Structuur land- en tuinbouw

6.1  Bedrijfsstructuur

6.1.1  Aantal bedrijven

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven is in 2014 met bijna 2.000 afgenomen tot 65.500 (tabel 6.1). Deze daling van 2,9% is vrijwel gelijk aan de gemiddelde jaarlijkse vermindering vanaf 2000. Tussen de verschillende sectoren zijn opnieuw grote verschillen, van een beperkte krimp in de melkveehouderij (1,1%) tot weer een forse daling in de glastuinbouw (7,5%). Deze ontwikkeling past in het beeld van de langere termijn: hoe minder grondgebonden des te sterker de teruggang in het aantal bedrijven. In de niet of minder sterk grondgebonden sectoren - (glas)tuinbouw en intensieve veehouderij - kromp het aantal bedrijven vanaf de eeuwwisseling met in totaal 53%; in de grondgebonden sectoren - akkerbouw en graasdierhouderij (waaronder melkveehouderij) - bleef de afname beperkt tot 21%. Als gevolg van de specialisatie is het aantal gecombineerde (gemengde) bedrijven vanaf 2000 zelfs met 60% verminderd.

Tabel 6.1

Land- en tuinbouwbedrijven naar bedrijfstype a, 2000-2014

Aantal bedrijven

Verschil (%)

2000

2010

2013

2014

2013-2014

Glastuinbouw- en champignonbedrijven

8.804 

4.573 

3.794 

3.510 

-7,5

Opengrondstuinbouwbedrijven

10.489 

7.450 

6.797 

6.531 

-3,9

Akkerbouwbedrijven

14.799 

11.962 

12.142 

11.946 

-1,6

Melkveebedrijven

23.280 

17.519 

17.001 

16.811 

-1,1

Overige graasdierbedrijven

20.208 

19.073 

17.757 

17.097 

-3,7

Intensieve veehouderijbedrijven

12.058 

7.911 

6.744 

6.491 

-3,8

Gecombineerde bedrijven

7.751 

3.836 

3.246 

3.121 

-3,9

Land- en tuinbouwbedrijven, totaal

97.389 

72.324 

67.481 

65.507 

-2,9

De sterke daling van het aantal minder sterk grondgebonden bedrijven vanaf de eeuwwisseling heeft onder meer te maken met beleid op het gebied van milieu en dierenwelzijn (opkoopregelingen, vereiste investeringen) en de marktontwikkelingen (afzetmogelijkheden en prijzen). Voor de grondgebonden sectoren zijn de marktomstandigheden over het algemeen beter geweest, wat resulteerde in gemiddeld redelijke inkomens; ook waren de perspectieven positief, mede door de afschaffing van de melkquotering.

Minder faillissementen

De daling van het aantal land- en tuinbouwbedrijven bestaat in hoofdzaak uit de min of meer vrijwillige bedrijfsbeëindiging bij generatiewisseling. Gedwongen beëindiging in de vorm van een faillissement komt weinig voor. Net als in de economie als geheel, is het aantal faillissementen in de land- en tuinbouw in 2014 gedaald (figuur 6.1). Veruit de meeste faillissementen zijn uitgesproken in de plantaardige sectoren (bijna 90%), met name de (glas)tuinbouw.

6.1.2  Spreiding in bedrijfsgrootte

Grote verschillen in bedrijfsomvang

De Nederlandse land- en tuinbouw kenmerkt zich door grote verschillen in bedrijfsomvang. In 2014 heeft 45% van de bedrijven een zeer kleine omvang in Standaardverdiencapaciteit (SVC, zie kader), en 5% een zeer grote (figuur 6.2). De eerste groep vertegenwoordigt slechts enkele procenten van de verdiencapaciteit en heeft 18% van het areaal in gebruik, terwijl de groep zeer grote bedrijven goed is voor 42% van de verdiencapaciteit en 12% van het areaal landbouwgrond. De zeer grote bedrijven zijn met name intensieve, minder grondgebonden bedrijven, die vooral behoren tot de glastuinbouw. De middelgrote en grote bedrijven (35% van alle bedrijven), hebben het grootste deel (55%) van de landbouwgrond in gebruik. Tot deze groep meer grondgebonden bedrijven behoren vooral de melkveebedrijven.

Standaardverdiencapaciteit (SVC) – een nieuwe maat voor de economische omvang

Om de verschillende soorten agrarische bedrijven te kunnen vergelijken, kon tot 2010 de Nederlandse grootte-eenheid (nge) worden gebruikt. In 2010 is deze maat voor de economische omvang - saldo van opbrengsten en specifieke kosten van agrarische activiteiten - vervangen door de Standaardopbrengst (SO). Het nadeel van de SO is dat het een maatstaf is voor de omzet, die geen inzicht geeft in de beloning die resteert voor de agrarische activiteiten. Die beloning kan sterk verschillen tussen de sectoren: een akkerbouwer houdt bijvoorbeeld veel meer over van 100 euro opbrengsten dan een varkenshouder. Die akkerbouwer kan bijvoorbeeld met een opbrengst van 300.000 euro een inkomen halen waar een varkenshouder meer dan een miljoen euro aan opbrengsten voor nodig heeft. Daarom is naast de SO een nieuw Nederlands kengetal ontwikkeld, de Standaardverdiencapaciteit (SVC), die een maatstaf is voor de toegevoegde waarde. De SVC van een bedrijf geeft de vergoeding van arbeid en kapitaal weer op basis van standaarden, ongeacht wie arbeid of kapitaal levert. Een bedrijf met een SVC van minder dan 25.000 euro wordt aangemerkt als een zeer klein bedrijf. Een dergelijke omvang vergt een normatieve arbeidsbehoefte van minder dan 0,75 aje (arbeidsjaareenheid), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. Voor de zeer grote bedrijven (meer dan 250.000 euro SVC) geldt dat ze werkgelegenheid kunnen bieden aan meer dan 5 aje tegen een gemiddelde vergoeding (Van Everdingen et al., 2014).

De verdiencapaciteit van de gehele land- en tuinbouw bedraagt bijna 5,5 miljard euro, waarvan zowat de helft bestaat uit glastuinbouw en melkveehouderij. De grote groep overige graasdierbedrijven (28% van de bedrijven) neemt slechts 2,5% van de verdiencapaciteit voor haar rekening. Binnen de glastuinbouw komt 85% van de verdiencapaciteit van de zeer grote bedrijven. Ook in de overige tuinbouwsectoren - zoals de boomkwekerij en bloembollen - vertegenwoordigen de grote bedrijven het merendeel van de verdiencapaciteit.

Verdeling naar bedrijfstype

De Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven vallen in hoofdzaak (70%) in de (meer) grondgebonden bedrijfstypen akkerbouw-, melkvee- en overige graasdierbedrijven (tabel 6.1 en figuur 6.3). Vrijwel alle overige graasdierbedrijven en meer dan de helft van de akkerbouwbedrijven worden op basis van de verdiencapaciteit (SVC) als ‘zeer klein’ aangeduid. Veelal zijn dat bedrijven van oudere ondernemers die inmiddels in feite zijn gestopt met hun bedrijf, maar nog wat grond of dieren aanhouden en daardoor in de statistieken opgenomen blijven. Mogelijk zal dat aantal vanaf de Landbouwtelling 2015 veranderen. De aanschrijving voor deze telling vindt namelijk voor het eerst plaats op basis van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en naar verwachting zijn veel van deze bedrijven niet ingeschreven. Omdat inschrijving voorwaarde is gemaakt voor de ontvangst van GLB-betalingsrechten, is het aantal inschrijvingen echter wel gestegen. Ook kunnen er andere bedrijven worden meegeteld: bedrijven met een kleine nevenactiviteit landbouw die wel zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, maar niet bekend waren bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

De overige bedrijfstypen hebben een minder uitgesproken bedrijfsgrootteverdeling. In de glastuinbouw behoren relatief veel bedrijven tot de zeer grote bedrijven, in de melkveehouderij ligt het zwaartepunt bij de middelgrote bedrijven (figuur 6.3).

Verdeling naar leeftijd

De bedrijven met een ouder bedrijfshoofd (ouder dan 65 jaar) zijn over het algemeen vrij klein: 85% behoort tot de kleine tot zeer kleine bedrijven (figuur 6.4). Voor de bedrijven met een wat jonger bedrijfshoofd (jonger dan 55 jaar) geldt dat voor iets minder dan de helft; voor de overige bedrijven (met bedrijfshoofd van 55 tot 65 jaar) is dat 65%.

Deze gegevens hebben betrekking op persoonlijke ondernemingen, waarvan alleen de leeftijd van één ondernemer bekend is. Dat is ofwel degene met de grootste zakelijke en bedrijfsmatige verantwoordelijkheid, ofwel de oudste bij gelijke verantwoordelijkheid. Naast de persoonlijke ondernemingen zijn er nog zo’n 4.200 rechtspersonen (zoals een bv) in de primaire land- en tuinbouw, waarvan bijna een derde zeer klein en een ongeveer even grote groep zeer groot is. In de eerste groep vallen vooral akkerbouw- en overige graasdierbedrijven, in de tweede vooral tuinbouwbedrijven. Dat vrij grote aandeel zeer kleine bedrijven binnen de rechtspersonen is opvallend. Binnen de akkerbouw gaat het vooral om bedrijven in Noord-Brabant, Gelderland en Zeeland, waarbij de rechtsvorm mogelijk is gekozen in verband met handels- en verbrede landbouwactiviteiten waarvan de verdiencapaciteit niet in de SVC is opgenomen.

6.1.3  Aantal dieren

De omvang van de rundveestapel is in 2014 toegenomen tot ruim 4 mln. stuks (tabel 6.2). Dat is opnieuw te danken aan de ontwikkelingen in de melkveehouderij. Vanaf 1984 (start melkquotering) tot 2007 is het aantal melkkoeien gedaald van 2,5 mln. tot 1,4 mln. in 2007, waarna door verruiming van het quotum het aantal weer is gestegen tot 1,6 mln. per 1 december 2014 (enkele maanden voor het einde van de quotering). Dat is een toename van 14%; de jongveestapel (voor de melkproductie) groeide in deze periode met 20%.

Het aantal overige graasdieren is in het afgelopen jaar met circa 4% afgenomen, vooral door de vermindering van het aantal schapen. Na invoering van de melkquotering nam het aantal schapen snel toe van 0,8 tot bijna 2 mln. in 1992. Door de mestwetgeving en de verlaging van de ooipremie (later opgegaan in de bedrijfstoeslag) is de schapenstapel sindsdien weer gedaald tot onder het miljoen (tabel 6.2). Het aantal geiten neemt vrijwel onafgebroken toe, van circa 10.000 in 1984 tot 430.000 vorig jaar. De groei werd voor het laatst onderbroken tussen 2009 en 2010 door de uitbraak van Q-koorts en de daarop volgende ruimingen van geiten.

Tabel 6.2

Aantal dieren, 2000-2014 a

Aantal dieren (1.000 stuks)

Verschil (%)

2000

2010

2013

2014

2013-2014

Rundvee, totaal

4.069 

3.975 

3.999 

4.068 

1,7

w.v. melkkoeien

1.504 

1.479 

1.553 

1.572 

1,2

jongvee melkproductie

1.325 

1.239 

1.243 

1.306 

5,1

vlees- en weidevee

457

330

278

269

-3,2

vleeskalveren

783

928

925

921

-0,4

Overige graasdieren, totaal

1.601 

1.625 

1.577 

1.517 

-3,8

w.v. schapen

1.305 

1.130 

1.034 

959

-7,3

geiten

179

353

413

431

4,4

paarden en pony’s

117

143

131

127

-3,1

Varkens, totaal

13.118 

12.255 

12.212 

12.238 

0,2

w.v. fokzeugen

1.129 

984

945

955

1,1

biggen

5.102 

5.124 

5.274 

5.382 

2,0

vleesvarkens

6.505 

5.904 

5.754 

5.657 

-1,7

Kippen, totaal

104.015 

101.248 

97.719 

103.038 

5,4

w.v. leghennen

32.573 

35.310 

34.688 

34.780 

0,3

vleeskuikens

50.937 

44.748 

44.242 

47.020 

6,3

De totale varkensstapel is vanaf de eeuwwisseling met 7% gedaald tot ruim 12 mln. stuks in 2014. De twee opkoopregelingen om het mestoverschot te verminderen (Regeling beëindiging veehouderijtakken) leidden in de periode 2001-2004 tot een inkrimping van 15%. Daarna trad een gedeeltelijk herstel op met in de laatste jaren een vrij stabiel aantal dieren, mede dankzij de begrenzing in de vorm van varkensrechten. Het totaal aantal kippen is tussen 2000 en 2014 per saldo nauwelijks veranderd. De opkoopregelingen maar vooral de vogelpest in 2003 zorgden voor een forse inkrimping van het aantal kippen, van ruim 100 mln. tot circa 80 mln. in 2003. Ook in deze sector wordt de omvang van het aantal dieren begrensd door dierrechten (pluimveerechten).

6.1.4  Biologische landbouw

Het aantal gecertificeerde biologische land- en tuinbouwbedrijven is in 2014 per saldo met ruim 60 afgenomen tot iets meer dan 1.500 (tabel 6.3). Skal (2015) noemt als redenen voor de bedrijven die zijn gestopt met biologische landbouw (‘uittreders’) samenvoeging met andere bedrijven, overnames door gangbare bedrijven, niet kunnen voldoen aan de regelgeving en privéomstandigheden. Het gecertificeerd biologisch areaal land- en tuinbouwgrond nam in 2014 toe met 1.200 ha tot 57.300 ha (tabel 6.3). Dat komt overeen met 3,1% van het totaal areaal cultuurgrond (tegen 1,7% in 2000). Het biologische areaal grond is in hoofdzaak in gebruik voor gras en voedergewassen (73%), en daarnaast voor AGF-producten (aardappelen, groente en fruit) (12%) en graan (9%).

De provincies Friesland, Gelderland en Noord-Brabant namen het leeuwendeel van de areaaluitbreiding voor hun rekening. In deze provincies beslaat evenals in Flevoland en Noord-Holland het biologisch areaal meer dan 10% van het totaal areaal cultuurgrond, met als koploper Flevoland (15%).

Tabel 6.3

Biologische land- en tuinbouw, 2000-2014

2000

2005

2010

2012

2013

2014

Aantal gecertificeerde bedrijven

1.121 

1.377 

1.462 

1.509 

1.567 

1.504 

Areaal gecertificeerd (1.000 ha)

33,0

48,8

53,9

55,9

56,1

57,3

Aandeel in areaal cultuurgrond (%)

1,7

2,5

2,9

3,0

3,0

3,1

Na een vrij snelle groei van de biologische landbouw tot 2003/2004, is de toename in de laatste tien jaar bescheiden geweest. Het aantal bedrijven steeg met 120 (gemiddeld bijna 1% per jaar) en het areaal met 9.100 ha (gemiddeld bijna 2% per jaar). Deze cijfers blijven ver achter bij de groei van de Nederlandse consumentenbestedingen aan biologische producten. Tussen 2009 en 2013 stegen die van 590 mln. euro tot 984 mln. euro, ofwel met 67% (EZ, 2011-2014). De totale export van biologische producten is volgens onderzoek van Bionext (Zeelenberg et al., 2015) ook fors gestegen: van 769 mln. euro in 2012 naar 928 mln. euro in 2014.

6.2  Arbeid

6.2.1  Algemeen

Het totaal aantal regelmatig werkzame arbeidskrachten in de primaire land- en tuinbouw is in 2014 met 1,7% afgenomen tot 190.000. Dat is minder dan de gemiddelde jaarlijkse krimp vanaf 2000 met 2,7%. Dat cijfer geldt zowel voor arbeidskrachten in als buiten het gezin. In deze cijfers zijn de flexibele arbeidskrachten (uitzendkrachten en personeel met tijdelijke contracten) die binnen de tuinbouw een steeds groter aandeel innemen niet opgenomen. Naar schatting is hun aandeel gestegen van 37% in 2000 tot 66% in 2011 (De Wit et al., 2012). De vaste arbeidskrachten hebben meestal volledige jaarrondbanen, terwijl de inzet van flexibele arbeidskrachten met name in de opengrondsectoren beperkt is tot de piekperioden. Hierdoor is de totale omvang van de flexibele arbeid lastig vast te stellen.

Een andere maat voor de werkgelegenheid is het arbeidsvolume, die de werkgelegenheid uitdrukt in voltijdbanen. Hiervoor wordt binnen de land- en tuinbouw de term arbeidsjaareenheid (aje) gebruikt. Een volledige jaarrondbaan staat dan gelijk aan één aje. In het afgelopen jaar is het arbeidsvolume met 2,2% gedaald tot 158.000 aje (tabel 6.4). In dit kengetal is wel een deel van de flexibele arbeid opgenomen.

Tabel 6.4

Werkgelegenheid (aje) op land- en tuinbouwbedrijven naar bedrijfstype,
2000 en 2014

Bedrijfstype

Aantal aje a

Aandeel gezinsarbeid (%)

Aje per bedrijf

2000

2014

2000

2014

2000

2014

Glastuinbouw

52.693 

39.616 

28

14

6,0

11,3

Opengrondstuinbouw

33.988 

27.290 

47

36

3,2

4,2

Akkerbouw

19.374 

15.625 

81

81

1,3

1,3

Melkvee

45.810 

35.141 

94

91

2,0

2,1

Overige graasdier

22.801 

19.581 

85

84

1,1

1,1

Intensieve veehouderij

22.164 

14.086 

79

71

1,8

2,2

Gecombineerd

15.298 

6.648 

85

76

2,0

2,1

Alle bedrijven

212.129 

157.987 

66

58

2,2

2,4

Het aandeel van het gezin in de arbeidsbezetting nam in de gehele land- en tuinbouw af van 84% in 1980 tot 66% in 2000 en 58% in 2014 (tabel 6.4). Dat is vooral het gevolg van de ontwikkelingen in de niet-grondgebonden sectoren, met name in de (glas)tuinbouw. De bedrijven in de grondgebonden sectoren steunen nog altijd voor het overgrote deel op de inzet van het gezin. Daarvan is momenteel een kwart vrouw, evenveel als in 2000.

6.2.2  Vrouwen

Naar aanleiding van het internationaal jaar van het gezinsbedrijf (2014) is de rol van vrouwen op agrarische bedrijven in Nederland onderzocht (Van der Meulen et al., 2014). De doelgroep bestond uit partners en bedrijfshoofden op agrarische bedrijven. Zo’n 60% van de vrouwen op agrarische bedrijven is meer dan 10 uur per week werkzaam op het bedrijf (‘actief binnen bedrijf’ en ‘combineerders’, figuur 6.5), waarvan een deel (17%, de combineerders) daarnaast betaald werk buiten het bedrijf heeft. Vrouwen die minder werk verrichten op het agrarisch bedrijf hebben wat vaker betaald werk buitenshuis. In totaal heeft 44% van de vrouwen betaald werk buiten het bedrijf. Vooral vrouwen op akkerbouwbedrijven werken vaak buitenshuis omdat de werkzaamheden op deze bedrijven niet de hele dag en het hele jaar door arbeidsinzet vereisen, zoals bij andere bedrijfstypen wel het geval is. Bovendien wordt op akkerbouwbedrijven vaak gebruik gemaakt van de diensten van de loonwerker.

Het percentage vrouwen met betaald werk buitenshuis ligt aanzienlijk hoger dan in de jaren tachtig, toen slechts 5% van de boerinnen en tuindersvrouwen buitenshuis werkten (Loeffen, 1984). In die tijd betekende ‘trouwen met een boer of tuinder’ ook dat je ‘trouwde met het bedrijf’. Maar schaalvergroting, automatisering en specialisering van agrarische bedrijven bieden tegenwoordig ruimte aan vrouwen om ook buiten het bedrijf werkzaam te zijn. Het besluit van vrouwen om buitenshuis te gaan werken blijkt af te hangen van ‘hoe de taken thuis geregeld zijn’ (Van der Meulen et al., 2014). Als sprake is van een duidelijke en goed op elkaar afgestemde taakverdeling op het bedrijf en binnenshuis tussen de vrouw en haar partner, wordt het duidelijk of de vrouw tijd beschikbaar heeft voor werk buitenshuis. Verder is het belangrijk dat de partner achter het besluit van zijn vrouw staat om buitenshuis te gaan werken en haar daarin stimuleert.

Hoe meer verrichte arbeid door vrouwen, hoe vaker maatschap

Het merendeel van de vrouwen (57%) werkt op een agrarisch bedrijf met een juridische ondernemingsvorm van een maatschap of vennootschap onder firma (Van der Meulen et al., 2014). Met name op bedrijven waar de vrouw meer dan 10 uur per week werkzaam is op het agrarisch bedrijf, is de maatschap sterk vertegenwoordigd. Deze ondernemingsvorm maakt de inbreng en beloning van de vrouw en overige gezinsleden die actief zijn binnen het bedrijf juridisch goed mogelijk. Dit is een grote verandering ten opzichte van de jaren tachtig, toen deze ondernemingsvorm nog nauwelijks voorkwam en ruim 80% van de agrarische bedrijven was georganiseerd als eenmanszaak (Loeffen, 1984).

6.2.3  Jongeren

Aansluitend op het onderzoek naar de positie van vrouwen op agrarische bedrijven is ook ingegaan op de positie van jongeren (Van der Meulen et al., 2015). De doelgroep bestond uit de leden van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK). Dit zijn veelal actieve jongeren die nadenken over bedrijfsovername of daar al mee bezig zijn.

Naast de werkzaamheden op het agrarisch bedrijf heeft ruim 40% van de jongeren werk buiten het bedrijf (Van der Meulen et al., 2015). Vooral jonge vrouwen (63%), jongeren onder de 25 jaar (51%) en jongeren uit de niet-grondgebonden veehouderij, akkerbouw en gemengde bedrijven (54%) werken vaker buiten het bedrijf dan de rest.

Jonge vrouwen werken dus wat vaker buitenshuis dan ‘hun moeders’ (44%) (Van der Meulen et al., 2014). De beslissing om al dan niet buiten het bedrijf te gaan werken, hangt af van de hoeveelheid werk die op het bedrijf moet worden verricht. Als die onvoldoende is om de toekomstige opvolger - naast de ouder(s) en eventueel overig personeel - fulltime aan het werk te houden, zoekt de opvolger naar activiteiten buiten het bedrijf. Jongeren doen zo niet alleen kennis en ervaring op buiten het bedrijf die ze vervolgens binnen het bedrijf kunnen toepassen, het heeft ook financiële voordelen.

Tabel 6.5

Overnamepositie (%) jongeren naar geslacht, leeftijd en opleiding, 2014

Overnamepositie

Totaal

Wil niet/twijfel

Intentie, nog geen overname

Intentie, in overname

Is al overgenomen

Geslacht

Mannen

10

44

30

16

100

Vrouwen

44

20

15

21

100

Leeftijd (jaren)

25 of jonger

22

59

15

4

100

26-30

7

50

33

10

100

31-35

11

12

43

34

100

36 en ouder

19

4

27

50

100

Opleiding

MBO of lager

13

45

25

18

100

HBO of hoger

18

35

30

17

100

Alle jongeren

15

40

28

17

100

Het merendeel (85%) van de doelgroep wil het bedrijf overnemen of heeft dat gedaan (tabel 6.5). De overige (15%) jongeren twijfelen over bedrijfsovername. Vrouwen twijfelen vaker of ze het bedrijf wel willen overnemen of weten al dat ze dat niet willen. De twijfel bij jongeren kan zijn ingegeven door twijfel over de haalbaarheid van de financiering ervan, maar ook door andere overwegingen, zoals onzekerheid of het beroep van boer te combineren is met een niet-agrarisch beroep waarvoor de jongere een opleiding heeft gevolgd. Ruim 70% van de onderzochte groep ziet een geslaagde overdracht naar de volgende generatie als een belangrijk doel. De jongeren geven aan dat ze het bedrijf niet over hoeven te nemen van hun ouders, maar dat hun ouders het wel leuk vinden als ze het doen.

Op grond van deze cijfers kan geen algemene conclusie worden getrokken over de opvolgingssituatie in de landbouw. Het aantal agrarische bedrijven in Nederland dat een opvolger heeft, wordt doorgaans afgeleid van het zogenaamde opvolgingspercentage. De laatste gegevens daarover dateren uit 2012, toen op 35% van de bedrijven met een bedrijfshoofd boven de 51 jaar een opvolger aanwezig was (Berkhout et al., 2013).

Open communicatie belangrijk voor bedrijfsovername

De eigenlijke bedrijfsovername in de land- en tuinbouw wordt vaak voorafgegaan door een periode waarin de twee generaties in een maatschap of vennootschap onder firma samenwerken. In die periode, die gemiddeld zo’n 12 jaar duurt (Flören, 2002), bouwt de opvolger vermogen op en doet ervaring op het bedrijf op. De overdracht is niet alleen een zaak tussen de ouders en de opvolger, maar ook de overige gezinsleden zijn er bij betrokken. De verdeling van het bedrijf/vermogen tussen de gezinsleden wordt door ruim een derde van de mannelijke jongeren en bijna de helft van de vrouwelijke jongeren als knelpunt ervaren (Van der Meulen et al., 2015). Een slechte communicatie over de opvolging is hier volgens Flören (2002) debet aan. Hoewel er in het afgelopen decennium van verschillende kanten initiatieven zijn gestart om het bewustzijn over het belang van communicatie over de bedrijfsopvolging te verbeteren, blijkt dat er naast bedrijven waar heel open wordt gecommuniceerd over de bedrijfsopvolging ook bedrijven zijn waar ze ‘nog nooit met de hele familie om tafel hebben gezeten om over de overname te praten’. Slechte communicatie over de opvolging laat doorgaans littekens na in de gezins­verhoudingen.

6.2.4  Arbeidsmigranten

In 2013 waren er 578.000 mensen uit de EU-26 in Nederland geregistreerd in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) of polisadministratie, tegen 435.000 in 2007. De meeste migranten komen uit Polen (21%), gevolgd door Duitsland (16%), België (7%) en het Verenigd Koninkrijk (6%). Het aantal Bulgaren en Roemenen nam maar beperkt toe tussen 2012 en 2013. Sinds 6 januari 2014 is er ook het register voor niet-ingezetenen (RNI), waar iedereen zich in dient te schrijven voor het verkrijgen van een burgerservicenummer. Eind november 2014 telde het register bijna 92.000 nieuwe inschrijvingen, waarvan de helft uit Polen afkomstig is (SZW, 2015).

Verdringing beperkt, wel voordeel voor bedrijven

De toename van het aantal buitenlandse werknemers is op macroniveau gepaard gegaan met verdringing in de bouw, tuinbouw, voedingsindustrie en wegtransport: het aantal buitenlandse werknemers is gestegen, terwijl het aantal Nederlandse werknemers is gedaald. De grootste verschuivingen vonden plaats bij activiteiten die gestandaardiseerd (laaggeschoold) en arbeidsintensief zijn, en waarbij internationaal sterk geconcurreerd wordt op prijs en beheersing van de Nederlandse taal onbelangrijk is (Berkhout et al., 2014). In de periode 2001-2011 is verder een sterke verschuiving naar flexibele arbeid opgetreden. De keuze van bedrijven voor arbeidsmigranten en flexibele arbeidskrachten is ingegeven door kostenverlaging. Het kostenvoordeel voor bedrijven zit vooral in de Europese detacheringsrichtlijn. Voor gedetacheerde werknemers van buitenlandse bedrijven die bij Nederlandse ondernemingen in dienst zijn, gelden slechts kernbepalingen uit de Nederlandse cao. Hierdoor hoeven deze bedrijven geen pensioen- en sociale premies af te dragen in Nederland, maar in het land van herkomst, bijvoorbeeld van het uitzendbureau.

6.3  Grond

6.3.1  Areaal

Het totaal agrarisch areaal cultuurgrond in gebruik bij de geregistreerde land- en tuinbouwbedrijven is in het afgelopen jaar met 0,5% gedaald tot 1,84 mln. ha (tabel 6.6). Opvallend zijn de sterke afname van het areaal granen en in mindere mate dat van snijmaïs, en een forse toename van het areaal tijdelijk grasland. Dit hangt samen met de zwaardere graslandeis voor de derogatiebedrijven (80% grasland in plaats van 70%), afschaffing van de melkquotering en strengere mestwetgeving. De grootste wijziging in het grondgebruik vanaf de eeuwwisseling is de afname van het areaal akkerbouw met 117.000 ha tot 517.000 ha in 2014, een daling van 18%. De economisch slechte jaren voor de glastuinbouw leidden in deze sector ook tot een krimpend areaal. In de afgelopen drie jaar is het areaal glastuinbouw met ongeveer 750 ha (ruim 7%) verminderd. Van het totaal areaal cultuurgrond is nu 54% in gebruik als grasland (blijvend, tijdelijk en natuurlijk grasland), 13% voor groenvoedergewassen, 28% voor overig akkerbouwland, 5% voor opengrondstuinbouw en 0,5% voor glastuinbouw.

Tabel 6.6

Agrarisch grondgebruik, 2000-2014 a

Areaal (1.000 ha)

Verschil (%)

2013-2014

2000

2010

2013

2014

Grasland en voedergewassen

1.249 ,5

1.232 ,9

1.219 ,0

1.225 ,1

0,5

w.v. grasland

1.036 ,7

995,3

983,0

993,5

1,1

snijmaïs

205,3

230,8

230,3

226,2

-1,8

Akkerbouw

634,4

542,1

532,4

517,3

-2,8

w.v. granen

225,7

218,8

210,2

193,1

-8,1

aardappelen

180,2

158,3

155,8

156,3

0,3

suikerbieten

110,9

70,6

73,2

75,1

2,6

overig

117,6

94,5

93,2

92,8

-0,4

Tuinbouw open grond

81,1

87,1

86,4

87,1

0,9

w.v. groenten

22,4

24,5

24,1

24,6

2,0

fruit

20,6

19,5

19,1

19,2

0,6

bloembollen

22,5

23,3

23,3

23,6

1,3

boomkwekerij

12,6

16,9

17,0

17,1

0,3

Tuinbouw onder glas

10,5

10,3

9,8

9,5

-3,4

w.v. groenten

4,2

5,0

4,9

4,8

-1,1

sierteelt

5,9

4,8

4,4

4,1

-5,9

Cultuurgrond, totaal

1.975 ,5

1.872 ,3

1.847 ,6

1.839 ,0

-0.5

6.3.2  Grondmarkt

Agrarische grondprijs licht omhoog

De gemiddelde agrarische grondprijs in Nederland is in het 4e kwartaal van 2014 gestegen tot ongeveer 55.000 euro per ha (figuur 6.6). De grondprijs zit vanaf het 3e kwartaal van 2013 in een licht opgaande lijn, na een aantal kwartalen waarin de prijs schommelde rond de 50.000 euro per ha.

De ontwikkeling van de gemiddelde landelijke prijs van (akker)bouw- en grasland loopt in grote lijnen gelijk op, waarbij de prijs van bouwland zo’n 15 à 20% hoger ligt dan die voor grasland. Werd grasland drie jaar geleden voor ongeveer 45.000 euro per ha verhandeld, inmiddels is dat ruim 50.000 euro per ha. De prijs van bouwland is in deze periode opgelopen van 50.000 euro per ha naar bijna 60.000 euro per ha.

Het totaal areaal landbouwgrond dat voor bovenstaande (gemiddelde) prijzen jaarlijks is verhandeld, lag in 2012 en 2013 ongeveer op hetzelfde niveau; in 2014 is bij een stijgende prijs een vijfde meer grond in andere handen overgegaan (figuur 6.7).

Een vergelijking op kwartaalbasis is door het seizoenpatroon - waarbij de handel in het derde kwartaal (oogstseizoen) op een laag pitje staat - wat lastiger te maken. Afgezet tegen het totaal areaal (akker)bouw- en grasland, is de mobiliteit toegenomen van 0,4% in 2012/2013 tot 0,5% in 2014. Deze mobiliteit heeft betrekking op de verhandelde grond die ten grondslag ligt aan de waargenomen prijs. In de praktijk verwisselt veel meer grond van eigenaar, bijvoorbeeld in het kader van bedrijfsopvolging of aankoop door beleggers, ontwikkelaars of overheden. De vraag naar grond voor bestemmingen buiten de landbouw is de laatste jaren echter laag door de sterke terugval van de woningbouwproductie en minder vraag voor natuurontwikkeling.

Regionale verscheidenheid

Aan de hand van vier landsdelen wordt een indruk gegeven van de regionale verscheidenheid in de agrarische grondmarkt. In het 4e kwartaal van 2014 was de gemiddelde grondprijs het hoogst in het landsdeel Zuid en het laagst in landsdeel Noord (figuur 6.8). In landsdeel Zuid lag de relatieve grondmobiliteit ook wat hoger dan in de andere landsdelen.

De gemiddelde agrarische grondprijs in landsdeel Noord is wat lager dan in de andere landsdelen, maar verloopt ongeveer langs de landelijke lijn. De prijs is in de afgelopen drie jaar gestegen van circa 40.000 tot 45.000 euro per ha in het 4e kwartaal van 2014. In landsdeel Oost is de gemiddelde agrarische grondprijs omhooggegaan van 50.000 begin 2012 tot 57.000 euro per ha eind 2014. De gemiddelde agrarische grondprijs in landsdeel West schommelde de afgelopen drie jaar tussen 45.000 en 50.000 euro per ha, maar op het eind van 2014 nam die toe tot 54.000 euro per ha. De gemiddelde agrarische grondprijs in landsdeel Zuid ligt op een hoger niveau dan in de andere landsdelen. In de jaren 2012-2014 bewoog die prijs zich rond de 60.000 euro per ha: tot het 3e kwartaal 2013 lag de prijs hier nog onder, maar in vrijwel alle opvolgende kwartalen kwam die erboven uit.

Verklarende factoren

De agrarische grondprijs is de prijs die boeren onderling voor grond betalen. De prijsontwikkeling op lange termijn laat een trendmatige stijging zien, doorbroken door perioden waarin de prijs eerst sterk stijgt en vervolgens sterk daalt. De grondprijs is niet alleen sterker gestegen dan de inflatie, maar ook duidelijk meer dan het gemiddelde inkomen per ha in de grondgebonden sectoren. Deze trendmatige stijging van de grondprijs is sterk bepaald door de doorgaande schaalvergroting in de grondgebonden landbouw. Schaalvergroting is vaak een voorwaarde om de kostenreductie te realiseren die door de technische vooruitgang mogelijk wordt gemaakt. Het gevolg is dat de agrarische grondprijs wordt bepaald door het grondinkomen dat door de uitbreidende bedrijven wordt verdiend met extra hectaren, het zogenaamde marginale grondinkomen. Dit marginale grondinkomen - en daarmee de grondprijs - ligt substantieel hoger dan het gemiddelde grondinkomen. Met de afschaffing van de melkquota, die intussen heeft plaatsgevonden, heeft het grondinkomen een impuls gekregen: de quotumwaarde is ‘overgelopen’ in de grondprijs.

Lage rente als stuwende factor

Een andere factor is de rentevoet, die op een historisch laag niveau is beland. De ontwikkeling van de landbouwgrondprijs verloopt in grote lijnen omgekeerd aan die van de rente (figuur 6.9). In de afgelopen decennia is de kapitaalmarktrente gedaald van 11,6% in 1981 tot 1,2% in 2014; in diezelfde periode is de grondprijs verviervoudigd. De daling van de rente vergroot de betaalcapaciteit van de koper. Rekening houdend met de actuele kapitaalmarktrente en een dertigjarige aflossing schommelde de berekende annuïteit vrij lang - van omstreeks 1975 tot 2000 - rond de 1.500 euro per ha; daarna tot en met 2014 lag het gemiddelde niveau ruim boven de 2.000 euro per ha en met grotere schommelingen door de grondprijsbewegingen. Recentelijk (na 2009) neemt de betaalbaarheid iets toe, omdat de rente harder is gedaald dan de grondprijs is gestegen.

6.3.3  Pacht

Pachtarealen en pachtprijzen

Het totale pachtareaal - inclusief ‘zwarte en grijze’ pacht - is in 2014 met ongeveer 9.500 ha afgenomen tot 732.000 ha. Dat komt neer op een daling van 1,3%, iets boven het gemiddelde van 2008-2014. Dat heeft in hoofdzaak te maken met de voortdurende vermindering van het areaal reguliere pacht (tabel 6.7): tussen 2008 en 2014 jaarlijks met ruim 3%. De kortlopende liberale pacht (ingevoerd in 2007) heeft in korte tijd een behoorlijk aandeel (9%) in de pachtmarkt opgebouwd.

Het areaal pacht met prijsbeheersing (reguliere pacht en geliberaliseerde pacht langer dan zes jaar) is tussen 2008 en 2014 jaarlijks met 3% afgenomen, terwijl het areaal zonder prijsbeheersing ongeveer gelijk is gebleven. Het aandeel van de pacht met prijsbeheersing is hierdoor geslonken van 48% (in 2008) tot 43% (in 2014).

Tabel 6.7

Areaal (1.000 ha) naar gebruikstitel, 2008-2014

2008

2010

2011

2012

2013

2014

Eigendom

1.104 

1.065 

1.058 

1.055 

1.068 

1.067 

Erfpacht

35

36

37

37

38

40

Pacht totaal

514

507

503

495

493

484

w.v. reguliere pacht

379

350

341

330

324

312

teeltpacht

12

15

15

15

15

15

eenmalige pacht

92

88

86

82

78

75

geliberaliseerd < 6 jaar

19

42

48

55

62

69

geliberaliseerd > 6 jaar

2

3

3

4

4

5

Overige gebruikstitels a

276

264

261

254

249

248

Totaal

1.929 

1.872 

1.858 

1.842 

1.848 

1.839 

De pachtprijs van pachtovereenkomsten met prijsbeheersing is vanaf 2006 met ruim 40% gestegen tot gemiddeld ongeveer 600 euro per ha in 2013 (figuur 6.10); de prijs van de ‘vrije’ contracten nam toe met 30% tot 760 euro per ha. Door de iets sterkere prijsstijging van de pacht met prijsbeheersing is het verschil in prijsniveau tussen beide gedaald van 40% tot 30%.

Tot de pachtvormen zonder prijsbeheersing - pachter en verpachter bepalen zelf de prijs -
be­horen ook de mondelinge (‘zwarte’ pacht) en schriftelijke overeenkomsten die niet zijn geregistreerd door de grondkamer (‘grijze’ pacht). Ook teeltpacht valt onder de pachtvormen zonder prijsbeheersing. De prijs van deze pachtvorm ligt tussen de 1.500 en 2.000 euro per ha. In de grijze of zwarte pacht kunnen overigens ook overeenkomsten zijn opgenomen die het karakter van teeltpacht hebben, maar die niet als zodanig zijn geregistreerd.

Pachtnormen 2015

De pachtnormen 2015 gaan over bijna de gehele linie fors omhoog ten opzichte van de pachtnormen 2014 (tabel 6.8), doordat de gemiddelde grondbeloning in de periode 2009-2013 (basis pachtnormen 2015) beduidend hoger is dan de gemiddelde grondbeloning over de periode 2008-2012 (basis pachtnormen 2014). Zo was 2008 een jaar met gemiddeld matige bedrijfsresultaten, terwijl in 2013 juist goede resultaten werden geboekt (Silvis et al., 2015).

Tabel 6.8

Regionormen en veranderpercentages los bouw- en grasland vanaf 1 juli 2015

Hoogst toelaatbare pachtprijzen

Pachtprijsgebied

Regionorm (euro/ha)a

Veranderpercentage (%)b

Bouwhoek en Hogeland

714

18

Veenkoloniën en Oldambt

689

20

Noordelijk weidegebied

738

13

Oostelijk veehouderijgebied

634

20

Centraal veehouderijgebied

622

25

IJsselmeerpolders

1.174 

25

Westelijk Holland

660

22

Waterland en Droogmakerijen

394

25

Hollands/Utrechts weidegebied

819

16

Rivierengebied

836

10

Zuidwestelijk akkerbouwgebied

708

11

Zuidwest-Brabant

734

21

Zuidelijk veehouderijgebied

751

16

Zuid-Limburg

935

9

6.3.4  Evaluatie pachtregelgeving

In 2007 is de Pachtwet ingetrokken en is de pachtregelgeving ondergebracht in het Burgerlijk Wetboek. Daarbij zijn enkele wijzigingen doorgevoerd waaronder de invoering van geliberaliseerde pacht (in plaats van eenmalige pacht) en een nieuwe manier voor het berekenen van pachtnormen. Bruil (2014) constateert in zijn evaluatie van de wijzigingen in de pachtregelgeving dat de afgelopen decennia een tweeslachtig systeem is ontstaan. Aan de ene kant de reguliere pacht met veel dwingendrechtelijke bescherming voor de pachter en relatief lage pachtprijzen. Aan de andere kant de geliberaliseerde pacht met nauwelijks bescherming voor de pachter, grote contractvrijheid en betrekkelijk hoge pachtprijzen. De belangrijkste aanbeveling in het rapport is een nieuwe pachtregeling met als uitgangspunt dat pachters en verpachters zoveel mogelijk in staat moeten worden gesteld hun zaken onderling te regelen. Dat betekent in zijn ogen liberalisering, maar wel met twee restricties: waar nodig bescherming voor de pachter en waar mogelijk stimuleren van duurzaam grondgebruik.

Akkoord van Spelderholt

Als vervolg op de evaluatie van Bruil hebben pachters en verpachters een voorstel gedaan om de tekortkomingen van het huidige stelsel op te lossen: het Akkoord van Spelderholt. Maar zoals ze in de aanbiedingsbrief aan de staatssecretaris van EZ schrijven, is het een deelakkoord omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over het overgangsrecht met betrekking tot de prijs van bestaande reguliere pachtovereenkomsten (Akkoord van Spelderholt, 2014). In het voorstel zijn vijf pachtvormen opgenomen waarvan twee al bestaan, teeltpacht en pacht van kleine oppervlakten. Ook reguliere pacht blijft bestaan, máár zonder prijsbeheersing. Nieuw is de loopbaanpacht die evenals reguliere pacht van toepassing is op hoeves, gebouwen en los land. Het contract wordt voor ten minste 25 jaar afgesloten. Ook voor deze pachtvorm is de prijs ‘vrij’, wat niet geldt voor de vijfde pachtvorm, de flexibele pacht. Deze pachtvorm komt via vrije prijsvorming tot stand en de duur kan vrij door partijen worden bepaald. De overeengekomen prijs kan echter achteraf op verzoek van pachter of verpachter door de grondkamer worden getoetst. De grondkamers kunnen de prijs dan dwingend aanpassen, 10 tot 30% lager dan de prijs voor de prijs van de vernieuwde reguliere pacht (ibidem).

Staatssecretaris vraagt verbeterd voorstel

De staatssecretaris van EZ heeft aangegeven dat de pachtvormen in het akkoord van Spelderholt een basis bieden om de uitgangspunten van het pachtbeleid te realiseren (EZ, 2014). Het gaat hierbij onder meer om een pachtstelsel dat recht doet aan de belangen van pachter en verpachter, en een stelsel dat ruimte biedt voor onderlinge prijsvorming die is gerelateerd aan de duur van het contract en de mate van bescherming van de pachter. De staatssecretaris heeft de partijen die zijn betrokken bij het akkoord van Spelderholt de gelegenheid gegeven om met een gedragen en verbeterd voorstel te komen, inclusief een voorstel voor de overgang van het huidige systeem naar het nieuwe (EZ, 2015a).

Economische beoordeling voorstel prijstoets flexibele pacht

Het voorstel van een flexibele pachtvorm met prijstoetsing is door een aantal economen onder de loep genomen (Silvis en Voskuilen, 2015). Er zijn argumenten voor een prijstoets van flexibele pacht, zoals marktimperfecties en het voorkomen dat de inkomensondersteuning via hogere pachtprijzen wegvloeit naar de verpachter. Een prijstoets maakt flexibele pacht echter minder interessant. Deze nodigt niet uit om een pachtvorm voor langere duur te kiezen, maar om uit te wijken naar informele pachtvormen. Verder is de voorgestelde prijstoets economisch niet goed te onderbouwen, bestaat het risico van overheidsfalen bij het bepalen van de korting en zijn er uitvoeringskosten. Dat zijn redenen om de prijsvorming over te laten aan de marktpartijen.

Aanpassing van huidige regelgeving?

Mede gezien de overgangsproblematiek van huidige naar nieuwe pachtvormen, kan mogelijk worden volstaan met een bescheiden aanpassing van de huidige regelgeving (Silvis en Voskuilen, 2015). In 2007 is de geliberaliseerde pacht geïntroduceerd. De variant voor kortere duur (zes jaar of minder) zonder prijsregulering heeft behoorlijke opgang gemaakt, in tegenstelling tot de variant met een langere looptijd en prijsregulering. Als de wettelijke prijsbeheersing (via het Pachtprijzenbesluit) die nu geldt voor de geliberaliseerde pacht van langer dan zes jaar zou vervallen, dan zou de animo bij verpachters om landbouwgronden voor langere duur ter beschikking te stellen aanmerkelijk kunnen toenemen.

In het akkoord van Spelderholt wordt voorgesteld om de prijs van de bestaande reguliere pachtcontracten met behulp van de agrarische grondprijs aan te passen, omdat de uitkomsten van de huidige wijze van berekenen als te volatiel worden ervaren. De grondprijs is de uitdrukking van de marginale opbrengstwaarde van de landbouwgrond en niet van de gemiddelde opbrengstwaarde. Verder staat de agrarische grondprijs onder invloed van de niet-agrarische vraag (afhankelijk van tijd en plaats) en van het monetaire beleid (rentevoet). Mede hierdoor kan de agrarische grondprijs behoorlijk schommelen, zoals het verleden laat zien. Afgeraden wordt om de grondprijs als maatstaf voor de pachtprijs te hanteren (ibidem).

6.4  Kapitaal

6.4.1  Balans

De gemiddelde waarde van het Nederlandse land- en tuinbouwbedrijf is gestegen van 2,1 mln. euro in 2009 tot 2,7 mln. euro in 2014 (figuur 6.11). De toename is vooral te danken aan de groei van de gemiddelde bedrijfsomvang en de stijging van de grondprijs (zie agrimatie.nl). Grondgebonden bedrijven hebben in 2014 een hogere gemiddelde waarde dan niet-grondgebonden bedrijven; met 3,6 mln. euro per bedrijf heeft de akkerbouw het hoogste balanstotaal.

Solvabiliteit daalt in de varkenshouderij en glastuinbouw

Zowel het balanstotaal als de wijze waarop de activa zijn gefinancierd verschilt sterk tussen bedrijfstypen en bedrijven. Gemiddeld wordt ongeveer twee derde van het balanstotaal gefinancierd met eigen vermogen (figuur 6.11). De grondgebonden bedrijven werken gemiddeld met een grotere inzet van eigen kapitaal dan de niet-grondgebonden bedrijven. De jaarlijkse vorming van eigen vermogen op land- en tuinbouwbedrijven vindt enerzijds plaats door herwaardering van aanwezige activa en anderzijds door mutaties van liquide middelen afkomstig uit besparingen, ontvangen erfenissen en overige vermogensmutaties.

In zowel de akkerbouw als de melkveehouderij is de toename van het eigen vermogen de afgelopen vijf jaar groter geweest dan de toename van het vreemd vermogen. Hierdoor steeg de solvabiliteit tot respectievelijk 80% en 70%. In de glastuinbouw en varkenshouderij is de solvabiliteit gezakt tot respectievelijk 33% en 51% in 2014. Vanuit het oogpunt van risicobeheer is het belangrijk dat bedrijven over een voldoende grote financiële buffer beschikken om inkomensfluctuaties op te vangen. Een lage solvabiliteit maakt bedrijven kwetsbaar voor dergelijke schommelingen. In de varkenshouderij is het eigen vermogen de afgelopen vijf jaar nog wel gestegen, maar is de uitbreiding en modernisering meer met vreemd vermogen gefinancierd. In de glastuinbouw is de verslechtering van de solvabiliteit ontstaan door een daling van het eigen vermogen. Deze is het gevolg van matige economische resultaten in de afgelopen jaren waardoor is ingeteerd op reserves, en door een waardedaling van tuinbouwgrond. Overigens vermindert het balanstotaal in de glastuinbouw al vanaf 2010. Een behoorlijk deel van de schuld (bijna 20%) in deze sector heeft een kortlopend karakter. Dit zijn veelal rekeningen voor aanschaf van plantmateriaal; dit materiaal wordt in het najaar geleverd en in het voorjaar betaald als de eerste gewasopbrengsten worden gerealiseerd.

6.4.2  Langlopende leningen

Het bedrag aan langlopende leningen per activiteit-eenheid - zoals kg melk voor de melkveehouderij - is sinds het begin van deze eeuw in de land- en tuinbouw fors gestegen (figuur 6.12). Nieuwe leningen zijn aangetrokken om bedrijfsinvesteringen in modernisering en schaalvergroting te financieren.

Akkerbouw: forse investeringen in machines en werktuigen

De langlopende leningen zijn in de akkerbouw het sterkst gestegen: van gemiddeld 5.700 per ha in 2001-2005 tot 10.600 euro per ha in 2013 (figuur 6.12). De goede bedrijfsresultaten van de laatste jaren (zie ook paragraaf 7.3) hebben geresulteerd in flinke investeringen in met name machines en werktuigen, waarbij een deel met extra vreemd vermogen is gefinancierd door de banken. Door de sterke onderpandwaarde van grond is het risico voor de financier beperkt. Ondanks de toegenomen schuld per ha is de betaalde rente per ha de afgelopen vijf jaar slechts beperkt gestegen, dankzij de daling van de rentetarieven. Dit geldt ook voor de andere sectoren, zodat zelfs sprake is van lagere rentelasten per eenheid product dan vijf jaar geleden.

Glastuinbouw: vrijwel geen investeringen meer in nieuwe kassen

In de glastuinbouw was tot 2010 sprake van een forse toename van de langlopende lening per m2 kas; vooral in 2007 en 2008 werd flink geïnvesteerd met geleend geld. Goede resultaten uit voorgaande jaren en een opgaande conjunctuur stuwden de schuld per m2 kas op van gemiddeld 39 euro in 2001-2005 tot 72 euro per m2 kas in 2010. Daarna is de schuld gedaald tot gemiddeld 62 euro per m2 in 2013 (figuur 6.12). Deze ontwikkeling heeft zowel in de glasgroente- als in de sierteeltsector plaatsgevonden. De lagere schuld is onder meer veroorzaakt door de slechte economische resultaten en langdurig slechte marktprijzen. Bedrijven bleken kwetsbaar voor schommelingen in de resultaten en een aantal had een te kleine financiële buffer. Verder zijn de banken door de bankencrisis kritischer geworden bij kredietaanvragen en moeten ze zelf grotere financiële buffers aanhouden. Het aantal glastuinbouwbedrijven is dan ook flink gekrompen, waarbij er ook een aantal failliet is gegaan.

De combinatie van tegenvallende economische resultaten en een kritischer houding van banken betekent dat ondernemers een pas op de plaats moeten maken. Hierdoor wordt er de laatste jaren in met name de glasgroenteteelt nauwelijks geïnvesteerd in nieuwe kassen. Het is in hun eigen belang dat er eerst weer financiële buffers worden aangelegd door waar mogelijk geld toe te voegen aan de eigen reserves, dan wel lopende schulden af te lossen. De cijfers van het Informatienet laten zien dat er sinds 2011 sprake is van een daling van het gemiddelde bedrag aan langlopende leningen. Dit beeld blijkt tevens uit de gegevens van de Rabobank (2015), de grootste agrarische kredietverstrekker, waar de top van het financieringsvolume in de glastuinbouwsector in 2009 werd bereikt met een bedrag van ruim 7,3 mrd. euro; in 2014 was het gedaald tot 6,1 mrd. euro.

Melkveehouderij: investeren en aflossen

De langlopende leningen per kg melk in de melkveehouderij namen tot 2013 geleidelijk toe (figuur 6.12) met in totaal 30% ten opzichte van 2001-2005. In 2013 is de schuld gedaald van 1,27 euro naar gemiddeld 1,21 euro per kg melk. In dat jaar nam de langlopende schuld nog wel toe tot gemiddeld 895.000 euro per bedrijf, maar de melkproductie steeg in dat jaar nog sterker, met 9% tot 743.000 kg melk. Deze toename kwam tot stand door hoge melkprijzen, verruiming van de quota en voor een deel al voorsorteren op de afschaffing van de melkquota per 1 april 2015. Hoge melkprijzen resulteerden in 2013 ook in een hoog inkomen van de melkveehouders waarbij er naast investeringen ook ondernemers zijn die hebben afgelost op lopende leningen.

Varkenshouderij: bancaire financiering verder gedaald

De langlopende leningen in de varkenshouderij zijn met onderbrekingen per saldo met 25% gestegen in de periode 2001-2013 (figuur 6.12). Uitgedrukt in euro’s ligt de schuld in 2013 op 450 euro per vleesvarken en 660 euro per zeug. In de vleesvarkenshouderij ligt dit bedrag op het niveau van 2007. De schaalvergroting in deze periode (2007-2013) - flinke daling aantal bedrijven en forse stijging van de bedrijfsomvang - is dus per saldo niet gepaard gegaan met toegenomen schulden. Op de zeugenbedrijven is in deze periode nog wel sprake van een geringe toename van de langlopende lening per zeug, die overigens de laatste drie jaar is gestabiliseerd. De varkenshouderij kampt sinds 2007 met matige economische resultaten, waarbij de inkomensontwikkeling voor zeugenbedrijven beter is geweest dan voor vleesvarkensbedrijven. Hierdoor is de ruimte voor ondernemers om grotere leningen aan te gaan bij banken beperkt. Volgens de Rabobank (2015) heeft het financieringsvolume in de varkenshouderij in 2014 het laagste niveau sinds 2008 bereikt.

6.4.3  Immateriële vaste activa

In 2014 maakten immateriële vaste activa, vooral quota en dierrechten, nog geen 10% van het gemiddelde balanstotaal van land- en tuinbouwbedrijven uit, tegenover 25% in 2005. De waarde en de samenstelling ervan verschillen sterk tussen bedrijven en bedrijfstypen. De immateriële activa bestaan vooral uit de productierechten (quota) die in EU-verband zijn vastgesteld ter beperking van de productie van melk en van suiker, de dierrechten voor varkens en voor pluimvee en de toeslagrechten in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Al deze rechten zijn in Nederland onder voorwaarden verhandelbaar. De waarde ervan wordt sterk bepaald door beleidswijzigingen.

De waarde van productierechten (quota) op de balans is sinds 2006 gestaag gedaald van circa 500.000 euro tot 200.000 euro in 2014. Intussen is het melkquotum (per 1 april 2015) afgeschaft, waardoor de superheffing op melk die boven het quotum wordt geproduceerd is vervallen. Het suikerquotum verdwijnt in 2017. Vanaf dan is de teelt van suikerbieten niet meer gebonden aan een suikerquotum.

De waarde van dierrechten op varkensbedrijven is in vijf jaar tijd met gemiddeld bijna 50% gedaald. Voor varkens en pluimvee blijven dierrechten voorlopig bestaan. In 2016 zal worden bekeken of de dierrechten voor varkens en voor pluimvee met ingang van 2018 kunnen komen te vervallen. Voor de melkveehouderij worden dierrechten achter de hand gehouden als het fosfaatplafond mocht worden doorbroken. De bedrijven kunnen groeien, mits het bedrijf beschikt over voldoende grond voor de mest, of de extra mestproductie laat verwerken (zie ook katern Wet Verantwoorde groei melkveehouderij).

Van toeslag- naar betalingsrechten

De toeslagrechten, die recht gaven op de jaarlijkse bedrijfstoeslag, zijn per 31 december 2014 vervallen en vervangen door betalingsrechten. Na de overgangsperiode krijgen alle ontvangers in 2019 dezelfde waarde per ha uitgekeerd. De voorwaarden voor ontvangers zijn drieledig: actieve landbouwer zijn, in 2013 een betaling voor directe steun hebben gehad en in 2015 een aanvraag doen om betalingsrechten toegekend te krijgen. Daarnaast moet aan de zogenaamde vergroeningseisen worden voldaan. De aanpassing van het bedrag naar een gelijk bedrag per ha voor elke ontvanger verloopt geleidelijk. Het aantal betalingsrechten (vermoedelijk meer dan 1,8 mln.) zal groter zijn dan het aantal toeslagrechten in Nederland (ongeveer 1,4 mln.). Dit (aantal betalingsrechten) wordt bepaald op basis van het aantal hectares subsidiabele landbouwgrond dat in gebruik is op 15 mei 2015. De waarde van het betalingsrecht in de overgangsperiode wordt gebaseerd op de waarde van de toeslagrechten in eigendom op 15 mei 2014. De waarde van de verhuurde toeslagrechten telt hierbij mee. Het bedrag voor de betaling voor de vergroening bedraagt 30% van de totale betaling. Verwacht wordt dat in 2019 de basisbetaling 270 euro per ha zal zijn en de betaling voor de vergroening uitkomt op 120 euro per ha.

Literatuur

Berkhout. E., P. Bisschop en M. Volkerink (2014). Grensoverschrijdend aanbod van personeel; Verschuiving in nationaliteit en contractvormen op de Nederlandse arbeidsmarkt 2001-2011. Publicatie 2014-49. SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam

Berkhout, P., H. Silvis en I. Terluin (2013) (red.). Landbouw-Economisch Bericht 2013. LEI-rapport 2013-041. LEI Wageningen UR, Den Haag

Bruil, D.W. (2014). Evaluatie pachtregelgeving. Instituut voor Agrarisch Recht Wageningen

Everdingen, Walter van, Harold van der Meulen, Hennie van der Veen en Hans Vrolijk (2014). NSO-typering 2014; Typering van agrarische bedrijven in Nederland. LEI-nota 14-046. LEI Wageningen UR, Den Haag

EZ (2011-2014). Monitor Duurzaam Voedsel. Diverse jaren. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag

EZ (2014). Beleidsstandpunt evaluatie pachtsysteem. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 15 oktober 2014

EZ (2015a). Antwoorden op schriftelijk overleg Pacht van 1 april 2015. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1 mei 2015

EZ (2015b). Pachtnormen 2015; Bijlage. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 18 mei 2015

Flören, R.F ( 2002). Crown princes in the clay. Koninklijke van Gorcum, Assen

Loeffen, G.M.J. (1984). Boerinnen en tuindersvrouwen in Nederland. Publ. No. 2.168. Landbouw-Economisch Instituut, Den Haag

Meulen, H. van der, I. Matser, C. Remery, I.Terluin, J. Bouma en J. Jager (2014). Vrouwen op agrarische bedrijven: actief en betrokken. LEI-rapport 2014-095. LEI Wageningen UR, Den Haag

Meulen, H. van der, I. Matser, C. Remery, I.Terluin, J. Bouma en J. Jager (2015). Agrarische jongeren: ambitieus en veelzijdig. LEI-rapport 2015-054. LEI Wageningen UR, Den Haag

Rabobank (2015). Posities agrarische sector 2008-2014. Utrecht.

Silvis, H.J., R.W. van der Meer en M.J. Voskuilen (2015). Pachtnormen 2015; Berekening hoogst toelaatbare pachtprijzen voor los land, agrarische bedrijfsgebouwen en agrarische woningen. LEI-nota 2015-021. LEI Wageningen UR (University & Research centre), Wageningen

Silvis, H.J. en M.J. Voskuilen (2015). Flexibele pacht en prijstoetsing in economisch perspectief. LEI Report 2015-055. LEI Wageningen UR (University & Research centre), Wageningen

Skal (2015). Jaarverslag 2014. Skal Biocontrole, Zwolle

SZW (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (2015). Migrantenmonitor 2012-2013. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 9 februari 2015

Akkoord van Spelderholt (2014). Brief aan de Staatssecretaris van Economische Zaken, 4 juli 2014

Wit, Jena de, Peter Donker van Heel en Dennis van Buren (2012). Arbeidsmarktmonitor Tuinbouw 2012; Basisrapport en Tabellenrapport. ECORYS/Productschap Tuinbouw, Rotterdam/Zoetermeer

Zeelenberg, Arend, Maurits Steverink en Bavo van den Idsert (2015). Bionext Exporttrend Biologisch 2014; Biologische export nadert 1 miljardgrens. Bionext, Zeist