Ontwikkelingen in de EU

2.1 Gemeenschappelijk landbouwbeleid

2.1.1 Herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

In oktober 2011 heeft de EU-commissie (EC) wetgevingsvoorstellen voor de inrichting van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2013 gepresenteerd (EC, 2011a, b, c, d). Volgens die voorstellen moet het GLB in de komende jaren bijdragen aan de wereldwijde voedselzekerheid, een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en het tegengaan van klimaatverandering, en aan de territoriale cohesie tussen de plattelandsgebieden in de EU. Zoals uitvoerig besproken in het LEB 2012 (§2.1), denkt de EC dat te bereiken via een aanpassing van de voorwaarden voor de toekenning van bedrijfstoeslagen, een vereenvoudiging van het marktbeleid, de introductie van nieuwe instrumenten om prijs- en inkomensfluctuaties op te vangen, en een accentverschuiving van het plattelandsbeleid naar concurrentie en innovatie.

Eind juni 2013 akkoord verwacht over wetgevingsvoorstellen GLB

De onderhandelingen over het pakket wetgevingsvoorstellen, die sinds oktober 2011 aan de gang zijn, hebben vanwege het complexe karakter nog niet tot een akkoord geleid. Niet alleen de EC en de Landbouwraad moeten het eens zien te worden over de voorstellen, maar ook het Europees Parlement (EP), dat sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (2009) medebeslissingsbevoegdheid op het terrein van het GLB heeft, moet zich in het akkoord kunnen vinden. Verder hangt het akkoord ook af van het budget dat volgens het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014-2020 voor het GLB beschikbaar komt. Daar hebben de EU-ministers van Financiën in februari 2013 overeenstemming over bereikt, maar het wordt pas definitief als het EP er zijn goedkeuring aan hecht. In maart 2013 hebben zowel het EP als de Raad een definitief standpunt over de wetgevingsvoorstellen ingenomen en sindsdien worden er trilogen gevoerd tussen de EC, de Raad en het EP. Gehoopt wordt dat zij in juni 2013 overeenstemming bereiken (Agra Europe, 2013a, b). Omdat de tijd tussen juni 2013 en januari 2014 te kort is voor de nationale betaalorganen om hun systemen op het nieuwe beleid af te stemmen, wordt 2015 een ‘overgangsjaar’ (Agra Europe, 2012a). Daarvoor moet voor de bedrijfstoeslagen in Pijler 1 een aparte EU-verordening worden opgesteld (Agra Europe, 2013b). In Pijler 2 kan worden volstaan met het doortrekken van de huidige Plattelandsontwikkelingsplannen naar 2014 via overgangsschema’s.

2.1.2 Vergroening van de bedrijfstoeslagen en interne convergentie

Bij de bespreking van de wetgevingsvoorstellen voor de inrichting van het GLB na 2013 heeft de discussie zich in de Raad en het EP vooral toegespitst op de vergroening van de bedrijfstoeslagen, het tempo waarmee het regionale model moet worden ingevoerd, en de convergentie van hectaretoeslagen tussen lidstaten. Op deze discussie gaan we hier nader in aan de hand van de voorstellen die de EC heeft gedaan en de definitieve standpunten die de Raad en het EP er over hebben in genomen.

EC heeft drie vergroeningsmaatregelen voorgesteld

De EC wil de toekenning van hectaretoeslagen afhankelijk maken van inspanningen die het milieu, de biodiversiteit en het klimaat ten goede komen. Volgens de wetgevingsvoorstellen moeten boeren hun areaal blijvend grasland handhaven, moeten ze minimaal drie gewassen verbouwen op hun akkerbouwareaal, waarbij elk gewas minstens 5% van het areaal beslaat, en moeten ze 7% van het akkerbouwareaal bestemmen als ‘ecologisch aandachtsgebied’ (EFA) (EC, 2011a). De EC heeft de definitie van de EFA’s vooralsnog opengehouden: behalve braakareaal, terrassen, landschapselementen zoals houtwallen, bufferzones en bebost landbouwareaal, kunnen er ook nog nader te bepalen andere gebieden onder vallen. De drie vergroeningseisen gelden alleen voor boeren met meer dan 3 ha. Verder zijn biologische boeren ervan vrijgesteld, omdat ze door hun productiewijze al bijdragen aan vergroening. Als compensatie voor deze inspanningsverplichting ontvangt elke boer in een land/regio dezelfde vergroeningspremie per ha. Lidstaten dienen 30% van hun nationale envelop voor directe toeslagen te besteden aan deze premie.

Raad wil menu van equivalente vergroeningsmaatregelen

Zowel de Raad als het EP willen meer flexibiliteit bij de invulling van de vergroeningsvoorwaarden. De Raad zoekt die flexibiliteit vooral in een menu van alternatieve vergroeningsmaatregelen, die ‘equivalent’ zijn aan de drie door de EC voorgestelde maatregelen (Agra Europe, 2012b). Dit houdt in dat de alternatieven minstens hetzelfde resultaat moeten opleveren als de EC-maatregelen (EZ, 2012a). De alternatieven kunnen bestaan uit landbouwmilieumaatregelen uit de Tweede Pijler of certificaten voor duurzame productie (Agra Europe, 2013c). Certificaten zouden dan moeten aantonen dat een landbouwbedrijf - net zoals een biologisch bedrijf - green by definition is. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan bedrijven met klimaatvriendelijke stalsystemen of bedrijven in Natura 2000-gebieden. Verder vindt de Raad dat bedrijven ook aan de vergroeningsvoorwaarden voldoen als zij eiwithoudende gewassen telen, die stikstof vastleggen in de bodem (Agra Europe, 2013f). Met zo’n menu aan vergroeningsmaatregelen kan beter op de specifieke omstandigheden in de verschillende lidstaten worden ingespeeld. Het EP heeft geen behoefte aan een uitbreiding van de drie door de EC voorgestelde vergroeningsmaatregelen (Agra Europe, 2013d). Of het menu ook bijdraagt aan de door velen gewenste vereenvoudiging van het GLB is twijfelachtig: het vergt inspanningen om aan te tonen dat een alternatief equivalent is aan de EC-maatregelen en het invoeren van een keuzemenu en het controleren van de naleving ervan is complexer dan bij een systeem van drie maatregelen.

Puntensysteem om equivalentie in te vullen

In de politieke onderhandelingen mag de term ‘equivalentie’ dan voldoen om tot besluitvorming te komen, in de praktijk zal het niet meevallen om te bepalen of een alternatieve maatregel eenzelfde effect heeft op het milieu, de biodiversiteit en het klimaat als de drie door de EC voorgestelde vergroeningsmaatregelen. Dat komt omdat het op voorhand niet bekend is wat dit effect precies is, en het bovendien van gebied tot gebied en van bedrijf tot bedrijf kan variëren. Wellicht dat een regionaal menu met een puntensysteem, waarbij elke maatregel een aantal punten oplevert, uitkomst kan bieden. In het VK wordt zo’n puntensysteem momenteel toegepast in het ‘Entry Level Stewardship (ELS)’, waarmee invulling wordt gegeven aan de landbouwmilieumaatregelen uit de Tweede Pijler. Het ELS wil boeren stimuleren om milieuvriendelijker productiemethoden toe te passen door hen te belonen voor het beschermen van de biodiversiteit, water- en bodemkwaliteit en cultuurhistorische waarden, het onderhouden van landschapselementen en het tegengaan van klimaatverandering (Natural England, 2013). Daartoe kunnen boeren uit een groot aantal maatregelen kiezen, die elk een aantal punten opleveren. Als een boer gemiddeld voor elke ha op zijn bedrijf 30 punten heeft verzameld, komt hij in aanmerking voor de vaste vergoeding van 30 Britse ponden per ha. Boeren brengen hun hele bedrijf onder het ELS, maar hoeven niet noodzakelijkerwijs op elke ha beheersmaatregelen te nemen. Zo levert het onderhoud van 1 km heg 420 punten op, waarmee 14 ha van het bedrijf kunnen worden afgedekt in het ELS. Equivalentie in een soortgelijk systeem als de ELS zou er als volgt uit kunnen zien: druk het effect van de drie vergroeningsmaatregelen op het milieu, de biodiversiteit en het klimaat uit in een aantal punten per ha landbouwareaal. Stel dan een menu samen met alternatieve maatregelen die ook punten opleveren en laat boeren vervolgens een pakket matregelen kiezen dat voor het hele bedrijf gemiddeld per ha net zoveel punten genereert als de drie vergroeningsmaatregelen per ha.

Vergroeningseisen leiden niet altijd tot milieuwinst

Bij een dergelijk puntensysteem zullen boeren de neiging hebben die maatregelen te kiezen die al onderdeel zijn van hun bedrijfsvoering of die tegen geen of geringe kosten te realiseren zijn. De op die manier gekozen maatregelen zijn nauw verwant aan de agrarische context en zullen doorgaans niet het milieunut maximaliseren (Hodge, 2009). Dit nadeel is overigens ook inherent aan de drie door de EC voorgestelde vergroeningsmaatregelen. Als akkerbouwbedrijven bijvoorbeeld door rotatie al werken met drie of meer gewassen, hoeven ze hun werkwijze niet aan te passen.

Raad en EP willen minder vergroenen dan EC

Zowel de Raad als het EP vinden dat het EC-voorstel om 7% van het akkerbouwareaal aan te merken als EFA te ver gaan (Agra Europe, 2013d en 2013f). De Raad wil dit percentage beperken tot 5%, terwijl het EP denkt aan een geleidelijke invoering, beginnend met 3% in 2014 en oplopend tot 5% in 2016. De Raad en het EP houden de mogelijkheid van een verdere ophoging tot 7% open, als uit een evaluatie van de EC in 2017/2018 mocht blijken dat dit gewenst is. Net als bij het menu van equivalente vergroeningsmaatregelen komt een EFA van 5% dicht in de buurt van de huidige praktijk op veel landbouwbedrijven en zullen de positieve effecten ervan voor de biodiversiteit en het milieu vrijwel nihil zijn (Agra Europe 2011). De Raad en het EP willen ook een afzwakking van de diversificatie-eis om minstens drie gewassen te verbouwen. Zij vinden dat voor bedrijven met 10-30 ha een minder stringente verplichting moet gelden van twee gewassen.

Geen dubbele betaling voor beheer in EFA en Tweede Pijler

De door de EC voorgestelde EFA’s betekenen de introductie van een vorm van agrarisch natuur- en landschapsbeheer in de Eerste Pijler. Tot nu toe verliep de financiering van dat beheer via de Tweede Pijler. Zowel in de Raad als in het EP is de relatie tussen het beheer in beide Pijlers aan de orde gekomen, waarbij het met name ging over de mogelijke dubbele betaling voor dezelfde dienst. Deze situatie kan zich voordoen als een boer deelneemt aan een beheersmaatregel in de Tweede Pijler, en die beheersmaatregel toepast op de EFA, die hij heeft aangewezen op zijn bedrijf om in aanmerking te komen voor de vergroeningspremie in de Eerste Pijler. Het dubbel betalen voor dezelfde dienst druist echter in tegen de financiële wetgeving van de EU (Agra Europe, 2013c). Het EP vindt dat in zo’n geval de vergroeningspremie van de beloning voor het beheer in de Tweede Pijler moet worden afgetrokken; de Raad toont zich hierover verdeeld.

Basispremie niet koppelen aan vergroeningspremie

De EC heeft voorgesteld om 30% van de nationale envelop voor directe toeslagen te reserveren voor vergroeningspremies. In het EC-voorstel verspelen boeren niet alleen hun vergroeningspremie als ze niet aan de vergroeningsvoorwaarden voldoen, maar ook hun recht op de basistoeslag. Zowel het EP als de Raad willen deze beide toeslagen loskoppelen van elkaar. De Raad wil boeren een boete opleggen van een kwart van de vergroeningspremie bij het niet nakomen van de vergroeningsvoorwaarden, terwijl het EP een boete niet nodig vindt (Agra Europe, 2013d en 2013f). Het loskoppelen van de vergroeningspremie van de basistoeslag betekent wel dat de prikkel voor boeren om mee te doen aan vergroening kleiner wordt. Als de inkomensderving van een EFA gemiddeld over alle hectares op het bedrijf groter is dan de misgelopen vergroeningspremie voor alle hectares, is de boer van dat bedrijf beter af als hij geen EFA aanlegt op zijn bedrijf. Omdat boeren maar een klein percentage van hun areaal als EFA hoeven aan te merken, zal deze situatie zich alleen voordoen bij een combinatie van lage hectaretoeslagen en hoge opbrengsten per hectare. Deze situatie zal voor de meeste Nederlandse boeren waarschijnlijk niet van toepassing zijn.

Meer mogelijkheden voor collectieve aanpak agrarisch natuurbeheer

In Nederland zijn in 2010 vier pilotprojecten van start gegaan, waarin groepen boeren gezamenlijk het agrarisch natuurbeheer in hun streek uitvoeren (LNV, 2010). Hoewel zo’n gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak van het beheer niet nieuw is - zo’n 125 tot 150 agrarische natuurverenigingen in Nederland werken er mee (Prins en Smit, 2011) - ligt het nieuwe element in de pilots in het feit dat de groep boeren zelf de uitbetalingen voor het beheer doet en dit geen zaak meer is tussen de Dienst Regelingen (DR) en de individuele boer. De EC wil in de landbouwmilieu- en klimaatmaatregelen in de Tweede Pijler na 2013 ook groepen van boeren als eindbegunstigden opnemen. Daarmee zou de aanpak in de pilots een wettelijke basis krijgen. Verder vindt de Raad in zijn standpunt over de herziening van het GLB dat de helft van de EFA’s op gebiedsniveau door groepen van boeren kan worden ingevuld (Agra Europe, 2013f). Dit opent de mogelijkheid om grotere, aaneengesloten gebieden met EFA’s aan te leggen, die meer winst voor de biodiversiteit opleveren dan versnipperde EFA’s per bedrijf (Van Doorn et al., 2012). Omdat Nederland binnen de EU een voorloper is wat betreft de collectieve aanpak van agrarisch natuurbeheer, kunnen de Nederlandse ervaringen goed van pas komen bij groepen boeren in het buitenland, die met gezamenlijk beheer aan de slag willen gaan.

Raad en EP willen geleidelijke invoering van uniforme hectaretoeslagen

De EC wil de twee huidige toeslagstelsels – het historisch model en het regionaal model – vervangen door één basistoeslagstelsel, waarbij alle hectares landbouwareaal in een regio voor een uniforme toeslag in aanmerking komen. Landen, zoals Nederland, die nu nog met het historisch model werken, krijgen tot 2019 de tijd om hun toeslagen geleidelijk aan te passen. Wel moeten ze er in 2014 een begin mee maken en 40% van de uniforme toeslag uitbetalen. Vergeleken met het huidige totale bedrag aan bedrijfstoeslagen per bedrijf, zullen sommige bedrijven er onder het nieuwe stelsel op vooruitgaan en andere minder ontvangen. In Nederland bestaat de eerste groep vooral uit akkerbouwers, tuinbouwers en houders van overige graasdieren, en de tweede groep uit melkveehouders, kalverhouders en zetmeelaardappeltelers (Jongeneel et al., 2011). De Raad en het EP kunnen zich vinden in het EC-voorstel van een uniforme toeslag per ha, maar willen dit geleidelijk invoeren in de periode 2014-2020, waarbij in 2014 wordt gestart met 10% van de uniforme toeslag (Agra Europe, 2013f). Verder bepleiten ze beide in 2020 uitzonderingen op de uniforme toeslag toe te staan.

2.1.3 Financieel Meerjaren Kader en externe convergentie

In februari 2013 hebben de EU-regeringsleiders het Financieel Meerjaren Kader (FMK) 2014-2020 vastgesteld. In de jaren 2014-2020 kan de EU in totaal 960 miljard euro uitgeven, 3% minder dan in de periode 2007-2013 (tabel 2.1). Het is nog niet eerder in de geschiedenis van de EU voorgekomen dat het EU-budget voor de volgende meerjarige begrotingsperiode lager is dan dat in de vorige. Het EC-voorstel voor het FMK 2014-2020 ging dan ook uit van een stijging van 3% (Adinolfi et al., 2011). Dat de regeringsleiders dit voorstel niet hebben overgenomen moet worden gezien in het licht van de strenge budgettaire beperkingen waar Europa op dit moment mee te maken heeft. Van Rompuy, de voorzitter van de Raad van EU-regeringsleiders, wijst erop dat de EU-broekriem op een dusdanige manier is aangehaald dat er ondanks de korting op het hele budget toch meer geld is vrijgemaakt voor toekomstgerichte investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie (NRC, 2013). Zo neemt het budget voor de begrotingspost ‘concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid’ met twee derde toe. Aan de andere kant staan bezuinigingen bij het bevorderen van de economische, sociale en territoriale cohesie en landbouw, posten die met respectievelijk 12% en 14% dalen.

Welk tempo voor externe convergentie van hectaretoeslagen?

Of dit FMK 2014-2020 definitief wordt, hangt af van de instemming van het EP. Binnen het EP bestaat weerstand tegen de verlaging van het EU-budget en wordt behoefte

Tabel2.1.png

gevoeld aan een tussentijdse evaluatie van de EU-uitgaven in 2017 (Agra Europe, 2013e). Verwacht wordt dat de Raad en het EP eind juni een akkoord over het FMK bereiken (Agra Europe, 2013m). Pas dan zal duidelijk worden hoe het GLB-budget over de lidstaten wordt verdeeld (Agra Europe, 2013i). Daarbij zal ook rekening worden gehouden met de invulling van de zogenaamde externe convergentie. De EC heeft voorgesteld om de soms forse verschillen in de hoogte van de hectaretoeslagen in de Eerste Pijler tussen lidstaten te verkleinen. Daarbij zouden lidstaten die een relatief hoge toeslag ontvangen, zoals Nederland, België en Italië, een deel van hun Eerste Pijler-envelop moeten afstaan ten gunste van landen met een relatief lage toeslag, zoals de meeste nieuwe lidstaten. De EC wil deze verkleining van de kloof tussen de nationale hectaretoeslagen tot stand brengen in 2014-2017; het EP en de Raad denken aan een langere aanpassingsperiode van 2014-2020 (Agra Europe, 2013f en 2013g). Het EP wil daarnaast dat het convergentieschema er ook in voorziet dat in 2014 de hectaretoeslag minstens 55% van het EU-gemiddelde bedraagt. Dat percentage moet vervolgens oplopen tot 65 in 2018 en 75 in 2019. Dit EP-voorstel betekent een snellere verkleining van de verschillen tussen de hectaretoeslagen.

Lidstaten kunnen budget van de ene naar de andere Pijler overhevelen

De korting op het GLB-budget 2014-2020 en het convergentievoornemen betekenen dat Nederland in de periode 2014-2020 minder geld uit Brussel ontvangt voor de Eerste en Tweede Pijler. Volgens voorlopige berekeningen zal de envelop voor de toeslagen in de Eerste Pijler in 2020 zo’n 735 miljoen euro bedragen, tegen jaarlijks 830 miljoen euro nu (EZ, 2013a). Dat zou betekenen dat de hectaretoeslag in 2020 in Nederland op zo’n 390 euro uit zou komen (Venema et al., 2013). In de huidige situatie zou zo’n hectaretoeslag circa 425 euro bedragen. Dat is ruim boven het EU-27-gemiddelde van ongeveer 265 euro nu en 230 euro in 2020. De financiële middelen van de EU voor de Tweede Pijler voor Nederland liggen volgens ramingen tussen 2014 en 2020 in de orde van grootte van 86 miljoen euro per jaar (EZ, 2013a). Dat is zo’n 15% minder dan het bedrag aan EU-middelen voor 2013 (103 miljoen euro). Zowel de EC, de Raad als het EP willen de mogelijkheid openlaten dat lidstaten met de budgetten over de Pijlers schuiven. Naar alle waarschijnlijkheid zal straks maximaal 15% - een percentage dat door de EU-regeringsleiders is geopperd - van het budget van de ene Pijler naar de andere mogen worden overgeheveld (Agra Europe, 2013h). Mocht Nederland van deze mogelijkheid gebruik gaan maken, dan zal het - gelet op de nadruk van de Nederlandse regering op duurzame concurrentiekracht en innovatie in de landbouwsector (EZ, 2013f) - eerder gaan om een verschuiving van het budget van de Eerste naar de Tweede Pijler dan omgekeerd. Zo’n verschuiving zou wel een verdere verlaging van maximaal 15% van de hectaretoeslag in de Eerste Pijler inhouden.

2.1.4 Definitie actieve landbouwer

Regelmatig verschijnen er berichten in de media over vliegvelden, golfclubs, koninklijke families en jachtverenigingen die grote bedragen aan landbouwsubsidies ontvangen (Boerderij Vandaag, 2012). Dat riekt naar fraude, maar is het echter niet omdat deze ontvangers landbouwgrond bezitten die zij in goede agrarische conditie houden. Dan hebben zij volgens de huidige EU-wetgeving recht op een bedrijfstoeslag uit de Eerste Pijler. Wel kunnen er vraagtekens worden gezet of deze groepen tot de doelgroep van het GLB behoren. De EC heeft dan ook voorgesteld om de definitie van boer in het GLB na 2013 aan te scherpen. Voortaan wil ze personen, bedrijven en andere organisaties waarvan de bedrijfstoeslagen minder dan 5% van het niet-agrarische inkomen bedragen, uitsluiten van het recht op bedrijfstoeslagen. Of deze aanscherping afdoende is om de doelgroep van ontvangers te begrenzen tot boeren kan worden betwijfeld. Bovendien zouden multifunctionele boeren met veel inkomsten uit nevenactiviteiten dan ook buiten de boot kunnen vallen.

De Europese Rekenkamer heeft onlangs ook gepleit voor een duidelijker definitie, waarbij de doelgroep van bedrijfstoeslagen uit de Eerste Pijler expliciet wordt begrensd. Ze wil toeslagen alleen toekennen aan actieve boeren, die regelmatig en op aantoonbare wijze landbouwactiviteiten verrichten, en publieke organisaties die staatsdomeinen beheren zonder daadwerkelijk landbouwwerkzaamheden uit te voeren, uitsluiten als ontvanger (Europese Rekenkamer, 2012). De Raad en het EP voelen ook wel voor een expliciete begrenzing van de doelgroep van bedrijfstoeslagen, maar denken alleen aan het opstellen van een ‘negatieve lijst’ (Agra Europe, 2013f en 2013g). Daarop staan niet-agrarische landeigenaren, zoals vliegvelden en sportclubs, die zijn uitgesloten van het ontvangen van bedrijfstoeslagen.

2.2 GLB-budget

In 2011 bleven de uitgaven voor het markt-, prijs- en inkomensbeleid in de Eerste Pijler van het GLB net onder de 44 miljard euro (tabel 2.2). Door de infasering van de directe inkomenstoeslagen in de nieuwe lidstaten nam deze post in 2011 verder toe tot iets meer dan 40 miljard euro. Daarmee beslaan de directe inkomenstoeslagen zo’n 91% van de totale uitgaven. Er is wel een verschuiving in deze toeslagen. De uitgaven voor de ontkoppelde directe steun zijn met ruim 3 miljard euro omhoog gegaan, wat voor een groot deel kwam door een vermindering van de gekoppelde steun in de akkerbouw.

Het bedrag aan restituties, dat de laatste jaren voortdurend is gedaald, ging in 2011 opnieuw omlaag. Dit komt enerzijds door de internationale handelsafspraken over vermindering van de exportrestituties en anderzijds door de hoge wereldmarktprijzen, die exportrestituties overbodig maken. Vrijwel alle exportrestituties waren in 2011 bestemd voor de uitvoer van vlees.

Meeste interventie-uitgaven naar groenten/fruit- en wijnsector

De interventie-uitgaven van de Eerste Pijler om de landbouwmarkten te reguleren, beliepen 3,7 miljard euro. Dat werd voor het overgrote deel besteed aan de groenten- en fruitsector, de wijnsector, de voedselprogramma’s en de varkensvleessector (EC, 2012a). De uitgaven in de groenten- en fruitsector hadden te maken met de extra steunmaatregelen, om de producenten die in het voorjaar van 2011 door de EHEC-crisis waren getroffen, te ondersteunen. In de wijnsector werden veel uitgaven gedaan voor de rooiregeling, die beoogt het overaanbod van wijn in te dammen. Een deel van de interventievoorraden werd in 2011 gebruikt voor de voedselprogramma’s voor de minder bedeelden in de EU. Begin 2011 werd er wegens de slechte marktsituatie in de varkenssector overgegaan tot particuliere opslag. Per saldo waren de uitgaven voor opslag in 2011 echter negatief. Dit had te maken met inkomsten uit de verkopen van de interventievoorraden van graan, die tegen een hogere prijs konden worden afgezet dan waartegen ze waren ingekocht.

Tabel2.2.png

2.3 Overige actuele thema’s in het EU-landbouwbeleid

2.3.1 Voedselveiligheid

Begin 2013 deed zich een aantal voedselschandalen voor, waarbij sprake was van onjuiste etikettering. Zo stond er in verschillende EU-landen op verpakkingen van lasagne, goulash en hamburgers dat er rundvlees in zat, terwijl het na onderzoek om paardenvlees bleek te gaan. Verder werden er in Duitsland biologische eieren verkocht, die waren gelegd door kippen die niet volgens de biologische normen werden gehouden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de EHEC-crisis in 2011, toen de EHEC-bacterie in voedsel werd aangetroffen, waar mensen ziek van werden of zelfs door overleden, ging het hier niet om een geval van voedselveiligheid, maar om opzettelijke fraude door het bedrijfsleven (Agra Europe, 2013k). In beide gevallen wordt het consumentenvertrouwen in voedsel echter geschaad (Boerderij Weekend, 2013).

Door traceerbaarheidseisen kunnen fraudeurs gemakkelijk worden opgespoord

Volgens de huidige regelgeving moeten producenten bij verpakte levensmiddelen de consumenten informeren welke ingrediënten erin zitten. Er is sprake van misleiding als producenten een ingrediënt op het etiket vermelden dat niet in het levensmiddel voorkomt. In het reguliere toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is dergelijke misleiding niet gemakkelijk op te sporen, tenzij er duidelijke administratieve signalen zijn dat er bijvoorbeeld meer van een bepaalde grondstof wordt aangevoerd dan afgevoerd (EZ, 2013c).

Als eenmaal aan het licht is gekomen dat een etiket van een levensmiddel onjuiste informatie bevat, dan is de veroorzaker daarvan snel op te sporen. Op grond van de Europese Algemene levensmiddelenverordening ((EG) 178/2002) moet elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf namelijk voldoen aan traceerbaarheidseisen, waarbij hij registreert van wie hij een bepaald product ontvangt en aan wie hij het verzendt (EZ, 2013d). In elke EU-lidstaat is er net als de NVWA in Nederland, een Voedsel- en Warenautoriteit die toezicht houdt op het vastleggen van deze traceerbaarheidsinformatie door bedrijven. Door het bestaan van deze verplichte vastlegging kan gemakkelijk worden nagegaan welke bedrijven onjuiste informatie aan de volgende schakel in de voedselverwerkingsketen hebben doorgegeven. Incidenten moeten direct worden gemeld aan het EU-Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF), zodat ook op Europese schaal actie kan worden ondernomen, mocht dat nodig zijn. Op deze manier konden de frauderende bedrijven met paardenvlees snel worden geïdentificeerd.

Tijdens de paardenvleesaffaire klonk in veel kringen een roep om meer wetgeving (Boerderij Vandaag, 2013). EU-commissaris Borg (Gezondheid en Consumenten) wees er terecht op dat de huidige wetgeving ten aanzien van de traceerbaarheid van voedsel afdoende is, en ook strengere wetgeving fraude niet kan voorkomen (Agra Europe, 2013l). Hogere straffen op overtreding van de regels hebben daarentegen wel een ontmoedigend effect op potentiële fraudeurs. Daarnaast zou er ook kunnen worden gewerkt aan een uniformering van de straffen in de EU, die nu nogal uiteenlopen tussen de lidstaten. Verder heeft de Raad gepleit voor de oprichting van een EU-register, waarin wordt bijgehouden welke personen/bedrijven in de hele EU zijn veroordeeld wegens etiketteringsfraude (EZ, 2013e).

Deze aspecten zijn opgenomen in het pakket wetgevingsvoorstellen ter verbetering van de gezondheids- en veiligheidsnormen in de voedselketen, dat de EC in mei presenteerde (EC, 2013). In dit pakket zijn de huidige 70 wetteksten teruggebracht tot vijf wetteksten op het gebied van dier- en plantgezondheid en teeltmateriaal. Dit pakket, dat past in het algehele streven naar vereenvoudiging van de EU-regel- en -wetgeving, voorziet ook in verplichte EU-brede controles als zich voedselschandalen voordoen (Agra Europe, 2013n). Op dit moment is zo’n controle nog vrijwillig. De verwachting is dat het pakket in 2016 van kracht wordt, nadat de EC, de Raad en het EP er een akkoord over hebben bereikt.

2.3.2 Uitbreiding verplichte herkomstetikettering

In de roep om meer wetgeving rees ook de vraag naar meer aandacht voor herkomstetikettering. Net als meer wetgeving op het terrein van traceerbaarheid van voedsel biedt dat geen oplossing om fraude te voorkomen. Overigens wil de EU de wetgeving rond herkomstetikettering aanzienlijk aanscherpen, maar vanuit andere overwegingen. Op dit moment is er zowel op het terrein van het EU-kwaliteitsbeleid voor landbouwproducten als het EU-consumentenbeleid wetgeving in voorbereiding om verplichte herkomstaanduiding uit te breiden tot een groot aantal levensmiddelen. Tot nu toe geldt zo’n verplichting alleen voor verse groenten en fruit, wijn, olijfolie, rundvlees en rundvleesproducten, vis en honing (Terluin et al., 2012). De motivatie achter de uitbreiding verschilt: binnen het EU-kwaliteitsbeleid voor landbouwproducten wordt herkomstetikettering als handelsnorm gezien, terwijl het EU-consumentenbeleid het als onderdeel van voedselinformatie beschouwt, waardoor consumenten doordachte keuzes tussen levensmiddelen kunnen maken.

Herkomstetikettering als onderdeel EU-kwaliteitsbeleid landbouwproducten …

Het EU-kwaliteitsbeleid voor landbouwproducten beoogt inkopers en consumenten te informeren over de productkenmerken en landbouweigenschappen (EC, 2009). Te denken valt daarbij aan ingrediënten, landbouwproductiemethoden, verwerkingstechnieken, plaats van herkomst, etcetera. Consumenten worden door de informatie in staat gesteld te kiezen voor authentieke producten, terwijl producenten er hun concurrentiepositie mee kunnen verbeteren als blijkt dat het om een product met een bepaalde kwaliteit gaat (EC, 2011b). Het kwaliteitsbeleid bestaat voornamelijk uit handelsnormen voor de EU-landbouwmarkt en uit certificeringsregelingen voor producten met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding en voor gegarandeerde traditionele specialiteiten (EC, 2010). In het voorstel voor de integrale Gemeenschappelijke Marktordening (EC, 2011b) - dat onderdeel uitmaakt van het pakket wetgevingsvoorstellen voor de inrichting van het GLB na 2013 - wordt de EC gemachtigd om voor alle sectoren en/of producten specifieke handelsnormen op te stellen, die onder meer betrekking kunnen hebben op een verplichte vermelding van de plaats van de landbouwproductie en/of de plaats van oorsprong. Voordat de EC echter tot een dergelijke verplichting kan overgaan, moet ze eerst een effectbeoordeling maken en voor elk afzonderlijk product een passend geografisch niveau voor de herkomstaanduiding bepalen. De zuivelsector is één van de eerste sectoren waarvoor verplichte herkomstetikettering zal worden onderzocht.

… en als onderdeel van het EU-consumentenbeleid

Het EU-consumentenbeleid wil Europese consumenten mondig maken door hen de juiste informatie te verschaffen, hun welzijn te verbeteren en hen doeltreffend tegen ernstige risico’s en bedreigingen te beschermen (EC, 2007). Ter ondersteuning van deze doelen wordt de verordening over de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (EC, 2011e) eind 2014 van kracht. Deze geeft aan welke voedselinformatie op duidelijke en begrijpelijke voedseletiketten op levensmiddelen moet worden vermeld. Daarbij gaat het onder meer om een lijst van ingrediënten, voedingswaarde, houdbaarheidsdatum en bewaarvoorschriften. Deze informatie moet worden uitgebreid met een vermelding van de oorsprong of plaats van herkomst van een levensmiddel als de afwezigheid daarvan de consument zou kunnen misleiden over de werkelijke plaats van herkomst van het product. Ook op varkensvlees, pluimveevlees, schapenvlees en geitenvlees moet de plaats van herkomst worden gegeven. Verder wordt de EC in de nieuwe voedselinformatieverordening opgedragen om een effectbeoordeling te maken van uitbreiding van een verplichte herkomstetikettering tot onder meer melk en overige vleessoorten zoals paardenvlees.

Voor herkomstetikettering zijn aanpassingen in het productieproces nodig

Het aanbrengen van een etiket met herkomstinformatie op een levensmiddel lijkt een eenvoudige handeling. Er hangen echter veel veranderingen in het productieproces mee samen, gericht op het scheiden van producten om te kunnen etiketteren naar herkomst (Terluin et al., 2012). De mate waarin het vermelden van de herkomstaanduiding gevolgen heeft voor de inrichting van het productieproces, verschilt van bedrijf tot bedrijf. Het is afhankelijk van de huidige productiewijze van het bedrijf, de omvang van de buitenlandse ingrediënten en het aantal verschillende ingrediënten dat een levensmiddel bevat. Als dat laatste te groot wordt, zoals bijvoorbeeld in het geval van zakjes slamix die soms wel zeven verschillende slasoorten uit zes verschillende herkomstlanden kunnen bevatten, dan stuit verplichte herkomstetikettering op de grenzen van praktische uitvoerbaarheid.

De noodzakelijke aanpassingen leiden tot een verhoging van de kostprijs. Uit schattingen voor zuiveldranken, kaas en doperwten blijkt dat die met 1-3% zou stijgen (Terluin et al., 2012). Hoewel deze kostprijsverhoging misschien op het eerste gezicht niet groot lijkt, moet worden bedacht dat de marges in de levensmiddelenindustrie over het algemeen zeer klein zijn, en veelal zelfs negatief op huismerken en private-labelproducten. Producenten zullen de extra kosten willen doorberekenen aan de consument. Hoewel zo’n 70% van de EU-consumenten de vermelding van de herkomst belangrijk vindt (BEUC, 2013), blijken de meesten van hen daar niet voor te willen betalen (Agrawal en Kamakura, 1999). Welke partij uiteindelijk wordt belast met welk deel van de kosten, wordt bepaald door de verdeling van de marktmacht in de keten, die van product tot product verschilt. Als producenten de extra kosten van herkomstetikettering niet of niet volledig af kunnen wentelen op consumenten, zullen zij proberen om de kosten te verrekenen in een lagere prijs voor boeren. Op die manier werkt herkomstetikettering juist in het nadeel van landbouwproducenten.

Gelet op de bezwaren die aan herkomstetikettering kleven, valt nog te bezien of de EC in haar effectanalyse over de uitbreiding van etikettering naar allerlei producten tot een positief oordeel komt.

2.3.3 Korte ketens en lokaal voedsel

Intensivering en internationalisering zijn belangrijke ontwikkelingen in de wereld van landbouw en voedsel. Naast die schaalvergroting zou bijna uit beeld verdwijnen dat er ook veel kleinschaligheid aanwezig is. In de EU-27 is nog steeds zo’n 60% van de boerenbedrijven als klein te definiëren (EC, 2012b). Deze kleine bedrijven zijn van belang voor de werkgelegenheid, de economie, het landschapsbeheer en de cultuur van lokale gemeenschappen, en sluiten goed aan bij de trend waarin verkorting van ketens centraal staat. Korte ketens worden gepositioneerd als kansrijk in termen van de drie P’s van duurzaamheid (Roep en Wiskerke, 2006; Van der Ploeg et al., 2002; Santini en Gomez y Paloma, 2013). Kleinschalige korte ketens vormen een alternatief voor grootschalige lange ketens, omdat het sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) voordelen biedt. Sociaal-cultureel omdat korte ketens mensen weer verbindt met hun eten en hoe dat geproduceerd wordt. Met het afnemen van de afstand tussen producent en consument maakt vervreemding plaats voor verbinding. Ecologisch omdat er milieuwinst is te boeken doordat lokale afzet transportkilometers en opslag reduceert en bevorderd wordt dat consumenten meer met de seizoenen mee-eten. Economisch voordelig voor primaire producenten, omdat de marges die anders aan de tussenschakels toekomen, nu (meer) rechtstreeks aan hen toevallen.

‘Weconomy’ met korte lijnen

Vanuit het dominante perspectief van de globalisering van agroproductieketens lijken korte ketens op het eerste gezicht niet van deze tijd. Dat ze dat wel zijn blijkt bijvoorbeeld uit het trendrapport van MVO Nederland (2013), waarin wordt gewezen op de sterke opkomst van kleinschalige initiatieven. Dit wordt gezien als een reactie op de grootschaligheid van de wereldwijde handel, op het ongemakkelijke gevoel dat ons spaargeld ver uit ons zicht wordt belegd, en op de financiële crisis die verbonden is met onoverzichtelijke kapitaalstromen en instituties. Een dergelijk beeld sluit goed aan bij recente gedachten die zijn ontwikkeld over de ‘Weconomy’, die de menselijke maat, co-creatie en gemeenschappelijkheid als centrale uitgangspunten heeft. In de Weconomy draait het om waardecreatie tussen partijen met korte onderlinge lijnen, en om verbondenheid en leefbaarheid in lokale netwerken (Jonker, 2013). De kracht van klein wordt ook door Michael Porter bevestigd in het pleidooi dat ondernemingen verantwoordelijkheid dragen voor het welbevinden van de directe omgeving waarin ze opereren. ‘Creating shared value’ noemt Porter dit (Porter en Kramer, 2011).

Klein en groot met elkaar integreren

Als we denken aan pleitbezorgers van ‘wie het kleine niet eert’, dan komt ook het bekende boek Small is beautiful van Ernst Friedrich Schumacher uit 1973 bovendrijven. Ook hierin bestond al aandacht voor een ‘menselijke’ economie die uitgaat van lokale bronnen en behoeften, en die meer kleinschalig georganiseerd is. Schumacher leert ons bovendien dat kleinschaligheid en grootschaligheid elkaar niet uitsluiten. Ook hierin is Schumacher modern, want het zoeken van slimme combinaties van groot en klein gaat voorbij aan polair denken en slaat de weg in naar hybride arrangementen waarin karakteristieken van groot en klein met elkaar integreren. Zo sluit kleinschaligheid intensivering en informatisering allerminst uit.

Andere ondernemersgeest nodig voor korte ketens

Voor het analyseren van de kansen en bedreigingen van korte ketens is het relevant dat ze zich bevinden in de context van het grote voedselsysteem. Eén van de obstakels voor het floreren van korte ketens is bijvoorbeeld dat lokaal geproduceerde etenswaren niet vanzelfsprekend meerwaarde hebben voor consumenten. Zij zijn immers gewoon om te eten uit de wereldkeuken die wordt beleverd door anonieme boeren en fabrikanten. Als primaire producenten hun productieketen wensen te verkorten, zullen ze vaak hulp en training nodig hebben bij het ontwikkelen van vaardigheden om producten de gewenste meerwaarde te geven en ze als zodanig te vermarkten. Er moet een andere ondernemersgeest tot leven komen die een goede motivatie vereist. Die zal de producent ook nodig hebben om zich te verdiepen in relevante wet- en regelgeving en in de vraag in hoeverre lokale voedselsystemen passen in regionale ontwikkelingsplannen. Er zal ervaring moeten worden opgedaan in het samenwerken met andere ketenpartners. Daarnaast moet ook gewerkt worden aan de organisatorische en logistieke opbouw van een regionaal netwerk. Al met al zijn er heel wat uitdagingen om korte ketens tot bloei te krijgen en er een boterham mee te verdienen.

Veel verschillende afzetkanalen voor lokaal voedsel

In Italië zijn er consumentennetwerken (Gruppi di Acquisto Solidale), die gezamenlijk directe inkopen doen bij de lokale boeren en voedselproducenten; in Frankrijk zijn er initiatieven (Associations pour le maintien d’une agriculture paysanne), die ondersteuning geven aan boeren en biologische landbouw door middel van directe verbindingen tussen boeren en consumenten; en in Groot-Brittannië vormen boerenmarkten (farmers’ markets) een aankoopkanaal waar levensmiddelen rechtstreeks van boeren worden gekocht door consumenten. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de talloze lokale voedselnetwerken in de EU (zie voor meer voorbeelden ENRD, 2012; FAAN, 2010; Santini en Gomez y Paloma, 2013). Ze vormen een eenheid in verscheidenheid, in de zin dat lokaal geproduceerd voedsel wordt afgezet via verkoop in de buurt aan horeca, scholen, ziekenhuizen, via ruraal toerisme en via regionale festivals. Ook afzet in de supermarkten is aan de orde. De verbinding tussen lokaal en wereldwijd wordt ook gemaakt via websites waar (groepen) boeren hun lokale lekkernijen aanbieden. Nauw contact tussen producent en consument vindt plaats op boerenmarkten en in boerderijwinkels, waar consumenten het vakmanschap en het verhaal van de boer kunnen ervaren en waar de boer direct aan de consumenten kan vragen wat ze wensen en waarderen.

EU-beleid stimuleert lokale samenwerking

In tijden van een mondiaal voedselsysteem hebben lokale voedselketens plek en betekenis. Dit wordt erkend in Europa, zowel op het niveau van Brussel als dat van lidstaten en regio’s. Een goede reden hiervoor is alleen al dat korte ketens bijdragen aan de ‘biodiversiteit’ in de voedselwereld. Met het creëren van korte ketens als doel maakt samenwerking tussen boeren onderling en tussen ketenpartijen deel uit van de voorstellen voor de inrichting van het GLB na 2013 (EC, 2011c). Om de horizontale en verticale samenwerking tussen de ketenpartijen te stimuleren, is EU-geld beschikbaar ter bevordering van korte ketens, in het bijzonder ten gunste van de oprichting van logistieke platforms en lokale markten.

2.3.4 EU-dierenwelzijnsbeleid

Het dierenwelzijnsbeleid, dat een onderdeel van het GLB vormt, regelt huisvesting, verzorging, transport, slacht en overige behandelingen van dieren (Leenstra et al., 2013). Via EU-richtlijnen zijn minimumeisen van kracht geworden voor de huisvesting van leghennen, vleeskuikens, kalveren en varkens, voor het transport en de slacht van dieren, en voor de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt. Deze regelgeving is door het grote economische belang van de dierlijke productie en de handel daarin, en door culturele en religieuze verschillen in de houding tegenover dierenwelzijn, niet onomstreden.

Zeventien EU-lidstaten voldoen niet aan verbod op zeugenbox

De meest recente regelgeving op het terrein van het EU-dierenwelzijnsbeleid heeft betrekking op het verbod op zeugenboxen. Volgens EU-Richtlijn 2008/120/EC mogen drachtige zeugen met ingang van 1 januari 2013 alleen nog in groepshuisvesting worden gehouden. Hoewel zeugenhouders vanaf 2001 de tijd hebben gehad om hun stallen aan te passen, voldoen begin 2013 slechts 10 EU-lidstaten aan de nieuwe normen (Agra Europe, 2013j). In de meeste andere lidstaten werkt 90-99% van de bedrijven met groepshuisvesting. Alleen Cyprus en Polen blijven ver achter: daar is op slechts zo’n 60% van de bedrijven sprake van groepshuisvesting. In Nederland gaat het om 2% van de zeugenbedrijven (EZ, 2013b). Veel van deze bedrijven hebben vertraging in de naleving opgelopen door vergunningsproblemen (EZ, 2012b). Door deze bedrijven een omvangrijke last onder dwangsom op te leggen hoopte Nederland rond maart 2013 aan de EU-eisen te kunnen voldoen. Eind mei hebben twee bedrijven echter respijt gekregen op last van de rechter (Boerderij Vandaag, 2013a).

Sinds 1 januari 2012 is de tradtionele legbatterij in de EU niet langer toegestaan voor de huisvesting van leghennen. In Nederland is er sinds september 2012 geen bedrijf meer waar nog leghennen in legbatterijen worden gehouden. Bovendien is de verrijkte kooi in Nederland verboden, met een overgangstermijn voor bestaande stallen tot 2021. Het EU-verbod betekent niet dat in alle lidstaten de laatste traditionele kooien al zijn opgeruimd. Volgens informatie van begin december 2012 werden er in Italïe en Griekenland nog leghennen in legbatterijen gehouden. Overigens blijft de EU wel eieren en eiproducten importeren die zijn geproduceerd in legbatterijen in niet-EU-landen (EZ, 2013b).

Literatuur

Adinolfi, F., J. Little en A. Massot (2011). The CAP in the multiannual financial framework 2014/2020. Brussel, Europees Parlement, Directorate General for Internal Policies, Policy Department B: Structural and Cohesion Policies, Agriculture and Rural Development, Note IP/B/AGRI/NT/2011_12

Agra Europe (2011). ‘Commission defends plans for “ecological focus area”’. In: Agra Europe Weekly, 13 december

Agra Europe (2012a). ‘Transitional year for direct payment in 2014’. In: Agra Europe Weekly, 18 december

Agra Europe (2012b). ‘Agriculture Committee MEPs edging closer to agreement on CAP reform’. In: Agra Europe Weekly, 13 november

Agra Europe (2013a). ‘Parliament agriculture committee calls for extension sugar quota to 2020’. In: Agra Europe Weekly, 29 januari

Agra Europe (2013b). ‘Ireland kicks off “ambitious” effort to seal CAP deal by end of June’. In: Agra Europe Weekly, 5 februari

Agra Europe (2013c). ‘Agriculture Committee MEPs vote for “flexibility” in CAP greening measures’. In: Agra Europe Weekly, 29 januari

Agra Europe (2013d). ‘European Parliament opts to sit on the fence over CAP “equivalence”’. In: Agra Europe Weekly, 19 maart

Agra Europe (2013e). ‘MEPs set out conditions for 2014-2020 budget approval’. In: Agra Europe Weekly, 19 maart

Agra Europe (2013f). ‘Member states finally agree on CAP reform negotiating position’. In: Agra Europe Weekly, 26 maart

Agra Europe (2013g). ‘Parliament pushes for “fairer” CAP subsidies across the EU’. In: Agra Europe Weekly, 19 maart

Agra Europe (2013h). ‘Data sheds light on CAP subsidies allocations for 2014-2020’. In: Agra Europe Weekly, 19 februari

Agra Europe (2013i). ‘Analysis: 2014-2020 budget deal ushers in new age of CAP austerity’. In: Agra Europe Weekly, 12 februari

Agra Europe (2013j). ‘Most EU countries falling foul of sow stall rules’. In: Agra Europe Weekly, 5 februari

Agra Europe (2013k). ‘EU to begin large-scale horsemeat testing as scandal escalates’. In: Agra Europe Weekly, 5 februari

Agra Europe (2013l). ‘Single market faces test over ongoing horsemeat debacle’. In: Agra Europe Weekly, 5 maart

Agra Europe (2013m). ‘EU 2014-2020 budget approval eyed in June’. In: Agra Europe Weekly, 30 april

Agra Europe (2013n). ‘Commission proposes overhaul of EU food health and safety rules’. In: Agra Europe Weekly, 14 mei

Agrawal, J. en A. W. Kamakura (1999). ‘Country of origin: a competitive advantage?’ In: International Journal of Research in Marketing (16-4), 255–267

BEUC (2013). Where does my food come from? Brussel

Boerderij Vandaag (2012). ‘Tientallen miljoenen euro’s steun naar sofaboeren’. 29 november

Boerderij Vandaag (2013). ‘Regels voedsel aanscherpen’. 20 februari

Boerderij Vandaag (2013a). ‘Rechter: respijt voor groepshuisvesting zeugen’. 27 mei

Boerderij Weekend (2013). ‘Voedselschandalen zijn hot, maar gaan niet om voedselveiligheid’. 1 maart

Doorn, A.M. van, T.C.P. Melman, W. Geertsema, B.S. Elbersen, H. Prins, A.H.F. Stortelder en R.A. Smidt (2012). Vergroening van het GLB door Ecological Focus Area’s- Verkenning van doelen, randvoorwaarden, kosten en baten. Wageningen, Alterra-rapport 2296

EC (Commissie van de Europese Gemeenschappen) (2007). EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013. Luxemburg

EC (2009). Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions on agricultural product quality policy. Brussel, COM(2009) 234 final, 28 mei

EC (2010). Toelichting bij COM(2010)738 - Wijziging van Verordening 1234/2007 wat de handelsnormen betreft. Via website: http://www.europa-nu.nl/9353000/1/j4nvhdfdk3hydzq_j9vvikqpopjt8zm/vil49qpc87zn#p5

EC (2011a). Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council establishing rules for direct payments to farmers under support schemes within the framework of the common agricultural policy. Brussel, COM(2011) 625 final/2, 19 oktober

EC (2011b). Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council establishing a common organisation of the markets in agricultural products (Single CMO Regulation). Brussel, COM(2011) 626 final/2, 19 oktober

EC (2011c). Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council on support for rural development by the European Agricultural Fund for Rural Development (EAFRD). Brussel, COM(2011) 627 final/2, 19 oktober

EC (2011d). Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council on the financing, management and monitoring of the common agricultural policy. Brussel, COM(2011) 628 final/2, 19 oktober

EC (2011e). Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie. Publicatieblad van de Europese Unie, 22.11.2011, L 304/18

EC (2012a). 5th financial report from the Commission to the European Parliament and the Council on the European Agricultural Guarantee Fund; 2011 Financial Year. Brussel, COM(2012) 484 final, 5 september

EC (2012b). Rural development in de EU: Statistical and economic information report 2012. Brussel

EC (2013). Slimmere regels voor veiliger voedsel: Commissie stelt cruciaal pakket maatregelen voor om de voedselketen in Europa te moderniseren, te vereenvoudigen en te versterken. Persbericht 6 mei, via website: http://europa.eu/rapid/press-release_IP-13-400_nl.htm

ENRD (2012). EU Rural Review: Local food and short supply chains. Brussel, European Network for Rural Development

Europese Raad (2013). Conclusies Europese Raad 7/8 februari 2013 (Meerjarig Financieel Kader). Brussel, EUCO 37/13 CO EUR 5 CONCL 3, 8 februari

Europese Rekenkamer (2012). The effectiveness of the single area payment scheme as a transitional system for supporting farmers in the new member states. Luxemburg, Special Report No 16/2012

EZ (Ministerie van Economische Zaken) (2012a). Verslag Landbouw- en Visserijraad 28 en 29 november 2012. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/12374469, 7 december, Den Haag

EZ (2012b). Beantwoording schriftelijke inbreng Landbouw- en Visserijraad december 2012. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/12379320, 12 december, Den Haag

EZ (2013a). Kwartaalrapportage Gemeenschappelijk Landbouwbeleid – maart 2013. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/13027973, 8 maart, Den Haag

EZ (2013b). Stand van zakenbrief implementatie Europese dierenwelzijnsregels. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Dierlijke Agroketens en Dierenwelzijn, DGA-DAD/12382497, 22 januari,
Den Haag

EZ (2013c). Beantwoording vragen over de aanwezigheid van paardenvlees in rundvleesproducten. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, NVWA/2013/1780, 5 maart, Den Haag

EZ (2013d). Paardenvlees. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directie Staf, NVWA/2013/1352, 14 februari, Den Haag

EZ (2013e). Verslag Landbouw- en Visserijraad 25 en 26 februari 2013. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/13034282, 11 maart, Den Haag

EZ (2013f). Beantwoording vragen van het lid Schouw (D66) over het artikel ‘Europese landbouwsubsidies naar kerken en sjoelclubs’. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/13032949, 5 maart, Den Haag

FAAN (2010). Local food systems in Europe: Case studies from five countries and what they imply for policy and practice. Via website: www.faanweb.eu

Hodge, I. (2009). ‘The further development of agri-environmental schemes: extending and defending conservation values.’ In: Brouwer, F. en C.M. van der Heide (red.), Multifunctional rural land management; Economics and policies, Londen

Jongeneel, R., C.J.A.M. de Bont, J.H. Jager, H. Prins, P. Roza en A.B. Smit (2011). Bedrijfstoeslagen na 2013; Omgaan met dalende bedragen. Den Haag, LEI-rapport 2011-062

Jonker, J. (2013). Werken aan de Weconomy: Duurzaamheid coöperatief organiseren. Dordrecht, Kluwer

LNV (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ) (2010). Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Vergaderjaar 2010-1011, 28 625, nr. 106, 14 oktober, Den Haag

Leenstra, F., L. Arnts en G. van Peet (2013). ‘Dierenwelzijn.’ In: EU-beleid voor landbouw, voedsel en groen. G. Meester, P. Berkhout en L. Dries, Wageningen, te verschijnen

MVO Nederland (2013). Trendrapport 2013: 10 MVO-trends in het Nederlandse bedrijfsleven. Via website: www.mvonederland.nl

Natural England (2013). Entry Level Stewardship; Environmental Handbook; Fourth Edition. Via website: http://publications.naturalengland.org.uk/publication/2798159

NRC (2013). ‘Belang landbouw in de EU daalt’. 15 februari

Ploeg, J.D. van der, A. Long en J. Banks (red.) (2002). Living countryside: Rural development processes in Europe - the state of the art. Doetinchem, Reed Business Information

Porter, M.E. en M.R. Kramer (2011). ‘Creating shared value: How to reinvent capitalism – and unleash a wave of innovation and growth’. Harvard Business Review, January-February, 1-17

Prins, H en A.B. Smit, met medewerking van A.H.F. Stortelder (Alterra), J.M.G.A. Brokx en J.J.C.M. Hammerstein (2011). Vermaatschappelijking van het GLB; Kunnen Agrarische Natuurverenigingen inspiratie opleveren? Den Haag, LEI- Rapport 2011-023

Roep, D. en H. Wiskerke (red.) (2006). Nourishing Networks: Fourteen lessons about creating sustainable food supply chains. Doetinchem, Reed Business Information

Santini, F. en S. Gomez y Paloma (red.) (2013). Short Food Supply Chains and Local Food Systems in de EU: A State of Play of their Socio-Economic Characteristics. Luxemburg, Publications Office of the European Union, Report EUR 25911 EN

Schumacher, E.F. (1973). Small is beautiful: A study of economics as if people mattered. Londen, Blond & Briggs

Terluin, I., J. Benninga, P. Berkhout, V. Immink, B. Janssens, R. Jongeneel, M. Rau en G. Tacken (2012). Herkomstetikettering; Kostenverkenning voor producenten en consumenten. Den Haag, LEI- Rapport 2012-067a

Venema, G., H. van der Veen, R. Jongeneel, J. Jager, H. Silvis, W. Verhoeven en T. Kwaak (2013). Financiële gevolgen Regeerakkoord en Meerjarig Financieel Kader van de EU voor de land- en tuinbouw; Een vergelijking met andere mkb-sectoren. Den Haag, LEI-nota 13-0221

TOC