Begripsomschrijvingen

Bedrijfstypen

Bedrijven worden ingedeeld in bedrijfstypen met behulp van de NSO-typering. De verhouding tussen de Standaardopbrengst (SO) van de sectoren bepaalt in welk bedrijfstype een bedrijf wordt ingedeeld. In de meeste gevallen is een grens van 2/3 in gebruik: komt bijvoorbeeld meer dan 2/3 van de SO uit akkerbouw, dan is sprake van een akkerbouwbedrijf.

Bedrijven-Informatienet

Het Informatienet van het LEI is een database, gebaseerd op een steekproef uit de land- en tuinbouwbedrijven in Nederland, die tot doel heeft een representatief beeld te geven van de bedrijfsuitkomsten en de financiële positie, evenals van de factoren die hierop van invloed zijn. Vertrekpunt voor de steekproef is de jaarlijkse CBS-Landbouwtelling, waarin alle land- en tuinbouwbedrijven met een omvang van minimaal 3.000 euro SO zijn opgenomen. Vanaf 2010 is de ondergrens voor de steekproefpopulatie gelegd op 25.000 euro SO en is er geen bovengrens. In de periode tot 2010 golden andere criteria, gebaseerd op de nge. In 2014 worden ongeveer 48.500 land- en tuinbouwbedrijven uit de Landbouwtelling door het Informatienet gerepresenteerd.

Berekende kosten arbeid en vermogen

Voor de ingezette arbeid van de ondernemer(s) en gezinsleden worden kosten op basis van CAO-uurlonen (inclusief werkgeverslasten) in rekening gebracht. Voor het vermogen wordt per bedrijf een vermogenskostenvoet (rentepercentage) berekend, gebaseerd op de werkelijk betaalde rente over het vreemd vermogen en het rendement van staatsobligaties, vermeerderd met een risico-opslag over het eigen vermogen.

Betaalde kosten en afschrijvingen

De kosten voor de in de productie aangewende goederen (bijvoorbeeld brandstof en veevoer) en diensten (bijvoorbeeld voor diergezondheid), evenals de betaalde lonen, rente en pacht. Ook worden afschrijvingen in rekening gebracht. In overleg met het Ministerie van EZ (destijds: EL&I) en LTO is besloten om vanaf het boekjaar 2009 ook een post ‘afschrijving melkquotum’ in rekening te brengen (zie verder De Bont et al., 2009).

Brutoproductiewaarde

De opbrengstwaarde van de producten, inclusief bijproducten en de aan het product verbonden subsidies, zoals EU premies per dier en per hectare. De bedrijfstoeslagen zijn hierin niet opgenomen.

Factorkosten

De factorkosten zijn de kosten (beloningsaanspraken) van de productiefactoren arbeid en vermogen vastgelegd in grond, gebouwen en overige kapitaalgoederen.

Immateriële activa en voorzieningen

Immateriële activa zijn met name van de overheid verkregen productierechten. Incidenteel komen daarnaast ook kwekersrechten voor. Conform de aanbeveling van het International Accounting Standard Committee in IAS41 worden deze quota gewaardeerd tegen de geldende marktprijs op de balansdatum.

Inkomen uit bedrijf

Het inkomen uit bedrijf resulteert uit de opbrengsten, betaalde kosten en afschrijvingen en de buitengewone baten en lasten (figuur B.1). Het geeft weer welk bedrag op jaarbasis als inkomen resteert vanuit de bedrijfsactiviteiten, waar ook de inkomenstoeslagen en inkomsten uit verbredingsactiviteiten onder worden verstaan.

Non-factorkosten

Non-factorkosten zijn kosten van grondstoffen en diensten betrokken van andere sectoren, die in het productieproces zijn aangewend (inclusief afschrijvingen).

Onbetaalde arbeidsjaareenheden

Het inkomen uit bedrijf is een vergoeding voor de onbetaalde arbeid en kapitaal. De hoeveelheid onbetaalde arbeid kan worden uitgedrukt in onbetaalde arbeidsjaareenheden. Een arbeidskracht die 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als 1 aje. Arbeidskrachten die minder dan 2.000 uur werken, krijgen naar rato minder aje. Ondernemers en hun partners die meewerken in het bedrijf worden gezien als onbetaalde arbeidskrachten, ook als ze via onttrekkingen geld uit het bedrijf halen.

Opbrengsten

De opbrengsten betreffen de verkoop van gewassen, dieren en veehouderijproducten (melk, eieren e.d.), rekening houdend met voorraadverschillen, en de verandering van de balanswaarde van vlottende biologische activa (gebruiksvee en gewassen). Daarnaast worden ook de inkomsten uit toeslagen (EU--premies, natuurbeheer), werk voor derden en andere opbrengsten van het bedrijf meegerekend. De prijsveranderingen van de duurzame biologische activa (o.a. melkkoeien, fokzeugen, fruitbomen) worden na overleg met het ministerie van EZ en LTO vanaf eind 2009 niet meer in de opbrengsten meegenomen. Deze wijziging is met terugwerkende kracht doorgevoerd in de uitkomsten vanaf 2001 die op de website www.agrimatie.nl worden gepubliceerd.

Opbrengsten-kostenverhouding (rentabiliteit)

Het totaal van de opbrengsten die per 100 euro kosten worden gerealiseerd. De kosten zijn inclusief berekende kosten voor de inzet van onbetaalde arbeid en eigen vermogen en grond. Wanneer de totale kosten niet volledig door de opbrengsten worden goedgemaakt, resulteert een cijfer beneden de 100. Het netto-bedrijfsresultaat (opbrengsten minus totale kosten) is dan negatief (figuur B.2). Dat betekent dat de berekende kosten niet volledig worden vergoed, maar het hoeft niet te betekenen dat er geen inkomen (netto bedrijfsresultaat plus berekende kosten) wordt behaald.

Standaardopbrengst (SO)

De Standaardopbrengst (SO) is een maatstaf voor de economische omvang van agrarische bedrijven. De SO is een gestandaardiseerde opbrengst (in euro) per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald. Bedrijfstoeslagen en subsidies zijn niet in de normen opgenomen. De SO worden in het kader van de EU typologie regelmatig herzien. Voor de periode 2010-2012 gelden de normen van prijsniveau 2007, vanaf 2013 van prijsniveau 2010 (gebaseerd op de periode 2008-2012). Een herziening van het prijsniveau kan leiden tot verschuivingen van bedrijven tussen grootteklassen en bedrijfstypen.

Toegevoegde waarde

Het inkomen dat in het productieproces wordt gevormd. Het kan worden berekend als het verschil tussen de productiewaarde en het intermediair verbruik. Het is daarmee de beloning voor de inzet van de betrokken productiefactoren. Kan worden gewaardeerd tegen marktprijzen of factorkosten en kan bruto of netto (minus afschrijvingen) zijn.

Totaal inkomen

Het totaal inkomen is een optelling van het inkomen uit bedrijf en de inkomsten van buiten bedrijf. De inkomsten buiten bedrijf bestaan uit inkomsten uit arbeid, vermogen, uitkeringen en dergelijke van de ondernemer(s) en hun partner(s). De inkomsten van thuiswonende kinderen zijn daarin niet meegenomen.