Begripsomschrijvingen

Bedrijfstypen

Bedrijven worden ingedeeld in bedrijfstypen met behulp van de NSO-typering. In het verleden werd hiervoor de NEG-typering gebruikt, die gebaseerd was op de Nederlandse grootte-eenheden (nge). Bij de NSO-typering bepaalt de verhouding van de Standaardopbrengst (SO) per sector in welk bedrijfstype een bedrijf wordt ingedeeld. In de meeste gevallen is een grens van 2/3 in gebruik: komt bijvoorbeeld meer dan 2/3 van de SO uit akkerbouw, dan is sprake van een akkerbouwbedrijf.

Bedrijveninformatienet

Het Informatienet van het LEI is gebaseerd op een steekproef uit de land- en tuinbouwbedrijven in Nederland, die tot doel heeft een representatief beeld te geven van de bedrijfsuitkomsten en de financiële positie, evenals van de factoren die hierop van invloed zijn. Vertrekpunt voor de steekproef is de jaarlijkse CBS-Landbouwtelling, waarin alle land- en tuinbouwbedrijven met een omvang van minimaal 3.000 euro SO zijn opgenomen (tot 2009: minimaal 3 nge). Van 2001 tot en met 2006 bestond het waarnemingsveld van het Informatienet uit bedrijven met een omvang vanaf 16 tot 1.200 ege (Europese grootte-eenheden). Voor glasgroentebedrijven is de bovengrens in 2006 verhoogd naar 2.000 ege. In de periode 2007-2009 gold die bovengrens ook voor de andere bedrijfstypen. Vanaf 2010 is de ondergrens gelegd op 25.000 euro SO en is de bovengrens vervallen. In 2012 worden ongeveer 48.820 land- en tuinbouwbedrijven uit de Landbouwtelling door het Informatienet gerepresenteerd. Met name het gebruik van de ondergrens leidt tot een sterke afbakening van het aantal bedrijven dat gerepresenteerd wordt.

Berekende kosten arbeid en vermogen

Voor de ingezette arbeid van de ondernemer(s) en gezinsleden worden kosten op basis van cao-uurlonen (inclusief werkgeverslasten) in rekening gebracht. Voor het vermogen wordt per bedrijf een vermogenskostenvoet (rentepercentage) berekend, gebaseerd op de werkelijk betaalde rente over het vreemd vermogen en het rendement van staatsobligaties, vermeerderd met een risico-opslag over het eigen vermogen.

Besparingen

Het bedrag dat van het totale inkomen resteert als daar de privé-uitgaven (incl. belastingen) op in mindering zijn gebracht (figuur B.1).

4751.png

Betaalde kosten en afschrijvingen

De kosten voor de in de productie aangewende goederen (bijvoorbeeld brandstof en veevoer) en diensten (bijvoorbeeld voor diergezondheid), evenals de betaalde lonen, rente en pacht. Ook worden afschrijvingen in rekening gebracht. In overleg met het ministerie van EL&I en LTO is besloten om vanaf het boekjaar 2009 ook een post ‘afschrijving melkquotum’ in rekening te brengen (zie verder De Bont et al., 2009).

Brutoproductiewaarde

De opbrengstwaarde van de producten, inclusief bijproducten en de aan het product verbonden subsidies, zoals EU-premies per dier en per hectare. De bedrijfstoeslagen zijn hierin niet opgenomen.

Factorkosten

De kosten (beloningsaanspraken) van de productiefactoren arbeid en vermogen vastgelegd in grond, gebouwen en overige kapitaalgoederen. Voor onbetaalde arbeid (eigen arbeid) en eigen vermogen worden normatieve beloningen berekend. In de factorkosten is geen vergoeding opgenomen voor bedrijfsleiding.

Immateriële activa en voorzieningen

Immateriële activa zijn met name van de overheid verkregen productierechten. Incidenteel komen daarnaast ook kwekersrechten voor. Conform de aanbeveling van het International Accounting Standard Committee in IAS41 worden deze quota gewaardeerd tegen de geldende marktprijs op de balansdatum.

Inkomen uit bedrijf

Het inkomen uit bedrijf resulteert uit de opbrengsten, betaalde kosten en afschrijvingen en de buitengewone baten en lasten (figuur B.1). Het geeft weer welk bedrag op jaarbasis als inkomen resteert vanuit de bedrijfsactiviteiten, waar ook de inkomenstoeslagen en inkomsten uit verbredingsactiviteiten onder worden verstaan.

Liquiditeitstekort

Er is sprake van een liquiditeitstekort wanneer: totaal inkomen + afschrijvingen – aanwas plantopstanden – mutatie veldinventaris – betaalde belastingen – boekwinsten – normale aflossingen < (20.000 euro * aantal huishoudens). Dit zegt niets over het tijdstip van de betalingen en ontvangsten binnen een jaar. Uitgaven gaan vaak voor de inkomsten uit, zodat liquiditeitstekorten in de praktijk vaker kunnen voorkomen en heviger kunnen zijn dan via deze berekening bepaald.

Non-factorkosten

Kosten van grondstoffen en diensten betrokken van andere sectoren, die in het productieproces zijn aangewend (inclusief afschrijvingen).

Onbetaalde arbeidsjaareenheden

Het inkomen uit bedrijf is een vergoeding voor de onbetaalde arbeid en kapitaal. De hoeveelheid onbetaalde arbeid kan worden uitgedrukt in onbetaalde arbeidsjaareenheden (aje). Een arbeidskracht die 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als 1 aje. Arbeidskrachten die minder dan 2.000 uur werken, krijgen naar rato minder aje.

Opbrengsten

De opbrengsten betreffen de verkoop van gewassen, dieren en veehouderijproducten (melk, eieren en dergelijke), rekening houdend met voorraadverschillen, en de verandering van de balanswaarde van vlottende biologische activa (gebruiksvee en gewassen). Daarnaast worden ook de inkomsten uit toeslagen (EU-premies, natuurbeheer), werk voor derden en andere opbrengsten van het bedrijf meegerekend. De prijsveranderingen van de duurzame biologische activa (onder andere melkkoeien, fokzeugen, fruitbomen) worden vanaf eind 2009 niet meer in de opbrengsten meegenomen. Deze wijziging is met terugwerkende kracht doorgevoerd in de uitkomsten vanaf 2001 die op de website worden gepubliceerd.

Opbrengsten-kostenverhouding (rentabiliteit)

Het totaal van de opbrengsten die per 100 euro kosten wordt gerealiseerd. De kosten zijn inclusief berekende kosten voor de inzet van onbetaalde arbeid en eigen vermogen. Wanneer de totale kosten niet volledig door de opbrengsten worden goedgemaakt, resulteert een cijfer beneden de 100. Het nettobedrijfsresultaat (opbrengsten minus totale kosten) is dan negatief (figuur B.2). Dat betekent dat de berekende kosten niet

4910.png

volledig worden vergoed, maar het hoeft niet te betekenen dat er geen inkomen (netto bedrijfsresultaat plus berekende kosten) wordt behaald.

Standaardopbrengst (SO)

Een maatstaf voor de economische omvang van agrarische bedrijven. De SO is een gestandaardiseerde opbrengst (in euro) per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald. Bedrijfstoeslagen en subsidies zijn niet in de normen opgenomen. De SO worden in het kader van de EU typologie regelmatig herzien. Voor de periode 2000-2009 gelden de normen van prijsniveau 2004, vanaf 2010 van prijsniveau 2007 (gebaseerd op de periode 2005-2009). Een herziening van het prijsniveau kan leiden tot verschuivingen van bedrijven tussen grootteklassen en bedrijfstypen.

Toegevoegde waarde

Het inkomen dat in het productieproces wordt gevormd. Het kan worden berekend als het verschil tussen de productiewaarde en het intermediair verbruik. Het is daarmee gelijk aan het inkomen dat beschikbaar is voor de beloning van de betrokken productiefactoren. Kan worden gewaardeerd tegen marktprijzen of factorkosten en kan bruto of netto (minus afschrijvingen) zijn.

Totaal inkomen

De som van het inkomen uit bedrijf en de inkomsten van buiten bedrijf. De inkomsten buiten bedrijf bestaan uit inkomsten uit arbeid, vermogen, uitkeringen en dergelijke van de ondernemer(s) en hun partners(s). De inkomsten van thuiswonende kinderen zijn daarin niet meegenomen.