Resultaten en investeringen land- en tuinbouw

7.1  Sectorresultaten

De geraamde bruto productiewaarde van de land- en tuinbouw in Nederland kwam in 2014 uit op ruim 27 miljard euro, dat is bijna 3% lager dan in 2013 vooral vanwege lagere prijzen (tabel 7.1). Het volume van de totale productie nam licht toe, met name door een hogere productie in de akkerbouw (suikerbieten +13%, aardappelen +4%) en de intensieve veehouderij (pluimveevlees +6%, eieren +3%). De prijzen van vrijwel alle belangrijke akkerbouwproducten (granen, aardappelen en suikerbieten) gingen met bijna 20% fors omlaag. Bij deze cijfers moet worden aangetekend dat het geraamde totaalbeeld van de land- en tuinbouwsector voor een aantal producten (zoals aardappelen, uien, appelen en peren) is gebaseerd op kalenderjaren (afzetpatroon en prijzen); het geraamde inkomen van het gemiddelde landbouwbedrijf in Nederland (paragraaf 7.2) is voor diezelfde producten gebaseerd op oogstjaren. Beide ramingen kunnen op grond hiervan van elkaar afwijken.

In zowel 2012 als in 2013 werden hogere prijzen voor akkerbouwproducten gerealiseerd. De melkprijs daalde, na het zeer goede jaar 2013, uiteindelijk licht. In de eerste maanden van 2014 werd het hoge niveau van 2013 nog wel voortgezet, maar na de zomer daalde de gemiddelde melkprijs met zo’n 5%. De gemiddelde prijs in de landbouw nam, mede door lagere prijzen in alle sectoren, met ruim 4% af. Het aandeel van de veehouderij in de totale productiewaarde blijft steken op ongeveer 40%, die van de tuinbouw steeg licht tot 35%.

De waarde van de aangekochte goederen en diensten nam sterker af dan de productiewaarde. De daling komt vrijwel volledig voor rekening van lagere prijzen van met name veevoer (-9%) en energie (-7%). De prijzen voor energie waren in 2013 nog ruim 6% hoger dan in 2012. De ruilvoet verslechterde in 2014 doordat opbrengstprijzen sterker daalden dan de prijzen van aangekochte goederen en diensten. De productiviteit daarentegen nam toe omdat het outputvolume steeg en het inputvolume nagenoeg gelijk bleef.

De bruto toegevoegde waarde nam door deze ontwikkelingen met iets meer dan 2% af ten opzichte van 2013. Daar zowel de afschrijvingen als het saldo van heffingen en subsidies in 2014 toenamen, daalde de netto toegevoegde waarde met ruim 4% tot 6,9 miljard euro. Tegen een afname van het aantal arbeidskrachten in de land- en tuinbouw in 2014 stonden hogere loonkosten per arbeidskracht. De totale betaalde factorkosten (loon, rente en pacht) daalden echter wel dankzij de zeer lage rentestand en daarmee samenhangend de lagere betaalde rente. Het resterend inkomen nam door bovengenoemde ontwikkeling met 8,5% af. Omdat er in 2013 nog sprake was van een zeer forse toename van het resterend inkomen met ruim 40%, blijft 2014 een goed jaar met een resterend inkomen dat boven het niveau van 2010, 2011 en 2012 ligt.

Tabel 7.1

Productiewaarde, kosten en inkomen (mln. euro) van de primaire land- en tuinbouw, 2012-2014

Waarde (mln. euro)

Mutatie (%) 2014 t.o.v. 2013

2012

2013 (v)

2014 (r)

Volume

Prijs

Bedrag

Bruto productiewaarde

(+)

26.867 

28.299 

27.508 

+1,6

-4,3

-2,8

w.v. akkerbouwproducten

3.720 

3.725 

3.245 

+2,6

-15,1

-12,9

tuinbouwproducten

9.071 

9.675 

9.653 

+1,8

-2,0

-0,2

rundveehouderijproducten

5.933 

6.907 

6.837 

+1,1

-2,1

-1,0

intensieve veehouderijproducten

4.461 

4.262 

4.146 

+3,3

-5,8

-2,7

overige landbouwproducten

3.681 

3.731 

3.627 

-0,7

-2,1

-2,8

Aangekochte goederen en diensten

(-)

17.692 

18.070 

17.502 

+0,1

-3,2

-3,1

w.v. veevoeder

5.715 

5.855 

5.357 

+0,6

-9,1

-8,5

energie

2.147 

2.147 

1.920 

-3,7

-7,1

-10,5

Bruto toegevoegde waarde

(=)

9.175 

10.229 

10.006 

-2,2

Afschrijvingen

(-)

3.712 

3.814 

3.910 

+2,5

Saldo heffingen en subsidies

(+)

727

829

837

+0,9

Netto toegevoegde waarde

(=)

6.191 

7.244 

6.932 

-4,3

Betaalde factorkosten

(-)

4.165 

4.321 

4.256 

-1,5

Resterend inkomen

(=)

2.026 

2.923 

2.676 

-8,5

Figuur 7.1 laat zien dat de bruto productiewaarde en de waarde van aangekochte goederen en diensten tussen 2000 en 2014 een vergelijkbare ontwikkeling doormaken. Het resterend inkomen daalt. In 2009 was de bruto productiewaarde beduidend lager dan in 2010 vanwege zeer lage prijzen voor melk, glasgroenten en snijbloemen. Deze producten zijn voor de Nederlandse agrarische sector van groot belang en hebben een grote invloed op de ontwikkeling van de totale productiewaarde.

Het Nederlandse inkomen in EU-perspectief

Niet alleen de bedragen uit de sectorrekening zijn door het CBS in 2014 gereviseerd, ook het aantal arbeidskrachten in de land- en tuinbouw is, op basis van de laatste inzichten, naar beneden bijgesteld wat gevolgen heeft voor het factorinkomen per arbeidskracht. In 2014 was het (nominale) inkomen per arbeidskracht in Nederland ruim 47.500 euro, een afname van 3,5% ten opzichte van het zeer goede jaar 2013. Weliswaar is dit een berekend bedrag, maar omdat het systeem van de landbouwrekeningen in de Europese Unie eenduidig is, kan er wel een vergelijking gemaakt worden met andere landen.

De factorinkomens in Nederland zijn in 2013 en 2014 beduidend hoger dan in omringende landen België, Duitsland en Frankrijk (figuur 7.2). In de EU-27 bedroeg het gemiddelde factorinkomen in 2014 bijna 15.500 euro. Dit is ongeveer een derde van het niveau in Nederland en nagenoeg gelijk aan vorig jaar. Zoals uit figuur 7.2 blijkt zijn de verschillen tussen de lidstaten erg groot. Vooral in de nieuw toegetreden landen blijven de inkomens achter bij die in de oude EU-15. Zo is in Polen het inkomen ruim 5.000 euro, dat is een derde van het EU-gemiddelde.

In 2014 daalde het factorinkomen per arbeidskracht in België en Nederland, in Duitsland en Frankrijk was sprake van een lichte toename. De prijzen voor granen, aardappelen en suikerbieten waren laag in deze landen. Dit werkte het sterkste door in België omdat daar - in tegenstelling tot de andere landen - geen compensatie is door andere plantaardige gewassen. In Duitsland stegen de prijzen van voedergewassen, die een relatief groot aandeel in de totale productiewaarde van de gewassen hebben. In Frankrijk was het de wijn die de productiewaarde op niveau hield. In Nederland was sprake van stabiele prijzen voor tuinbouwgewassen. Met een aandeel van meer dan 30% in de totale productiewaarde van de gewassen zorgde dit voor een stabilisatie.

De productiewaarde voor dieren en dierlijke producten nam in alle genoemde landen uitgezonderd Frankrijk. In Frankrijk steeg de melkprijs fors (+8%). Aan de inputkant worden alle genoemde landen geconfronteerd met vergelijkbare prijsdalingen bij nagenoeg gelijk blijvende volumes.

7.2  Bedrijfsresultaten in het algemeen

De resultaten van land- en tuinbouwbedrijven in deze en volgende paragrafen zijn gebaseerd op de gegevens van steekproefbedrijven uit het Informatienet. De resultaten voor 2014 zijn echter nog ramingen, die zijn gebaseerd op informatie over ontwikkelingen van prijzen, productiehoeveelheden en dergelijke. De gerepresenteerde steekproefpopulatie bestond in 2013 uit ongeveer 49.100 bedrijven; de overige ongeveer 16.000 door de Landbouwtelling geregistreerde bedrijven zijn kleiner dan de ondergrens van 25.000 euro Standaardopbrengst die voor het Informatienet wordt gehanteerd.

7.2.1  Inkomensvorming

Na twee zeer goede jaren (2012 en 2013) zal volgens de raming het inkomen uit bedrijf van het gemiddelde land- en tuinbouwbedrijf in 2014 lager uitkomen (tabel 7.2). De daling is vooral toe te schrijven aan minder goede resultaten in de akkerbouw, varkenshouderij en fruitteelt vanwege lagere opbrengstprijzen. Een flinke inkomensverbetering is geraamd voor de - in aantallen bedrijven - wat kleinere sectoren zoals de pluimvee- en melkgeitenhouderij. Voor de grootste sector, de melkveehouderij, is een lichte toename van het inkomen geraamd op basis van een hogere melkopbrengst en lagere voerprijzen (agrimatie.nl).

Behalve lagere opbrengsten is er ook sprake van gemiddeld afgenomen kosten, met name door lagere prijzen voor veevoer en energie. Het nu voor 2014 geraamde nominale inkomen is ondanks de daling nog wel beduidend hoger dan het gemiddelde sinds 2001. Daar staat tegenover dat het inkomen nu is behaald met een bedrijf dat beduidend groter is, mede doordat veel kleine bedrijven zijn afgevallen. In 2014 wordt van de 528.500 euro aan opbrengsten ongeveer 52.000 euro aan inkomen uit bedrijf overgehouden, bijna 10%. In de gepresenteerde vijfjaarsgemiddelden bedraagt dat percentage respectievelijk ruim 13 en krap 12. Dat betekent dat ondanks de absolute stijging van het inkomen een groter deel van de opbrengsten op is gegaan aan kosten: de marge is teruggelopen. Voor een deel spelen daarbij prijzen een rol; zo zijn veevoer en energie in 2014 weliswaar goedkoper dan in 2013, maar ligt de prijs nog wel boven het niveau aan het begin van dit millennium. Een ander aspect dat meespeelt is dat gedurende 2009-2015 afschrijving op melkquotum plaatsvindt, wat in de eerdere jaren niet het geval was. Op de gemiddeld grotere bedrijven speelt ook het vreemd vermogen een grotere rol dan op het gemiddelde van destijds, maar de betaalde rente is niet navenant toegenomen, mede door de lagere rentevoet.

Bij de inkomensvorming uit bedrijf spelen ook andere opbrengsten dan van de agrarische producten een rol. Het gaat dan om ontvangen subsidies (dit zijn vooral de bedrijfstoeslagen) en overige inkomsten waaronder de verbredingsactiviteiten zoals zorglandbouw, agrarische kinderopvang, recreatie, agrarisch natuurbeheer, boerderijeducatie en boerderijverkoop. Gezamenlijk maken die posten ongeveer 8 tot 10% uit van de totale opbrengsten, maar dat verschilt sterk tussen bedrijven. Uit de meest recente omzetmeting multifunctionele landbouw blijkt de omzet in 2013 uit verbredingsactiviteiten ongeveer 500 mln. euro te bedragen; een lichte stijging ten opzichte van 2011 (Van der Meulen, et al., 2014a). In een jaar met wat mindere bedrijfsresultaten, zoals in 2011, is het belang van de niet-landbouwopbrengsten relatief groter dan in goede jaren.

Ook het belang van de inkomsten van buiten het bedrijf, waaronder uit arbeid, spaargelden, beleggingen en uitkeringen, neemt toe in een jaar met tegenvallende bedrijfsresultaten. De inkomsten van buiten het bedrijf laten de laatste jaren een kleine daling zien, gemiddeld gaat om een bedrag van rond de 18.000 euro. Ook hier geldt dat de verschillen tussen bedrijven groot zijn (zie ook de analyse in de paragraaf 7.2.3).

Tabel 7.2

Resultaat en inkomen (1.000 euro per bedrijf per jaar) van het gemiddelde land- en tuinbouwbedrijf a, 2001-2014

2001-2005

2006-2010

2011

2012

2013

2014(r)

Opbrengsten

(+)

275,0

388,1

493,8

529,0

543,0

528,5

w.v. landbouwproductie (%)

95,0

90,9

90,5

91,5

91,6

91,7

toeslagen en subsidies (%)

3,0

4,7

4,4

4,1

3,8

3,9

overige (onder andere verbreding) (%)

2,0

4,4

5,1

4,4

4,6

4,4

Betaalde kosten en afschrijvingen

(-)

239,1

345,3

452,8

465,6

482,5

477,0

Buitengewone baten en lasten

(+)

1,0

-0,5

0,0

0,0

0,0

0,3

Inkomen uit bedrijf

(=)

36,9

42,3

41,0

63,4

60,5

51,8

Idem per onbetaalde aje

25,8

29,5

28,3

43,9

42,6

36,5

Inkomsten buiten bedrijf

(+)

11,8

19,1

19,7

21,2

18,5

18,2

w.v. arbeid

5,7

9,0

10,1

8,8

8,2

8,0

overig

6,1

10,1

9,6

12,4

10,3

10,1

Totaal inkomen

(=)

48,7

61,4

60,6

84,6

79,0

70,0

7.2.2  Inkomensspreiding

De verschillen in inkomen uit bedrijf zijn groot. Deze ontstaan onder meer door een uiteenlopende bedrijfsomvang en -opzet, arbeidsefficiency en ondernemerschap. Binnen een jaar speelt ook de sector waarin het bedrijf actief is een rol. Zo was 2013 voor tomatentelers een erg slecht jaar en zaten die bedrijven vooral bij de groep met lage inkomens, terwijl ze in 2014 door hogere tomatenprijzen juist bij de groep met de hoogste inkomens zaten. Om de bedrijfsresultaten van in omvang verschillende bedrijven beter te kunnen vergelijken, wordt het inkomen veelal uitgedrukt in euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Daarmee is de vergoeding, het inkomen, dus gekoppeld aan de input van arbeid waar het een vergoeding voor is. Gemiddeld zijn er per bedrijf 1,4 onbetaalde aje; dit aantal is door de jaren heen vrij constant. Het gaat hier om de ondernemers, hun partners en andere niet-betaalde gezinsleden. Op kleinere bedrijven kan de arbeidsinzet kleiner zijn dan 1 aje.

Figuur 7.3 toont de mate van de verschillen in inkomen per onbetaalde aje tussen bedrijven. De figuur geeft zowel het gemiddelde weer (de lijn) als de spreiding (het vlak). Per jaar geldt dat 60% van de bedrijven een inkomen haalt dat in het gekleurde vlak ligt. Twintig procent van de bedrijven scoort lager dan de ondergrens van dat vlak (2014 (r): lager dan ongeveer -9.000 euro) en een even grote groep scoort hoger dan de bovengrens van het vlak (2014 (r): hoger dan ongeveer 68.000 euro). In de groep van 20% met de laagste inkomens zijn in 2014 varkenshouders en fruit- en komkommertelers relatief sterk vertegenwoordigd en in de groep van 20% bedrijven met de hoogste inkomens potplantentelers en geiten- en vleeskuikenbedrijven. Binnen een bedrijfstype geldt voor veel bedrijven dat ze min of meer een relatief vaste positie ten opzichte van anderen hebben. Goed ondernemerschap zorgt ervoor dat de besten vaak de besten blijven.

7.2.3  Inkomsten buiten bedrijf uit arbeid

De meeste bedrijven halen naast inkomsten uit het bedrijf ook inkomsten van buiten het bedrijf; gemiddeld 18.000 euro in 2013 (tabel 7.3). Die inkomsten van buiten het bedrijf kunnen grofweg in drie onderdelen worden opgesplitst: arbeid, vermogen en sociale uitkeringen. Arbeid is met ongeveer 8.000 euro per bedrijf wel belangrijk, maar het aandeel in de totale inkomsten van buiten het bedrijf vertoont een enigszins dalende tendens (tabel 7.2). Deze opbrengsten uit arbeid buiten het bedrijf worden in het Informatienet verzameld bij de steekproefbedrijven die bereid zijn hun privégegevens beschikbaar te stellen. Er wordt dan gekeken naar de arbeid, zoals loondienst of presentiegelden, die is uitgevoerd door de ondernemer(s) en hun partner(s).

Ruim de helft van de bedrijven die door het Informatienet wordt vertegenwoordigd heeft in 2013 geen inkomsten buiten het bedrijf uit arbeid ontvangen (tabel 7.3), bij ongeveer één op de vijf bedrijven zijn de opbrengsten meer dan 20.000 euro per jaar. Deze groep neemt ruim driekwart van de totale inkomsten buiten bedrijf uit arbeid voor zijn rekening. Het zijn bedrijven die gemiddeld kleiner van omvang zijn dan de bedrijven in andere groepen (212.000 euro SO versus 428.000 euro SO). De ondernemers en/of partners op kleinere bedrijven zijn dus gemiddeld meer buiten het bedrijf werkzaam dan de agrariërs met een groter bedrijf. De bedrijven met de hoogste inkomsten uit arbeid buiten het bedrijf hadden in 2013 desondanks een totaal inkomen dat lager ligt dan op de andere bedrijven (tabel 7.3).

Naast de bedrijfsomvang speelt ook het bedrijfstype een rol bij het niveau van de inkomsten uit arbeid buiten het bedrijf. Het arbeidspatroon op tuinbouw- en melkveebedrijven laat zich moeilijker verenigen met een werkkring buiten het bedrijf dan op akkerbouw- of intensieve veehouderijbedrijven. In de glastuinbouw en de melkveehouderij komen dan ook vrij veel bedrijven voor zonder, dan wel met zeer lage inkomsten uit arbeid van buiten het bedrijf. Onder de overige bedrijven, voor een belangrijk deel gemengde bedrijven en overige graasdierbedrijven, zijn relatief veel bedrijven met hoge inkomsten uit arbeid van buiten het bedrijf te vinden. Vaak gaat het om bedrijven waar het agrarisch bedrijf niet meer de hoofdtak vormt.

Omdat het om arbeidsinkomsten gaat van zowel de ondernemer als de partner is niet alleen het bedrijfstype beslissend of er al dan niet buiten het bedrijf kan worden gewerkt. Zo blijkt ruim 40% van de partners buitenshuis te werken (Van der Meulen et al., 2014b; zie ook paragraaf 6.2.2). Ook de bedrijven zonder inkomsten buiten bedrijf uit arbeid behalen over het algemeen toch ook wel inkomsten buiten bedrijf (tabel 7.3). Dan gaat het met name om sociale uitkeringen, zoals kinderbijslag of AOW, aangevuld met opbrengsten uit privébezittingen (onder andere beleggingen).

Tabel 7.3

Kengetallen per bedrijf verdeeld naar inkomsten buiten bedrijf uit arbeid, 2013

Inkomsten buiten bedrijf uit arbeid (1.000 euro) 

0

> 0 - 2,5

2,5 - 10

10 - 20

> 20

Totaal

Verdeling bedrijven

55

8

8

10

18

100

Verdeling inkomsten buiten bedrijf uit arbeid

0

1

5

17

77

100

Totaal inkomen (1.000 euro)

83

85

64

48

42

70

w.v. inkomsten buiten bedrijf

9

17

13

20

45

18

Idem in %

11

20

20

42

109

25

Structuur

 

 

 

 

 

 

SO (x 1.000)

503

544

371

351

212

428

Onbetaalde aje

1,4

1,7

1,3

1,3

0,8

1,3

Bedrijven naar type (verticaal = 100%)

 

 

 

 

 

 

Akkerbouw

10

22

31

21

7

13

Melkveehouderij

36

36

31

52

22

35

Intensieve veehouderij

6

13

7

10

12

8

Glastuinbouw

9

7

5

1

1

6

Opengrondstuinbouw

20

14

5

1

3

13

Overig

19

7

21

15

54

24


7.3  
Bedrijfsresultaten naar type

7.3.1  Vergelijking van typen 2009-2013

In tabel 7.4 is de inkomensvorming per bedrijfstype in 2009-2013 weergegeven. Het gemiddelde inkomen kwam uit op bijna 48.000 euro per bedrijf, dit is de vergoeding voor onder andere de inzet van 1,4 onbetaalde aje. De vergoeding per onbetaalde aje kwam daarmee uit op 33.000 euro per jaar. Op de varkensbedrijven was dit inkomen over deze periode veel lager. De eerste drie jaren in het gemiddelde waren voor deze sector slecht, daarna lagen ze twee jaren op het landelijk gemiddelde. De melkveehouderij scoort met name door het slechte jaar 2009 en het iets minder goede jaar 2012 ook duidelijk onder het landelijke gemiddelde. Voor de glastuinbouw drukte het negatieve inkomen in 2009 zwaar in het vijfjaarsgemiddelde, maar omdat de andere jaren een stuk beter waren ligt het inkomen per onbetaalde aje nagenoeg op het landelijk gemiddelde.

Binnen de glastuinbouwsector zijn er grote verschillen in inkomens tussen de afzonderlijke bedrijfstypen. De pot- en perkplantenbedrijven behalen al jaren achtereen goede resultaten, gemiddeld over de periode 2009-2013 circa 69.000 euro per onbetaalde aje. De gemiddelde resultaten van de glasgroentebedrijven zijn veel slechter. Deze sector is sinds het begin van deze eeuw in areaal met circa 10 procentpunten gegroeid tot ruim de helft van het areaal glastuinbouw. De tegenvallende prijzen van groenten in 2009 als gevolg van overaanbod in een overvolle Europese markt en de EHEC-crisis in 2011, zorgden mede voor een lager resultaat. De inkomensschommelingen bij snijbloemenbedrijven waren minder extreem dan bij de glasgroentebedrijven; de inkomens blijven gemiddeld voor de periode 2009-2013 nog wel onder het niveau van de glasgroente steken ondanks de forse krimp van het areaal met 45% sinds 2000. Als gevolg van de slechte economische situatie in de glastuinbouw, zijn de laatste jaren diverse bedrijven in betalingsproblemen gekomen of zelfs failliet gegaan. De banken moesten hierdoor vanaf 2012 miljoenen afboeken op kredieten in de glastuinbouw.

De akkerbouwbedrijven lieten in deze periode bovengemiddelde resultaten zien, door hoge opbrengstprijzen in vooral 2010 en 2012. De leghennenbedrijven hebben vanaf 2008 te maken met een zeer grillig verloop van de gemiddelde inkomens met hoogtepunten (2010 en 2012) en dieptepunten (2011 en 2013). De onevenwichtigheden zijn mede veroorzaakt door de verplichte omschakeling van traditionele kooihuisvesting naar alternatieve huisvesting (Van der Meulen et al., 2013). In de vleeskuikensector waren de inkomensschommelingen in de periode 2009-2013 juist minder dan in de jaren daarvoor.

Tabel 7.4

Inkomensvorming (euro per bedrijf per jaar) naar bedrijfstype,
gemiddelde 2009- 2013

Aantal

onbetaalde

aje

per bedrijf

Inkomen uit bedrijf

Inkomsten

buiten

bedrijf

(x 1.000)

Totaal

inkomen

(x 1.000)

Per 100

euro op-

brengsten

Per 100 euro onbetaalde kosten

Per
onbetaalde aje

(x 1.000)

Per

bedrijf

(x 1.000)

Totaal land- en tuinbouw

1,4

9,9

61,0

33,1

47,7

18,6

66,3

Melkveebedrijven

1,5

12,0

46,3

26,3

39,6

15,7

55,4

Vleeskalverenbedrijven

1,4

22,5

64,1

31,8

43,5

.

.

Varkensbedrijven

1,2

3,8

39,9

20,9

24,6

23,3

47,9

Leghennenbedrijven

1,5

5,1

57,6

30,5

45,0

16,3

61,3

Vleeskuikenbedrijven

1,3

3,7

80,1

41,1

51,7

14,2

65,9

Akkerbouwbedrijven

1,1

24,2

116,6

68,0

74,4

24,7

99,1

Glastuinbouwbedrijven

1,7

3,6

70,6

32,0

54,1

8,0

62,1

Vollegrondsgroentebedrijven

1,6

10,0

49,8

25,5

40,4

.

.

Fruitbedrijven

1,4

13,3

53,5

29,6

41,4

.

.

Bloembollenbedrijven

1,5

10,9

107,4

56,2

86,8

.

.

Boomkwekerijbedrijven

1,6

16,6

82,2

45,3

73,1

.

.

Het kengetal inkomen uit bedrijf per 100 euro opbrengsten geeft aan met welke marges er in de sectoren wordt gewerkt. Gemiddeld blijft van elke 100 euro ongeveer 10 euro over als inkomen uit bedrijf (beloning voor de inzet van eigen kapitaal en arbeid), maar die marge verschilt sterk tussen de bedrijfstypen (tabel 7.4). Vooral in de intensieve veehouderij en de glastuinbouw zijn de marges laag, veroorzaakt door hoge kosten voor respectievelijk veevoer, arbeid en energie. Bij deze bedrijfstypen is dus veel meer omzet nodig om een gelijk inkomen te halen als bij de andere typen. De meer grondgebonden bedrijven hebben in het algemeen grotere marges. Dit geldt in deze periode bij uitstek voor de akkerbouwbedrijven. Met een omzet van ruim 300.000 euro werd een hoger inkomen behaald dan bijvoorbeeld de vleeskuikenbedrijven, die een meer dan vier keer zo hoge omzet realiseerden (agrimatie.nl).

De inzet van eigen arbeid en kapitaal in de land- en tuinbouw wordt niet marktconform beloond. Dat uit zich onder andere in het standaardkengetal rentabiliteit (of opbrengst per 100 euro kosten). Met die rentabiliteit wordt naar de kostendekking van alle kosten gekeken (zie ook paragraaf 7.3.2). Het kan ook aantrekkelijk zijn om naar de kostendekking van de onbetaalde arbeid en kapitaal te kijken. Daarbij geldt dat gemiddeld 61% van die berekende kosten van (eigen) arbeid en vermogen wordt vergoed (tabel 7.4). Deze vergoeding is een stuk hoger dan over de periode 2007-2011, toen een dekking van 47% werd berekend (Berkhout et al., 2013). Een groot deel van de vergoeding wordt gerealiseerd door bedrijfstoeslagen en subsidies. Worden die toeslagen buiten beschouwing gelaten, dan wordt de vergoeding bijna gehalveerd. De kostendekking verschilt sterk tussen bedrijfstypen en daarbinnen ook tussen bedrijven. In de varkenshouderijsector met lage inkomens is deze vergoeding het laagst; op de akkerbouw- en bloembollenbedrijven, met goede bedrijfsresultaten, is deze vergoeding het hoogst.

In het algemeen geldt dat binnen een bedrijfstype de kostendekking bij kleinere bedrijven lager is dan bij grotere. In feite komt dat neer op een verschil in rendement, dat zich uiteindelijk vertaalt in de continuïteitspositie van bedrijven en in een drang tot schaalvergroting. Daarbij vindt dan selectie plaats van bedrijven, waarbij de bedrijven waar te weinig middelen aanwezig zijn om uitbreiding te financieren uiteindelijk genoodzaakt zijn om te stoppen.

De inkomsten van buiten het bedrijf, onder meer uit arbeid buitenshuis, premies en uitkeringen, bedragen gemiddeld voor alle bedrijven ongeveer 18.500 euro. Met een aandeel van bijna 30% op het totale inkomen is het een belangrijke aanvulling op het bedrijfsinkomen in 2009-2013. Ook bij dit kengetal zijn de verschillen tussen de bedrijfstypen groot. In de varkenshouderij zijn de inkomsten van buiten het bedrijf in deze periode bijna net zo groot als die uit het bedrijf. Op de akkerbouwbedrijven met een relatief hoog inkomen uit bedrijf zijn de inkomsten van buiten het bedrijf het hoogst; op de glastuinbouwbedrijven het laagst.

7.3.2  Berekende en betaalde kosten

Op intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven maken de betaalde kosten een groter deel uit van de totale kosten dan bij andere bedrijfstypen (figuur 7.4). Dat betekent ook dat de rentabiliteit, het totaal van de opbrengsten die per 100 euro kosten wordt gerealiseerd, bij die bedrijfstypen op een hoger niveau moet liggen om een inkomen te halen. Waar melkveehouders gemiddeld met een rentabiliteit van 90 prima uit de voeten kunnen, zal dat voor glastuinders een financiële ramp betekenen. In figuur 7.4 zijn de rentabiliteit en de verschillen in aandelen betaalde en berekende kosten weergegeven. Het hoogste aandeel betaalde kosten komt voor in de niet-grondgebonden sectoren glastuinbouw, pluimvee en varkenshouderij. Van oudsher werken de grondgebonden bedrijven met een relatief grotere inzet van eigen arbeid en kapitaal. Schaalvergroting zorgt er voor dat vooral in de melkveehouderij het aandeel betaalde kosten fors toeneemt. Doordat bedrijven een groter deel van de gerealiseerde opbrengsten aan kosten betalen daalt de inkomensmarge. Dat betekent dat bedrijven gevoeliger c.q. kwetsbaarder worden voor schommelingen in de opbrengsten en de kosten. Dit gegeven onderstreept het toenemende belang van en aandacht voor risicomanagement op land- en tuinbouwbedrijven.

Ondanks de toename van het aandeel betaalde kosten in de land- en tuinbouw voltrekt het proces van schaalvergroting zich nog steeds in belangrijke mate binnen de proporties van het gezinsbedrijf (Berkhout et al., 2014). Een toename van het aandeel betaalde kosten laat wel zien dat er naast het traditionele gezinsbedrijf, ook ruimte is voor bedrijven waar dezelfde generatie samenwerkt of die in staat zijn een of meer medewerkers marktconform te belonen waardoor gezinsbedrijven transformeren naar familiebedrijven.

Bij de berekende rente, zoals opgenomen in de berekende kosten, geldt dat in de loop van de tijd de bedrijfsopzet van het gemiddelde bedrijf sterk is gewijzigd, maar dat de berekende rente nog nagenoeg gelijk is aan die van begin van deze eeuw. Het balanstotaal en het eigen vermogen zijn door herwaarderingen en groei van bedrijven sterk toegenomen, maar de rentevoet is juist sterk gedaald.

7.3.3  Inkomensverschillen tussen typen

Om de bedrijfsresultaten van in omvang verschillende bedrijven beter te kunnen vergelijken, wordt het inkomen veelal uitgedrukt in euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Daarmee vindt dus ook een koppeling plaats van het resultaat aan de ingezette hoeveelheid arbeid. Gemiddeld zijn er per bedrijf 1,4 onbetaalde aje; dit aantal is door de jaren heen vrij constant. Het gaat hier om de ondernemers, hun partners en andere niet-betaalde arbeidskrachten, veelal leden uit het ondernemersgezin. De onbetaalde arbeidsinzet kan soms kleiner zijn dan 1 aje. Dat hangt af van de hoeveelheid benodigde arbeid op het bedrijf en van de verdeling daarvan over betaalde en onbetaalde krachten. Bij kleinere bedrijven kan het zijn dat de totale hoeveelheid benodigde arbeid kleiner is dan de 2.000 uur die nodig is om 1 aje te vormen. Bij de grotere bedrijven komt het voor dat arbeid vooral door werknemers of loonwerkers wordt geleverd en niet door het ondernemersgezin.

Uit figuur 7.5 blijkt dat er grote verschillen zijn in inkomen per onbetaalde aje tussen de bedrijfstypen, maar ook daarbinnen. De figuur geeft de afwijking weer van de 20- en 80%-waarneming ten opzichte van het gemiddelde, waarbij het gemiddelde op de nullijn is geplaatst. Twintig procent van de bedrijven scoort lager dan de 20%-waarneming en een even grote groep scoort hoger dan de 80%-waarneming. De spreiding is berekend per jaar en gemiddeld over de periode 2009-2013. Op melkvee- en vleeskalverenbedrijven is er, vergeleken met de andere bedrijfstypen, weinig spreiding in inkomen. Deze blijft beperkt tot plus of min 30.000 euro ten opzichte van het gemiddelde. In de varkenshouderij is die spreiding al iets groter, maar bij de vleeskuikens en met name de leghennen is de spreiding zeer groot. Bij de leghennen scoren de 20% slechtste bedrijven meer dan een ton lager dan het gemiddelde en de beste ongeveer 85.000 euro hoger dan dat gemiddelde. Die verschillen kunnen veroorzaakt zijn door verschillen in schaalgrootte, opbrengstprijzen (wel of geen contract), houderijsysteem en wel of niet biologisch. In de glastuinbouwsector valt met name de glasgroente op door de grote verschillen tussen de bedrijven. Door verschillen in schaalgrootte, de monoculturen en de extreme prijsvorming kunnen per jaar grote inkomensverschillen optreden. Zo kan een jaar goed zijn voor de tomatenbedrijven en slecht voor de paprikabedrijven.

De onderliggende jaren per type zijn niet zichtbaar gemaakt in de figuur, maar analyse daarvan leert wel dat in jaren met uitschieters in het gemiddelde inkomen ook de verschillen tussen bedrijven groter zijn. Is het gemiddelde hoog, dan trekt vooral een kleine groep bedrijven die extreem profiteert van een bepaalde gunstige situatie (bijvoorbeeld bij hoge eierprijzen: grote bedrijven, geen contracten) dat gemiddelde omhoog en ligt het gemiddelde hoger dan de mediaan. In slechte jaren geldt dat andersom: een kleine groep bedrijven trekt het gemiddelde dan juist ver beneden de mediaan. Bedrijven die veel met contracten werken kunnen overigens in de goede jaren bij de bedrijven met de laagste inkomens zitten, zonder dat ze dan een slecht inkomen halen.

7.3.4  Inkomensschommelingen tussen jaren

Schommelingen in het inkomen van ondernemers in de agrarische sector worden vooral veroorzaakt door veranderingen in het inkomen uit bedrijf en niet zozeer door fluctuerende inkomsten van buiten het bedrijf. Niet elk bedrijf heeft in dezelfde mate met schommelingen te maken, het is onder meer afhankelijk van de markt waarvoor geproduceerd wordt en het markt- en prijsbeleid dat voor die producten wordt gevoerd. De bedrijven met traditionele EU-marktordeningsproducten (zoals melk, granen, suiker, zetmeel, rundvlees) lieten in het verleden een stabieler beeld zien dan bedrijven met meer vrije marktproducten. Door de veranderingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid is die stabiliteit duidelijk verminderd.

Naast markt- en prijsontwikkelingen hebben individuele bedrijven ook te maken met schommelingen in productie, zowel structureel door groei of krimp als incidenteel door bijvoorbeeld weersinvloeden. Ook kunnen zich op bedrijfsniveau ‘incidenten’ voordoen die het inkomen beïnvloeden, zoals ziekten (van persoon, vee of gewas), incidentele mee- of tegenvallers of boekwinsten of -verliezen bij verkoop van machines of installaties. Veranderingen in de opbrengsten dragen in het algemeen meer bij aan de fluctuaties in het inkomen dan variaties in de kosten, wat niet wegneemt dat ook de kosten een rol kunnen spelen; zie bijvoorbeeld ontwikkelingen van veevoeder- en energieprijzen (via agrimatie.nl). In groepsgemiddelden worden veel van die plussen en minnen ‘weggemiddeld’.

Het inkomen is in de loop van de tijd sterker gaan schommelen (figuur 7.6). In de periode 2001-2006 had jaarlijks gemiddeld 10% van de bedrijven een inkomensverandering (positief of negatief) van meer dan 50.000 euro per ondernemer. In de periode 2008-2013 was dat aandeel verdubbeld naar 20%. De gemiddelde verandering van het inkomen per jaar over alle bedrijven heen, was in beide periodes beperkt tot maximaal 2.000 euro per jaar. Maar de gemiddelde absolute verandering (dus onafhankelijk van de dimensie van de verandering) van het inkomen was in de eerstgenoemde periode bijna 25.000 euro per ondernemer en in de laatste periode ongeveer 42.000 euro per ondernemer per jaar. De gemiddelde inkomenswijziging was dus beperkt, maar dat kwam vooral doordat de stijgers en dalers elkaar ‘wegmiddelden’. Er is ten opzichte van eerdere jaren sprake van een toename van het aandeel sterke stijgers en dalers. Aan die toename van volatiliteit ligt zowel de verandering van het markt- en prijsbeleid ten grondslag als ook de groei van de bedrijven. Een prijsdaling van de producten werkt in absolute bedragen op grote bedrijven veel sterker door dan op kleinere bedrijven.

Bij elk van de onderzochte bedrijfstypen is sprake van een toename van de inkomensschommeling. Bij glastuinbouw- en pluimveebedrijven is de variatie in inkomen tussen jaren het grootst. Bij pluimveebedrijven heeft in 2008-2013 ruim de helft van de ondernemers te maken gehad met een inkomensmutatie per jaar van meer dan 50.000 euro. In de eerste helft van het decennium was dat nog 35%. Bij melkveebedrijven is de schommeling in inkomens nog steeds het kleinst. Wel is bij de melkveebedrijven door de fluctuerende melkprijs de absolute inkomensverandering ruim verdubbeld naar bijna 29.000 euro per jaar. Inkomensschommeling hoeft niet problematisch te zijn, maar vraagt wel om anticipatie van de ondernemer. In goede jaren kan rekening worden gehouden met het feit dat er ook mindere jaren zullen volgen, zodat dan niet direct liquiditeitsproblemen ontstaan. Om schommelingen van opbrengsten en inkomens enigszins te beperken, kunnen bedrijven afzetcontracten afsluiten of gebruik maken van termijnmarkten.

7.4  Investeringen en innovatie

7.4.1  Duurzame investeringen

Duurzaamheid is een belangrijk begrip in de agrarische sector. Om duurzame investeringen te stimuleren stelt het ministerie van EZ subsidies en/of fiscale regelingen voor agrarische ondernemers beschikbaar. Enkele voorbeelden hiervan zijn de MIA,VAMIL, EIA en Subsidieregeling Investeringen in integraal duurzame stallen. Om de beleidsinspanningen te monitoren wordt elk jaar het aandeel duurzame investeringen - investeringen die gebruik maken van regelingen en subsidies ter bevordering en stimulering van duurzaamheid - berekend ten opzichte van totale investeringen in stallen, kassen, machines en installaties.

In 2013 was 36% van de investeringen duurzaam (figuur 7.7). Een jaar eerder was dit nog 27%. De streefwaarde is 30% in 2015, die in 2013 dus ruimschoots is gehaald. Dit komt vooral doordat de totale investeringen met 18% zijn gedaald tot 2,7 mrd. euro en de duurzame investeringen zijn gestegen. In de meeste categorieën werd minder geïnvesteerd, met name in bedrijfsgebouwen. Investeringen in machines, werktuigen en installaties gingen wel omhoog. De totale duurzame investeringen zijn in 2013 met 10% gestegen tot bijna 1 mrd. euro. Hiervan heeft slechts een zeer gering deel betrekking op visserij (circa 25 mln. euro).
De investeringen in duurzame stallen voor varkens en melkvee zijn sterk (+30%) gestegen. De varkenshouderij heeft begin 2013 nog geïnvesteerd in installaties om tijdig te voldoen aan de vermindering van de ammoniakemissie. De melkveehouderij investeerde met het oog op de afschaffing van het melkquotum in nieuwe stallen. De investeringen in duurzame pluimveestallen zijn meer dan gehalveerd ten opzichte van 2012. De meeste leghennenbedrijven hebben inmiddels geïnvesteerd in nieuwe huisvestingssystemen, nadat in 2012 het verbod op traditionele kooihuisvesting inging. Investeringen in emissiearme landbouwmachines vielen in 2013 weg omdat deze niet meer in aanmerking komen voor subsidies. In de glastuinbouw werd in 2013 bijna 10% meer geïnvesteerd in Groen Label Kassen.

7.4.2  Innovatie

Innovatie blijft ongeveer gelijk

In 2013 kon 1,7% van de land- en tuinbouwbedrijven als innovatief worden aangemerkt (zie figuur 7.8). Na een periode met een daling van het aandeel innovatoren plus volgers, is het hogere niveau van 2012 gehandhaafd. In 2013 behoorde 14,2% van de land- en tuinbouwbedrijven tot de groep innovatoren of volgers. Dit betekent dat de doelstelling die het ministerie van EZ hanteert van 15% voor 2013 net niet gehaald is. In de sectoren akkerbouw, glastuinbouw en varkenshouderij wordt de 15%-grens wel gehaald.

Innovaties kunnen in meerdere typen worden ingedeeld zoals product- of procesinnovaties. De productinnovaties die in 2013 zijn doorgevoerd hebben vooral betrekking op de ontwikkeling van nieuwe cultivars in de sierteeltsector. Voorbeelden van procesinnovaties die zijn doorgevoerd in 2013 zijn innovaties op het gebied van duurzame energie, toepassing van melk- en plantrobots en GPS-gestuurde apparatuur voor precisielandbouw.

Vernieuwers versus achterblijvers

In deze analyse worden bedrijven die in één van de jaren in de periode 2011-2013 tot de vernieuwers behoorden (innovator of vroege volger) vergeleken met de achterblijvers (zie tabel 7.5). De groep vernieuwers omvat ongeveer 25% van het totale aantal bedrijven, variërend van ruim 20% in de melkveehouderij tot iets meer dan 50% in de pluimveehouderij. Bij alle sectoren zijn de vernieuwende bedrijven groter (gemeten in euro Standaardopbrengst) dan de achterblijvers. Daarnaast is de leeftijd van zowel de jongste als de oudste ondernemer lager bij de vernieuwende bedrijven. Ook het inkomen uit bedrijf is hoger op de vernieuwende bedrijven. Dit wijst er op dat de bedrijven de financiële slagkracht hebben om te innoveren en het bedrijf toekomstbestendig te maken. De solvabiliteit heeft niet altijd te lijden onder de vernieuwing. In de akkerbouw en pluimveehouderij is de solvabiliteit van de vernieuwers hoger dan van de achterblijvers. Dit kan bijvoorbeeld doordat investeringen (deels) met eigen middelen kunnen worden gefinancierd.

Tabel 7.5

Kengetallen van achterblijvers en vernieuwers, 2013

Omvang (euro SO)

Arbeids-krachten (aje)

Leeftijd jongste ondernemer

Inkomen uit bedrijf (euro per oaje)

Solvabiliteit (%)

Akkerbouw

achterblijver

174.200 

1,2

49

52.800 

81

vernieuwer

246.500 

1,6

48

77.800 

82

Glastuinbouw

achterblijver

1.086.800 

8,0

45

51.900 

53

vernieuwer

2.299.900 

19,0

43

89.000 

42

Melkveehouderij

achterblijver

336.600 

1,8

44

41.600 

74

vernieuwer/volger

415.700 

2,0

40

43.300 

69

Varkenshouderij

achterblijver

600.700 

1,8

47

39.900 

58

vernieuwer

1.010.200 

2,7

44

44.500 

55

Pluimveehouderij

achterblijver

919.700 

1,7

46

-28.300

38

vernieuwer

1.007.400 

2,4

41

-19.100

48

Literatuur

Berkhout, P., H. Silvis en I. Terluin (red.) (2013). Landbouw-Economisch Bericht 2013. LEI-rapport 2013-041, LEI Wageningen UR, Den Haag. www.landbouweconomischbericht.nl

Berkhout, P., H. Silvis en I. Terluin (red.) (2014). Landbouw-Economisch Bericht 2014. LEI-rapport 2014-013, LEI Wageningen UR, Den Haag. www.landbouweconomischbericht.nl

Meulen, H.A.B. van der, W.H. van Everdingen, A.B. Smit en H.J. Silvis. Actuele ontwikkeling land- en tuinbouw in 2013; Samenvatting. LEI rapport 2013-060, LEI Wageningen UR, Den Haag.

Meulen, H.A.B. van der, et al. (2014a). Kijk op multifunctionele landbouw. Omzet en impact 2007-2013. LEI publicatie 14-088, LEI Wageningen UR, Den Haag.

Meulen, H. van der, I. Matser, C. Remery, I. Terluin, J. Bouma en J. Jager (2014b). Vrouwen op agrarische bedrijven: actief en betrokken. LEI rapport 2014-095, LEI Wageningen UR, Den Haag.

Wisman, A. en P.W. Blokland (2015). Protocol invulling Duurzaamheidsindicatoren begroting 2016. LEI, Den Haag.

Geraadpleegde websites:

www.agrimatie.nl