zo hun gasten vast te houden, bijvoorbeeld in de restaurantsector. De kennis en kunde van de horecaondernemers geeft de doorslag in een veranderende markt, waar restauranthouders te maken hebben met detailhandelsbedrijven die hun maaltijdaanbod steeds meer uitbreiden (ING, 2013b).

Tabel3.8.png

De expansie van fastfoodketen McDonald’s bewijst dat het niet overal kommer en kwel is in de horeca. McDonald’s is in Nederland met een omzet van 647 miljoen euro in 2012 de grootste horecaonderneming, vóór Van der Valk Hotels & Restaurants dat (in 2011) een omzet behaalde van 537 miljoen euro. McDonald’s ziet zijn aandeel groeien in een markt waar het aantal bezoeken aan fastfoodzaken vorig jaar met 7% afnam. McDonald’s wil de komende drie jaar vijftien nieuwe vestigingen openen in Nederland, bovenop de 230 die het nu al exploiteert. De van oorsprong Amerikaanse fastfoodketen biedt in Nederland werkgelegenheid aan 17.000 personen; door de opening van de nieuwe zaken komen er nog eens 1.200 banen bij (FD, 2013).

3.7 Consumptie van voedings- en genotmiddelen

3.7.1 Algemeen

Huishoudens besteedden in totaal in 2011 271,1 miljard euro, ruim 1% meer dan het jaar ervoor. Aan voedings- en genotmiddelen werd 40,6 miljard euro uitgegeven, waarvan 25,5 miljard euro aan voedingsmiddelen en 15,2 miljard euro aan genotmiddelen. De totale bestedingen aan voedings- en genotmiddelen lagen in 2011 bijna 2% hoger dan in 2010. De Nederlandse consument gaf in 2011 15% van zijn inkomen uit aan voedings- en genotmiddelen, nagenoeg evenveel als in 2009 en 2010 (tabel 3.9). Het aandeel van enkel voeding is ongeveer 9,5%.

Tabel3.9.png

Stijgende uitgaven vlees en vleesproducten

Huishoudens geven ieder jaar meer uit aan vlees en vleesproducten. In 2011 ging het om 5,8 miljard euro, ruim 5% meer dan in 2007 (tabel 3.9). In 2012 werd wederom meer uitgegeven (40 miljoen euro), ondanks economisch slechte tijden met dalende koopkracht. De consumptie daalde wel licht. De hogere uitgaven waren vooral een gevolg van een stijging van de grondstoffenprijzen, die werden doorberekend aan de consument. Het ging vooral om varkensvlees en rundvlees. Ook waren er vorig jaar minder acties in supermarkten, die normaal gesproken een prijsdalend effect hebben. De hogere uitgaven lijken ook een gevolg van de stijgende vraag naar meer duurzame en dus duurdere producten (PVE, 2013).

Zoutinname nog te hoog

In Nederland is de gemiddelde zoutinname van volwassenen 8,7 gram per dag (9,9 gram voor volwassen mannen en gemiddeld 7,5 gram voor volwassen vrouwen). Dat is 1,5 keer de hoeveelheid die de Gezondheidsraad als maximum adviseert. Een te hoge zoutinname vergroot het risico op het ontstaan van hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Vanwege de negatieve gezondheidsaspecten wil de overheid dat het voor de consument makkelijker wordt om gezondere voedingsmiddelen te kiezen. Van de berekende zoutinname is 79% afkomstig uit gekochte voedingsmiddelen, de rest voegt de consument zelf toe tijdens de bereiding van gerechten en aan tafel.

Om het zoutgehalte in bewerkte levensmiddelen te verlagen is op initiatief van de brancheorganisatie Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) in 2007 een Taskforce Zout in Levensmiddelen in het leven geroepen, met vertegenwoordigers van individuele bedrijven en van brancheorganisaties. De doelstelling is gemiddeld 20 tot 30% minder zout in bewerkte voedingsmiddelen in 2015. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) doet in samenwerking met het RIVM en het Voedingscentrum sinds 2009 jaarlijks onderzoek naar het zoutgehalte in levensmiddelen. Hoewel in vele sectoren activiteiten plaatsvinden om het zoutgehalte van voedingsmiddelen te verlagen, waarbij de ene sector wat actiever is dan de andere sector, is dit tussen 2009 en 2011 nauwelijks veranderd. Soms zit er in een levensmiddel uit een productgroep minder zout, maar daar staat vaak weer een ander product tegenover dat zouter is geworden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij verschillende soorten chips. Ook zijn er nog steeds verschillen in zoutgehaltes in vergelijkbare producten van verschillende fabrikanten (NVWA, 2012).

Bedrijven hebben plannen ontwikkeld om zich de komende jaren extra in te spannen om het zoutgehalte van vleeswaren, kaas, hartige snacks, sauzen, soep, kant-en-klaarmaaltijden, pizza’s en bewerkte visproducten stapsgewijs (verder) aan te passen. Als alle voorgenomen plannen uitgevoerd zouden worden, zou een daling van de zoutinname met 9% haalbaar moeten zijn (RIVM, 2013). Overigens heeft de World Health Organization (WHO) in 2013 een nieuwe richtlijn uitgevaardigd, gebaseerd op een zoutinname van minder dan 5 gram per dag. De vorige richtlijn was gebaseerd op een maximale zoutinname van 6 gram zout per volwassene per dag (WHO, 2013).

3.7.2 Biologische voeding

De bestedingen aan biologische voedingsmiddelen zitten in de lift. In 2011 gaven consumenten totaal voor 881 miljoen euro uit aan biologisch voedsel in alle verkoopkanalen samen: supermarkten, speciaalzaken, horeca, catering, huisverkoop, boerenmarkten en webwinkels. De bestedingen waren in 2011 ruim 17% hoger dan in 2010, toen consumenten 752 miljoen euro uitgaven aan biologische producten. Hiermee neemt de groei van biologische producten veel sterker toe dan de bestedingen aan gangbare producten, die in 2011 met 2,4% zijn gestegen. Desondanks is het marktaandeel biologische producten met 2% nog beperkt. Aardappelen, groenten en fruit (AGF) en zuivel zijn de twee productgroepen waaraan het meest wordt uitgegeven, namelijk respectievelijk 20,2 en 18,8% van de bestedingen in 2011. De productgroep vlees, vleeswaren en vleesvervangers volgt met 14,4%.

De meeste uitgaven vinden plaats in supermarkten. Van elke euro besteed aan biologische producten kwam 48,4 cent terecht in de kassa’s van de supermarkten. Totaal zetten supermarkten in 2011 voor bijna 427 miljoen euro om aan biologische producten, ruim 25% meer dan in 2010. Het ruime aanbod in de schappen van de supermarkten is hier mede debet aan. De speciaalzaken zijn goed voor een ‘biologische’ omzet van ruim 285 miljoen euro. Zij zagen hun omzet in 2011 met bijna 8% toenemen. De grootste groei kwam van de buitenhuishoudelijke markt, die in 2011 een omzet realiseerde van ruim 120 miljoen euro, bijna een derde meer dan in 2010. Deze sterke groei is grotendeels te danken aan het verplicht stellen van de verkoop van biologische product in bedrijfskantines, waar het gangbare product nagenoeg is uitgebannen
(ELI, 2012).

3.8 Ontwikkelingen in de agrarische keten

3.8.1 De aardappelketen

Aardappeltelers kunnen zich richten op drie afzetmarkten, voor pootgoedaardappelen, consumptieaardappelen of zetmeelaardappelen. Pootaardappelen, aardappelen die het volgende seizoen weer als uitgangsmateriaal worden gebruikt, brengen veelal hogere prijzen op dan consumptie- of zetmeelaardappelen. Vandaar dat de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (NAKtuinbouw) erop toeziet dat de aardappelen die als pootgoed worden aangeboden aan de kwaliteitseisen voldoen. Voldoen ze niet, dan worden ze als consumptieaardappelen verkocht. Zetmeelaardappelen worden veelal op contractbasis geteeld en gebruikt voor zetmeelproductie. Deze aardappelen worden verwerkt door AVEBE en gebruikt voor diverse voedingsmiddelen.

Er waren in 2012 1.475 bedrijven die zetmeelaardappelen telen. Het areaal zetmeelaardappelen is redelijk constant, maar lijkt de afgelopen jaren een dalende lijn te hebben ingezet, 2011 uitgezonderd. Het bedroeg in 2000 rond de 50.000 ha, tegen 43.000 ha in 2012. De komende wijzigingen in het Europese marktordeningsbeleid in 2014 zijn hier debet aan. Ook bij consumptieaardappelen is een lichte daling van het areaal zichtbaar, maar dit wordt meer veroorzaakt door marktwerking. Het areaal bedroeg aan het begin van de eeuw nog 90.000 ha en sinds 2003 schommelt het rond de 70.000 ha. In 2012 waren er 6.628 bedrijven met teelt van consumptieaardappelen. Het areaal pootgoedaardappelen is zeer constant en bedraagt sinds de eeuwwisseling ongeveer 40.000 ha. In 2012 teelden 2.398 bedrijven pootaardappelen.

De oogst van pootaardappelen in 2011 bedroeg 1,3 miljoen ton. Ongeveer 1 miljoen ton hiervan werd goedgekeurd door de NAKtuinbouw. De laatste jaren is deze verhouding niet drastisch veranderd. De productie van consumptieaardappelen ligt de laatste 10 jaar gemiddeld op 3,5 miljoen ton. In 2011 lag de oogst boven dit gemiddelde (figuur 3.2). Bij zetmeelaardappelen bedraagt de productie zo’n 2 miljoen ton.

Ongeveer 70% van de pootaardappelenproductie wordt geëxporteerd. Bedrijven zoals Agrico en HZPC zijn grote spelers. Van de 700.000 ton export gaat meer dan 60% naar belangrijke afzetmarkten als Algerije, Duitsland, België, Egypte, Italië en Spanje. De laatste jaren is er exportgroei naar de Noord-Afrikaanse landen, en het Midden-Oosten ondanks de onrustige situatie aldaar (Agrico, 2012). De regio Zuidwest-Europa laat een daling zien, uitzonderingen daargelaten. Er wordt nog net iets meer naar Europese bestemmingen geëxporteerd dan naar andere landen.

Hoewel Nederland zelf veel consumptieaardappelen produceert, worden er ook veel verse consumptieaardappelen geïmporteerd. Ook is er beperkte import van verwerkte aardappelen. Nederland kent een grote aardappelverwerkende industrie. Grote marktpartijen zijn Agrico, Aviko, Farm Frites, McCain en LambWeston/Meyer. Door de Nederlandse productie en het importaanbod te combineren, kunnen deze fabrieken tot een optimaal gebruik van productiecapaciteit komen en hun positie in de wereldmarkt handhaven. De import komt met name uit buurlanden en voor vroege aardappelen soms uit landen rond de Middellandse Zee. In 2011 verwerkte deze industrie 3,5 miljoen ton aardappelen tot 1,5 miljoen ton voorgebakken producten (frites) en 0,4 miljoen ton tot ander verwerkt product (snacks en chips). Bij het verwerkingsproces komen bijproducten vrij die worden afgezet als vochtrijke voedermiddelen voor de rundvee- en varkenshouderij. In 2011 ging het om1,4 miljoen ton. De export van consumptie­aardappelen ligt rond de 1 miljoen ton; het meeste gaat naar België, Rusland en Duitsland. Ook veel verwerkte aardappelen vinden hun weg naar het buitenland; met name het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zijn belangrijke exportmarkten. Naast Europa is het Midden-Oosten een belangrijk afzetgebied, met name Saoedi-Arabië.

Begin 2012 is er, naast reeds bestaande prijsinformatiesystemen, een nieuw prijsinformatiesysteem (Agriprins) in de markt gezet. Momenteel doen 4 grote aardappelverwerkers mee en ook telers en handelaren kunnen transacties melden. Het systeem laat geanonimiseerd gerealiseerde transacties zien en moet hierdoor de boeren meer inzicht bieden in de marktsituatie en zo zijn onderhandelingspositie versterken. Hoewel het systeem niet onomstreden is in de sector en niet alle belanghebbende partijen mee doen, heeft een recente meting onder deelnemers aangegeven dat, na een jaar testen, twee derde door wil met het systeem (www.boerderij.nl). Vanwege de ophanden zijnde opheffing van de productschappen moet voor continuering wel naar financiële middelen worden gezocht.

6904.png

3.8.2 De groente- en fruitketen

De groente- en fruitketen kent drie grote productgroepen, glasgroenten, opengrondsgroenten en fruit. Bij alle drie de productgroepen speelt vernieuwing van het assortiment een rol. De Nederlandse zaad- en veredelingsbedrijven van opengrondsgroente en glasgroente, zoals Enza Seed, Bejo zaden en RijksZwaan, zijn spelers van wereldformaat. Hoewel ook bij fruit de veredeling een rol speelt, is hier een lange adem nodig om tot verbeteringen te komen. Een bedrijf als Inovafruit houdt zich hiermee bezig en zorgt er ook voor dat nieuwe rassen goed worden begeleid bij hun marktintroducties. Ongeveer 240 bedrijven (figuur 3.3) houden zich bezig met opkweken van groentezaden of opkweekmateriaal voor de (glas)groente. Veredeling van fruit gebeurt veelal op de primaire bedrijven zelf.

Het aantal primaire productiebedrijven daalt, maar de omvang van de bedrijven neemt, zoals in elke agrarische sector, toe. In 2012 zijn er 1.600 bedrijven die glasgroente telen op een areaal van rond de 4.870 ha. De productiewaarde van deze intensieve teelt ligt een stuk hoger dan van de meer grondgebonden teelten, met meer bedrijven en een grotere oppervlakte per bedrijf. Ook al worden de primaire bedrijven steeds groter, ze kunnen nog geen vuist maken tegen de enkele overgebleven inkopers van het grootwinkelbedrijf. De supermarkten hebben een aandeel van meer dan 80% in alle groente en fruit die via de detailhandel wordt verkocht. Via telersverenigingen proberen glastuinders hun aanbod te bundelen. Deze telersverenigingen regelen al dan niet hun eigen verkoop en hebben soms een exclusieve relatie met een afzetorganisatie. Tussen de telersvereniging en de supermarkt kan ook nog een collectieve afzetorganisatie of groothandel zitten. Telers die gebruik maken van de Europese GMO-subsidie dienen de verkoop van hun product over te laten aan de telersvereniging. Dit is voor sommige primaire producenten moeilijk, zeker als opbrengstprijzen tegenvallen. Vandaar dat telers soms geen gebruik meer maken van de GMO-subsidie of, ook om andere redenen dan de prijs, veranderen van afzetorganisatie. Eind 2011 verhuisden bijvoorbeeld 81 telers van afzetorganisatie Coforta naar FreshQ, die nu één van de grootste afzetorganisaties in de glasgroente is (www.boerderij.nl, 2011).

Daar bundeling en samenwerking tot verhoging van de marktmacht kan leiden, is het vanuit mededinging niet altijd geoorloofd. In juni 2012 kregen diverse paprika-afzetorganisaties een boete van in totaal 14 miljoen euro van de toenmalige NMa, nu Autoriteit Consument en Markt (ACM) (zie §3.3.2), vanwege vermeende ongeoorloofde samenwerking (www.acm.nl, 2012). Deze beslissing wordt nog aangevochten. De verdeling van de marktmacht tussen de verschillende schakels in de keten staat, mede door de herziening van de GMO-richtlijnen in 2015, volop in de belangstelling.

Opengrondsgroente- en fruitproducten hebben nog een alternatief afzetkanaal in de vorm van industriële verwerking. In 2011 werd 565 miljoen kilo verwerkt tot bijvoorbeeld jam, ingeblikte, gesneden of bevroren groenten. Veelal worden deze producten geteeld op contractbasis. Rond 70% van de in Nederland geproduceerde groente en fruit wordt geëxporteerd (PT, 2011). Belangrijke afnemers zijn Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Ook importeert Nederland veel groente (veel tomaat uit Spanje) en fruit (onder andere sinaasappels uit Zuid-Afrika). Het zijn groente- en fruitproducten die Nederland niet zelf produceert of die aanvullend zijn op het Nederlandse teeltseizoen. Veel import wordt ook doorgevoerd naar afnemers in andere landen. Hierdoor kunnen handelsbedrijven zich ontwikkelen tot jaarrond serviceproviders en blijft Nederland een spil in de groente- en fruithandel in Europa.

7045.png

Literatuur

ABN-AMRO (2012). Visie op retail. Sectorupdate 2012. ABN-AMRO, Economisch Bureau, 2012

Avag (2011). Kassenbouw 2011: Onzekere markt. Persbericht, 8 september 2011

A-ware (2012). A-ware en Fonterra bouwen zuivelfabriek in Nederland. Lopik. Persbericht, 29 mei 2012

Baltussen, Willy en Pepijn Smit (2013). Tuinbouwtoeleveranciers veroveren de wereld. Rapport 13- 008. LEI Wageningen UR, Den Haag

Bakker, E. de en H. Dagevos (red.) (2013). Groene routes voor landbouw en voedsel. Wageningen, Wot-rapport (verschijnt binnenkort)

Berkum, Siemen van, Jo Wijnands en Bram Pronk (2013). Export van kennis en technologie door het Nederlandse agrocomplex. Verschijningsvormen, maatstaven en prestaties. LEI-nota 13-024, LEI Wageningen UR, Den Haag

Boerderij vandaag (2012). Nieuwe gigant op Hollandse zuivelmarkt, 31 mei 2012

Boerderij vandaag (2013). ‘Boeren met kwaliteitsproducten mogen zich melden bij Jumbo’. 28 maart 2013

Boerderij vandaag (2013a). Vergunning A-ware tot 2 miljard kilo melk. 18 april 2013

Bunte, F., J. Bolhuis, C. de Bont, G. Jukema en E. Kuiper (2009). Prijsvorming van voedingsproducten. LEI-nota 09-074, LEI Wageningen UR, Den Haag

CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) (2011). Nederland toonaangevend in bloemen en planten. Webmagazine, 9 november 2011

CBS (2013). Omzet detailhandel in december lager. Persbericht, 13 februari 2013

CBS (2013a). Bouwvergunningen naar soort gebouw. Statline.cbs.nl, geraadpleegd 10 april 2013

CBS (2013b). Kleine omzetgroei horeca. Persbericht 28 februari 2013

CSM (2013). CSM announces Intended Divestment of its Bakery Supplies businesses to Rhône Capital. Persbericht, 25 maart 2013

Distrifood (2012). Explosie. Zondag: ruim duizend supers open. 1 september 2012

EC (Commissie van de Europese Gemeenschappen) (2009). Analysis of price transmission along the food supply chain in the EU. Brussel, Commission Staff Working Document, SEC(2009) 1450, 28 oktober

ELI (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) (2012). Monitor Duurzaam Voedsel 2011. Den Haag, mei 2012

FD (Het Financieele Dagblad) (2012). Markt fusies en overnames trekt aan. 25 oktober 2012

FD (2012a). Heineken kan toetreden tot de top drie. 29 september 2012

FD (2012b). Teler Oudendijk ziet maar één keuze: fuseren of ten onder gaan. 18 december 2012

FD (2012c). Winkeliers gooien er veel merken uit. 16 oktober 2012

FD (2012d). Merkartikel als het nieuwe huismerk. 23 oktober 2012

FD (2013). McDonald’s Nederland ziet kans voor verdere groei. 20 februari 2013

Fefac (2012). Feed & Food. Statistical Yearbook 2011. Brussel, 2012

ForFarmers (2013). Jaarverslag 2012. Lochem, 2013

FrieslandCampina (2013). Royal FrieslandCampina breidt kaasactiviteiten uit met overname van Zijerveld. Persbericht 7 januari 2013

ING (2012). Topsector Agrofood exporteert steeds meer naar het Oosten. Exportwaarde Azië in 15 jaar verzesvoudigd. ING Economisch Bureau, juli 2012

ING (2012a). Food 2013. Samenwerking vanuit een nieuwe mindset. ING Economisch Bureau, juni 2012

ING (2012b). Ondernemer betaalt hogere BTW. Detailhandel non-food en bouw het zwaarst getroffen. ING Economisch Bureau, augustus 2012

ING (2012c). In de meeste sectoren blijft het kwakkelen. ING Economisch Bureau, november 2012

ING (2013). Foodservice groothandel ziet afzetmarkt veranderen. ING Economisch Bureau, januari 2013

ING (2013a). Jaar van de waarheid voor detailhandel. ING Economisch Bureau, maart 2013

ING (2013b). Ondernemerschap geeft de doorslag in de horeca. ING Economisch Bureau, maart 2013

Jumbo Supermarkten (2013). Jumbo Foodmarkt opent 27 maart haar deuren in Breda. Persbericht, 18 maart 2013

NoorderlandMelk (2013). NoorderlandMelk staat open voor nieuwe leden in Groningen, Friesland en Drenthe. Ezinge-Lopik, Persbericht, 8 februari 2013

NVWA (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (2012). Hoeveelheid zout in levensmiddelen afgelopen jaren niet gedaald. Nieuwsbericht, 12 juli 2012

Plukon-InterChicken (2013). NMa geeft goedkeuring aan samenvoeging Plukon retail Nederland en InterChicken Bodegraven. Persbericht, 2 januari 2013

PT (Productschap Tuinbouw) 2011. Tuinbouwcijfers. www.tuinbouw.nl

PVE (Productschappen Vee, Vlees en Eieren) (2013). Nederlander geeft meer geld uit aan vlees. Persinfo, 10 januari 2013

Rijksoverheid.nl (2013). Heinz zorgt voor 200 banen in Nijmegen. Nieuwsbericht, 18 april 2013

Rijksoverheid.nl (2013a). Autoriteit Consument en Markt kan van start. Nieuwsbericht, 26 februari 2013

RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2013). Natrium en verzadigd vet in beeld. Verandering in samenstelling van voedingsmiddelen in 2012. RIVM Briefrapport 350022002/2013, Bilthoven

Statline.CBS.nl (2013). In- en uitvoer; aantal bedrijven en waarde naar omvang en activiteit. Geraadpleegd, 18 februari 2013.

VION (2012). VION zet nieuwe koers in. Persbericht, 19 november 2012

VION (2013). VION verzelfstandigt Food en Ingredients. Persbericht, 24 april 2013

Volkskrant (2012). Tillmann kreeg rendement versnipperd VION niet omhoog. 6 september 2012

WHO (2013) High blood pressure – country experiences and effective interventions utilized across the European Region. WHO Regional Office for Europe, Copenhagen 2013

www.khn.nl, geraadpleegd, 25maart 2013

www.vwa.nl, geraadpleegd, 6 maart 2013

ZLTO (2012). ZLTO zet nieuwe koers uit. Persbericht, 5 november 2012

TOC