Landbouw, milieu en dierenwelzijn

5.1  Gewasbescherming en plantgezondheid

5.1.1   Verbruik en milieubelasting

De afzet van bestrijdingsmiddelen schommelt al jaren rond de 10 mln. kg werkzame stof per jaar. In 2013 bedroeg de afzet 9,9 mln. kg werkzame stof, 12,5% lager dan in 2012 (tabel 5.1). Dit kwam vooral door een koude en daardoor trage start van het teelt­seizoen. De ontwikkeling van ziekten en plagen kwam hierdoor ook traag op gang. Bijna 40% van de gebruikte middelen is voor schimmelbestrijding. In jaren met vochtige zomers is de schimmeldruk hoger dan in droge jaren zoals 2013.

Van de totale afzet van bestrijdingsmiddelen in Nederland is ongeveer 98% voor gebruik in de land- en tuinbouw. De rest wordt gebruikt door particulieren of door beheerders van het openbaar groen. Het betreft hier vaak onkruidbestrijdingsmiddelen (Compendium, 2014a).

Tabel 5.1

Verbruik gewasbeschermingsmiddelen in de Nederlandse land- en tuinbouw, 1984-2013

Verbruik (mln. kg actieve stof a

Categorie

1984-88

1995

2000

2005

2007

2010

2011

2012

2013

Onkruidbestrijding

4,6

3,98

3,5

3,5

3,57

2,64

3,03

3,05

2,60

Schimmelbestrijding

4,45

4,49

4,93

4,39

5,02

3,61

4,23

4,63

3,86

Insectenbestrijding

0,69

0,55

0,29

0,21

0,21

0,24

0,26

0,22

0,18

Grondontsmetting

10,25

2,39

1,4

1,41

1,66

1,35

1,54

1,44

b

Overige b

1,31

1,2

1,26

1,2

1,62

1,76

1,89

2,01

3,30

Totaal

21,30

12,61

11,38

10,71

12,08

9,6

10,95

11,36

9,94

Naast het gebruik is de milieubelasting door gewasbescherming een belangrijke indicator. Met name het oppervlaktewater wordt belast door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor grondwater en bodem is dit duidelijk minder het geval. In de periode 2007-2010 daalde de totale milieubelasting (uitgedrukt in milieubelastingspunten) door gewasbescherming. Na een stijging in 2011 is de milieubelasting in 2012 opnieuw gedaald, maar nog niet onder het niveau van 2010. Naast het gebruik in kg actieve stof is ook het milieubelastend effect per kg actieve stof van belang; dat effect daalt al jaren door een doorlopende sanering van relatief sterk belastende middelen.

5.1.2  Beleid

In mei 2013 presenteerde het ministerie van Economische Zaken de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming (EZ, 2013). In de nota wordt de ambitie uitgesproken om in 2023 het aantal overschrijdingen van milieukwaliteitsnormen naar oppervlaktewater ten opzichte van 2013 met 90% te reduceren. In een ex-ante evaluatie is gebleken dat deze ambities in het algemeen ‘haalbaar en betaalbaar’ zijn, maar dat met name voor erfemissies en probleemstoffen aanvullende specifieke maatregelen vereist zijn (Buurma et al., 2013). Voor individuele sectoren of bedrijven kan de betaalbaarheid wel een probleem vormen.

Het adagium van EZ is ‘geïntegreerde gewasbescherming’. Naast preventie, resistente rassen, schoon uitgangsmateriaal, weerbare teeltsystemen, scherpe monitoring en precieze bestrijdingstechnieken en biologische bestrijding, wordt hierbij aandacht besteed aan gewasbeschermingsmiddelen met een zo laag mogelijk risico voor mens, dier en milieu. In 2015 wordt dit onder andere uitgewerkt in een Green Deal, waarin overheid en bedrijfsleven samenwerken aan een versnelling in het duiden en beoordelen van laagrisicomiddelen en stoffen in Europees verband. De Green Deal heeft inmiddels geleid tot een eerste toelating (Poot, 2015).

Nu de implementatie van het aangescherpte beleid in volle gang is, zijn monitoring en evaluatie aan de orde. De handhavende instantie NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) heeft onlangs geconstateerd dat er in de akkerbouw en sierteelt nog het een ander misgaat (zie kader). Er is dus nog actie nodig om aan alle beleidsdoelen op gewasbeschermingsgebied te voldoen (zie ook paragraaf 5.1.3 ).

Bij een steekproef onder 300 akkerbouwbedrijven door inspecteurs van de NVWA is gebleken dat er te vaak middelen worden gebruikt die niet in de teelt toegelaten zijn. Ook het goed reinigen van de spuitapparatuur gaat bij deze telers nog vaak mis. Bij 10% van de bedrijven was sprake van verwijtbaar handelen en volgde een boete. Bij vergelijkbaar onderzoek onder 100 siertelers is bij 12% van de telers verwijtbaar handelen aangetoond. Het verschil in naleving tussen de verschillende geselecteerde groepen siertelers is erg groot: bij perkgoed is de naleving 81%, bij rozentelers ongeveer 60%, bij chrysantentelers 58% en bij kwekers van orchideeën 41%. Vooral het gebruik van verboden middelen en het onzorgvuldig gebruik van bestrijdingsmiddelen is een probleem (NVWA, 2015).

5.1.3  Discussie risico’s gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Kennis over en aandacht voor risico’s

De toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen gaat met verschillende risico’s gepaard. Door fouten of nalatigheid bij de opslag van middelen in de middelenkast, het klaarmaken en verspuiten van spuitvloeistof en het schoonmaken van de apparatuur na afloop van de spuitbeurt kunnen de toediener of andere personen of dieren die zich in de nabijheid bevinden, met de middelen in aanraking komen en gezondheidsproblemen of zelfs vergiftigingsverschijnselen krijgen. Daarom is bijvoorbeeld het gebruik van beschermende kleding bij deze werkzaamheden voorgeschreven, onder andere in de Arbowetgeving (Arbocatalogus, 2015).

Bij het spuiten zelf gelden de regels van het Activiteitenbesluit (voorheen het Lozingenbesluit Open Teelten en Veehouderij), waarbij beperkingen worden gesteld aan de hoogte van de spuitboom boven het gewas, de maximale windsnelheid waarbij gespoten mag worden en het gebruik van driftreducerende spuitdoppen. Als het spuiten (buiten) vlak voor een regenbui plaatsvindt, kan het middel van het gewas afspoelen en in de grond en het oppervlakte- en grondwater terechtkomen. Er moet vaak ook een zekere wachttijd in acht worden genomen tussen de toepassing van een middel en de oogst, zodat de kans op residuen op het gewas zo klein mogelijk is. Het schoonmaken van de apparatuur moet op een zogenaamde ‘vloeistofkerende vloer’ met opvang van restvloeistof plaatsvinden (CLM, 2013). Al deze maatregelen moeten de risico’s voor het milieu (bodem, oppervlakte- en grondwater) beperken, zodat flora en fauna zo veel mogelijk gespaard worden.

Naast algemene regels voor het gebruik zijn er specifieke voorschriften per middel. Die staan op het etiket op de verpakking, in overeenstemming met het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG). Op het etiket staat onder andere vermeld voor welke bestrijdingsdoelen en gewassen het betreffende middel door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is toegelaten; ook bevat het informatie over het maximaal aantal toepassingen per teelt, de maximale dosering per spuitbeurt en de wachttijden die moeten worden gehanteerd tot de oogst. De fabrikanten van deze middelen geven hierover veel informatie, omdat toelating van middelen in gevaar kan komen als ze onoordeelkundig worden ingezet. Dat is opgenomen in de Tweede Nota (EZ, 2013).

Iedere toediener moet een gewasbeschermingsplan hebben en over een spuitlicentie beschikken die regelmatig verlengd wordt. Voor die verlenging moeten boeren en tuinders ieder jaar een aantal bijeenkomsten over gewasbescherming bijwonen. Een punt van aandacht is dat het bijwonen van dergelijke bijeenkomsten niet per se zal leiden tot meer kennis en tot, waar nodig, gedragsverandering. Het toetsen en coachen van kennis en gedrag zou hierin verbetering kunnen brengen. Die verbetering is bij een deel van de boeren en tuinders nodig, zoals in de vorige paragraaf voor de akkerbouw en de sierteelt is beschreven.

Biologische bestrijders en biologische bestrijdingsmiddelen

Een manier om de risico’s van chemische gewasbescherming voor de menselijke gezondheid (zowel van de toediener als, via residuen, voor de consument) en voor het milieu terug te brengen is de toepassing van biologische methoden.

In de eerste plaats is het mogelijk om biologische bestrijders in te zetten. De meest bekende vorm is de bestrijding van schadelijke insecten met natuurlijke vijanden, bijvoorbeeld vogels of predatorinsecten. Een concreet voorbeeld is de inzet van roofwantsen ter bestrijding van trips in kassen. In de vrije buitenlucht is dit principe lastiger hanteerbaar. In projecten met ‘functionele agrobiodiversiteit’ (FAB) in onder andere de Hoeksche Waard is gebleken dat het mogelijk is om op akkers gunstige omstandigheden voor natuurlijke vijanden te creëren, waardoor de plaagdruk ter plaatse kan afnemen. Dit is realiseerbaar door de aanleg van akkerranden en natuurstroken waarin insecten of vogels overblijven en van waaruit schadelijke insecten kunnen worden bejaagd. Een bekend voorbeeld is het lieveheersbeestje, dat luizen als prooi heeft (Scheele et al., 2006).

In de tweede plaats zijn er zogenaamde biologische bestrijdingsmiddelen, die diverse vormen kunnen aannemen. Deze middelen worden voornamelijk in de biologische sector toegepast. Volgens SKAL-reglementen mogen in deze sector alleen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden die in bijlage B van EU Verordening 889/2008 staan en daarnaast zogenaamde plantversterkers. Deze middelen zijn evenwel niet per definitie risicoloos. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van koperhoudende fungiciden (Tamm et al., 2004).

5.1.4  Plantgezondheid

Deze paragraaf gaat in op enkele plantgezondheidsactualiteiten in de akkerbouw, bloembollenteelt, boomkwekerij, glastuinbouw en fruitteelt. De gepresenteerde gegevens zijn van 2013, dit zijn de meest recent beschikbare.

Akkerbouw

In 2013 waren er in de akkerbouw, evenals in voorgaande jaren, geen grote uitbraken van quarantaineziekten (zogenaamde ‘Q-organismen’). Er is eerder sprake van een beperkt aantal permanente dreigingen, zoals ringrot en aardappelmoeheid. Het beheersen van deze risico’s vergt een constante inspanning. Vanuit fytosanitair oogpunt zijn in de akkerbouw pootaardappelen veruit het belangrijkste gewas. Q-organismen vormen een bedreiging voor de export van uitgangsmateriaal, wat grote economische consequenties kan hebben. Ook in consumptieaardappelen en andere rooigewassen, zoals peen, vormen fytosanitaire risico’s een relevant onderwerp. Het betreft dan meestal bodemgebonden schadelijke organismen, die via aanhangende grond versleept kunnen worden.

De Nederlandse aardappelsector ondervindt de laatste jaren een toenemende dreiging van Erwinia (stengelnatrot en/of zwartbenigheid), een ziekte veroorzaakt door een bacterie. Doordat besmetting kan leiden tot grote schade vormt aanwezigheid van het organisme, hoewel geen Q-status, in pootgoed een bedreiging voor de Nederlandse exportstatus.

Bloembollenteelt

Het aantal afkeuringen tijdens exportinspecties door aanwezigheid van schadelijke organismen neemt al een aantal jaren op rij af. Deze afname is het gevolg van intensievere en gerichtere controles tijdens de teelt en het exportklaar maken van partijen. Toepassing van steeds nauwkeurigere toetsmethodes in derde landen voert de druk op virus- en aaltjesvrije productie en export op. De sector anticipeert hierop door met een aantal exportlanden onderlinge afspraken te maken over keuringseisen van te exporteren bloembolpartijen. In 2013 zijn nieuwe regelingen getroffen met Taiwan betreffende de toetsing op het Plantago Asiatic Mosaic Virus (PlAMV) in lelies en met Colombia betreffende de toetsing op virussen in Zantedeschia. Sinds 2007 ondervindt de lelieteelt veel schade als gevolg van het PlAMV, met name in de broeierij. In de teelt van andere bolgewassen, met name narcis en tulp, behoort het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) tot de belangrijkste quarantaine-organismen. Besmetting met dit aaltje leidt tot een teeltverbod voor het betreffende perceel of een deel daarvan.

Boomkwekerij

In de boomkwekerij hebben zich in 2013 geen ernstige incidenten voorgedaan. De belangrijkste activiteiten richtten zich op het voorkomen van insleep van schadelijke organismen uit landen als China, bijvoorbeeld van Aziatische boktor (Anaplophora glabripennis) via verpakkingshout van Chinees natuursteen. Deze organismen vormen zowel een bedreiging voor de boomteelt als voor de groene ruimte.

Glastuinbouw

Nederland is een belangrijk import- en doorvoerland van groenten en fruit en sierteeltproducten. Op deze producten kunnen ook schadelijke organismen uit het land van herkomst meeliften. Deze vormen een fytosanitair risico wanneer de importstromen kruisen met productstromen in Nederland, bijvoorbeeld in verpakkingsstations. Deze stations bevinden zich vaak op of nabij teeltlocaties. Ook in de bloemisterij wordt veel geïmporteerd, waaronder uitgangsmateriaal dat in het buitenland is opgekweekt. Door de sterke verbinding tussen ketenschakels zijn fytosanitaire risico’s hier beter beheersbaar.

In de sierteelt hebben zich in 2013 geen incidenten voorgedaan. Bij exportinspecties van groenten en fruit (open grond en onder glas) zijn in 2013, na de piek in 2012, weer wat minder partijen afgekeurd, vooral doordat minder nematoden werden aangetroffen. Maar incidenten in de paprikateelt (de paprikasnuitkever) hebben fytosanitaire risico’s de afgelopen jaren in de schijnwerpers gezet.

Fruitteelt

In 2013 is de fruitvlieg Drosophila suzukii op een groot aantal locaties in Nederland in vallen aangetroffen. De verspreiding is opmerkelijk omdat de fruitvlieg pas in 2012 voor het eerst in Nederland werd aangetroffen. De fruitvlieg kan in verschillende soorten zacht fruit aanzienlijke schade veroorzaken en is inmiddels te wijd verspreid om nog quarantainemaatregelen te kunnen treffen. In 2013 was er in Nederland veel schade in klein fruit en druiven.

Tenslotte, aandacht voor Q- en aanverwante organismen blijft in alle plantaardige sectoren van groot belang. Een alerte houding vanuit de sectoren aangevuld met exportinspecties blijft essentieel, gezien de Nederlandse exportafhankelijkheid van vele producten.

5.2  Energie en klimaat - glastuinbouw

5.2.1  Doelen voor energie en klimaat

Convenanten en Programma Kas als Energiebron

De Nederlandse glastuinbouw is bezig met een energietransitie om de klimaat- en energiebesparingsdoelen te realiseren. Tussen de glastuinbouw en de overheid zijn doelen, ambities en emissieruimtes overeengekomen voor de CO2-emissie, de energie-efficiëntie en het aandeel duurzame energie. In het meest recente convenant, de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw2014-2020 (EZ, 2014a), is de totale CO2-emissie centraal komen te staan. Het innovatie en actieprogramma Kas als Energiebron is het beleids- en uitvoeringsprogramma om de doelen te realiseren (Jaarplan, 2015).

CO2-sectorsysteem en Energie Besparingssysteem Glastuinbouw

Tussen de glastuinbouw en de overheid is een CO2-emissieruimte overeengekomen. Indien in een jaar de werkelijke CO2-emissie groter is dan de emissieruimte dient de sector aan de overheid te betalen. Deze kosten worden in het CO2-sectorsysteem omgeslagen over de glastuinbouwbedrijven op basis van het aardgasverbruik.

Naast het sectorsysteem wordt door de glastuinbouw het Energie Besparingssysteem Glastuinbouw (EBG) ontwikkeld. In het systeem krijgt een glastuinbouwbedrijf een toekomstige CO2-norm. Als de werkelijke emissie groter is dan gaat een bedrijf over het meerverbruik betalen aan het systeem. Als de werkelijke emissie kleiner is, wordt er niet betaald. De opbrengsten worden gebruikt voor het transitieprogramma Kas als Energiebron.

De afrekening bij het EBG vindt - overeenkomstig het Energieakkoord voor duurzame groei (SER, 2013) - plaats op basis van een CO2-prijs van 20 euro per ton. Dit is substantieel hoger dan de huidige marktprijs voor CO2 die bij het sectorsysteem wordt gehanteerd. Door de afrekenstructuur en de hogere CO2-prijs brengt het EBG een sterkere prikkel tot energiebesparing en verduurzaming van het energiegebruik met zich mee dan het Sectorsysteem (Van der Velden et al., 2014).

5.2.2  Monitoring van de doelen

Reductie CO2-emissie zet door

Bij de CO2-emissie voor de glastuinbouw wordt onderscheid gemaakt naar de totale emissie en de emissie voor de teelt. Het verschil hiertussen is de CO2-emissie van wk-installaties die gepaard gaat met de opwekking van elektriciteit voor de verkoop. In de periode 2005-2010 is deze verkoop van wk-elektriciteit sterk gestegen en daarmee ook de toename van de totale CO2-emissie (tabel 5.2).

Zowel de totale CO2-emissie als de CO2-emissie voor de teelt nam in 2013 met 0,1 Mton af (tabel 5.2). De totale CO2-emissie daalde tot 6,8 Mton en zit daarmee 0,6 Mton boven de CO2-emissieruimte voor 2020 (6,2 Mton). De CO2-emissie voor de teelt verminderde tot 4,9 Mton en ligt daarmee 1,9 Mton (28%) onder het niveau van 1990 en 0,9 Mton onder het doel voor 2020 (5,8 Mton). In heel Nederland lag de CO2-emissie in 2013 4% onder het niveau in 1990. De glastuinbouw loopt bij de CO2-emissie voor de teelt (-28%) dus ver voor op de landelijke ontwikkeling.

Tabel 5.2

CO2-emissie teelt en totaal, energie-efficiëntie en aandeel duurzame energie glastuinbouw, 1990-2013

1990

2000

2005

2010

2011

2012

2013 (v)

Doel 2020

CO2-emissie teelt (mln. ton) a

6,8

6,6

6,1

5,8

5,2

5,0

4,9

6,2

CO2-emissie totaal (mln. ton) a b

6,8

6,7

6,5

8,1

7,4

6,9

6,8

5,8

Energie-efficiëntie (index) c

100

84

67

43

43

43

43

44

Aandeel duurzame energie (%)

-

0,1

0,5

1,9

2,1

2,4

2,9

20

Stabilisatie energie-efficiëntie

Het primaire brandstofverbruik per eenheid product is in 2013 met 1 procentpunt verslechterd, maar lag daarmee nog wel 56% lager dan in 1990 (tabel 5.2). Dit betekent dat de glastuinbouw in 2013 56% minder energie gebruikt per eenheid product dan in 1990. De energie-efficiëntie is daarmee nog 1 procentpunt verwijderd van het doel van 57% voor 2020. De verslechtering in 2013 hangt samen met een toename van het primaire brandstofverbruik met ruim 2% en een toename van de fysieke productie per m2 met 1%. Over de periode 2008-2013 bleef de energie-efficiëntie min of meer stabiel.

De wk-installaties dragen veel bij aan de verbeterde energie-efficiëntie. Zonder de wk-installaties en bij een gelijkblijvende elektriciteitsvraag was de verbetering van de energie-efficiëntie in 2013 uitgekomen op 36% in plaats van 56%. In dat geval zou de glastuinbouw nog ver verwijderd zijn van het doel. Het doel voor 2020 lijkt haalbaar als de elektriciteitsverkoop door de wk-installaties de komende jaren op peil blijft.

Warmtekrachtinstallaties en energiekosten

Bij elektriciteitsproductie met warmtekrachtkoppeling wordt - in tegenstelling tot elektriciteitscentrales - de vrijkomende warmte benut. Het elektrisch vermogen van wk-installaties van tuinders bedroeg in 2013 ruim 3.000 MW. Met deze installaties werd in 2013 circa 11,8 miljard kWh geproduceerd. De elektriciteitsproductie door de glastuinbouw omvat ongeveer 10% van de nationale consumptie. In 2013 werd ten opzichte van 1990 met het wk-park in de glastuinbouw een nationale reductie van de CO2-emissie van bijna 2,3 Mton gerealiseerd. Dit is bijna gelijk aan het doel voor 2020.

De elektriciteitsproductie is iets gedaald als gevolg van een wat kortere gebruiksduur van de installaties. De kortere gebruiksduur is weer het resultaat van een verslechterde spark spread, ofwel het verschil tussen de inkoopprijs voor het aardgas de verkoopprijs voor elektriciteit is kleiner geworden. Daardoor zijn in de periode 2010-2013 de netto-energiekosten (inkoop minus verkoop) per m2 met 40% gestegen. Een verdere verslechtering van de spark spread wordt verwacht. Hierdoor zal de gebruiksduur van de wk-installaties verminderen, de verkoop van elektriciteit afnemen en nemen de netto-energiekosten verder toe. Stijgende energiekosten stimuleren energiebesparing zoals Het Nieuwe Telen (paragraaf 5.2.3) en het gebruik van duurzame(re) energiebronnen en remmen het intensiveringsproces. Lagere elektriciteitsprijzen stimuleren het gebruik van groeilicht, wat bijdraagt aan de intensivering. Het effect op het totaal energiegebruik is nog een open vraag.

Toename aandeel duurzame energie

Het aandeel duurzame energie hield in 2013 de stijgende lijn vast en nam toe tot 2,9%. Voor het doel in 2020 (20%) zijn nog ruim 17 procentpunten te gaan, waarmee dit doel buiten bereik lijkt. De verbetering in 2013 kwam voort uit het toegenomen gebruik van duurzame energie bij een gelijkblijvend totaal energiegebruik door de glastuinbouw. Duurzame energie omvat in volgorde van gebruik: aardwarmte (31%), zonnewarmte (25%), biobrandstoffen (19%), inkoop duurzame elektriciteit (12%), inkoop duurzame warmte (11%) en duurzaam gas (1%). Aardwarmte en biobrandstoffen zaten in 2013 in de lift, de inkoop van duurzame elektriciteit nam af.

In heel Nederland bedroeg het aandeel duurzame energie in 2013 4,5%. De glastuinbouw loopt dus achter bij de landelijke ontwikkeling. Het gebruik van duurzame energie groeide in de glastuinbouw de laatste jaren echter sterker dan in heel Nederland.

Energiebesparing en totaal energiegebruik

In 2013 is het Energieakkoord voor duurzame groei (SER, 2013) tot stand gekomen. In dit akkoord is voor de glastuinbouw een energiebesparingsbijdrage van 11 PJ in 2020 als gevolg van aanvullend beleid opgenomen. Het probleem bij het vaststellen van de energiebesparing, is dat dit niet gemeten wordt op de bedrijven. Het energiegebruik dat wel gemeten wordt, heeft primair betrekking op de inkoop en verkoop omdat dit wordt afgerekend. Ook kan de besparing niet worden gekwantificeerd vanuit het totaal energiegebruik van de sector omdat er ook intensivering plaatsvindt. Voor de bijdrage aan het Energieakkoord bestaat dus een meetprobleem waardoor schattingen nodig zijn.

Het totaal energiegebruik van de glastuinbouw is in de periode 2001-2013 met 16% gedaald. Deze daling is het resultaat van de vermindering van de energievraag door energiebesparing, de toename van de energievraag door het intensiveringsproces, de ontwikkeling van het areaal en de verschillen in buitentemperatuur tussen de jaren. Door het energiegebruik per m2 gecorrigeerd voor de buitentemperatuur in beschouwing te nemen, resteert de invloed van de energiebesparing en de intensivering. In de periode 2006-2013 is het resultaat nauwelijks gewijzigd (Van der Velden et al., 2014). Dit betekent dat het effect van besparing en intensivering in deze periode in evenwicht was.

5.2.3  Het Nieuwe Telen - introductie in de praktijk

Het Nieuwe Telen is een nieuw concept voor klimaatsturing, met kasluchtontvochtiging als centraal thema. In de huidige praktijk wordt de relatieve vochtigheid in de kas verlaagd door de verwarming aan te zetten. Als de temperatuur teveel oploopt, wordt het energiescherm geopend en verdwijnt de warme vochtige lucht (met een hoge energie-inhoud) via de lucht-ramen naar buiten. In het nieuwe concept worden eerst de luchtramen geopend. De koude droge lucht boven het scherm roomt de luchtvochtigheid onder het scherm af. Als dit niet genoeg effect heeft, wordt het scherm op een kier gezet en wordt warme vochtige lucht in de kas vervangen door koude droge lucht. Daardoor daalt de relatieve vochtigheid onder het scherm. Als de temperatuur in de kas door deze vervanging teveel daalt, wordt bijgestookt tot de gewenste temperatuur. Door deze andere aanpak van kasluchtontvochtiging wordt volgens technisch onderzoek 15-30% energie bespaard.

Het Nieuwe Telen werd geïntroduceerd in 2009. De ambitie was te groeien naar 400 ha in 2015 en 2.000 ha in 2020. In de eerste jaren bleef het areaal achter bij de ambitie omdat het kennisaanbod van ontwerpers, installateurs en teeltadviseurs sterk afweek van de kennisbehoefte van de vroege volgers (Buurma en Smit, 2013). De vroege volgers moesten de fragmentarische en specialistische kennis van de kennisaanbieders integreren in een eigen versie van Het Nieuwe Telen. Zo rees de vraag hoe de vroege volgers beter bij deze integratieslag konden worden geholpen.

De vroege volgers zagen in ‘leergroepen van collega’s’ een goede werkvorm om wegwijs te worden in Het Nieuwe Telen. Kas als Energiebron besloot daarom om Het Nieuwe Telen voortaan via cursusgroepen in de praktijk te introduceren. De belangstelling voor de HNT-cursusgroepen bleek groot (80 deelnemers met 400 ha in 2014), niet alleen door de aansprekende werkvorm en de lage deelnemersbijdrage, maar ook door de sterk gestegen energiekosten op de bedrijven met warmtekrachtkoppeling.

Op basis van deze ervaringen is de conclusie dat de energietransitie in de glastuinbouw afhankelijk is van slimme combinaties van technische innovatie (zoals Het Nieuwe Telen) en sociale innovatie (zoals HNT-cursusgroepen). Na ontwikkeling van technische kennis is het verstandig om de aandacht te verleggen naar kennisintegratie in leergroepen van glastuinders.

5.3  Energie overige landbouwsectoren

5.3.1  Beleid en trend

Het energiebeleid voor de landbouwsectoren buiten de glastuinbouw is vastgelegd in het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren (LNV, 2008). Dit convenant (ook wel AgroConvenant genoemd) is opgesteld door de Nederlandse overheid in samenwerking met de betrokken agrosectoren. In dit convenant zijn voor energiegebruik en -besparing, hernieuwbare energie, windenergie en emissie van broeikasgassen, doelstellingen vastgelegd met de bijbehorende plannen van aanpak.

Voor de melkveehouderij zijn nog aanvullende doelstellingen vastgesteld in de Duurzame Zuivelketen (Reijs et al., 2013) die een verdere uitwerking zijn van de doelstellingen in het Agroconvenant en de Meerjarenafspraken energie-efficiency voor de zuivelindustrie (MJA3). De Duurzame Zuivelketen is een initiatief waarin de zuivelindustrie (Nederlandse Zuivel Organisatie) en de melkveehouders (LTO Nederland) gezamenlijke doelstellingen hebben vastgesteld voor 2020 voor vier thema’s: klimaat en energie, diergezondheid en dierenwelzijn, weidegang, biodiversiteit en milieu.

5.3.2  Energiebesparende maatregelen

De doelstelling voor energie-efficiency voor de periode 1990-2020 is voor alle sectoren het zelfde, namelijk een efficiencyverbetering van 2% of meer per jaar. Daarnaast geldt voor de niet-glastuinbouwsectoren (ATV-sectoren) een aanvullend doel van 60% reductie van het directe energieverbruik tussen 1990 en 2020. Hiervan is nu 15% gerealiseerd (tabel 5.3). Het zal dus nog enige inspanning vergen om de reductie doelstelling van 60% van het energiegebruik in de ATV-sectoren te kunnen halen. Van de ATV-sectoren verbruikte in 2012 de melkveehouderij de meeste fossiele energie (ruim 35%) gevolgd door de openteeltbedrijven (akkerbouw en opengrondstuinbouw gezamenlijk) en de intensieve veehouderij (beide ongeveer 24%) (CBS, 2014).

Tabel 5.3

Direct energiegebruik primaire land- en tuinbouwsector exclusief
glastuinbouw in PJ a

Energiegebruik

1990

2012

2013 (v)

Directe energie

29,2

24,3

24,8

Gebruik Melkveehouderij (%)

36

35

35

Elke sector binnen de ATV-sectoren heeft in meer of mindere mate energiebesparende maatregelen getroffen (tabel 5.4).

Tabel 5.4

Energiebesparende maatregelen en verbetering energie-efficiëntie per sector

Sector

% bedrijven met energiebesparende maatregelen in 2012

% verbetering energie-efficiency 2003-2012

Melkveehouderij

92

4

Intensieve veehouderij

Varkenshouderij

72

37

Pluimvee leghennen

87

0

Pluimvee vleeskuikens

100

40

Akkerbouw en open teelten

30

0

Vleeskalveren

28

Bloembollen

> 80%

2,7 a

Paddenstoelen

1,9 a

Melkveesector

In de melkveehouderij is toepassing van energiebesparende maatregelen de laatste jaren toegenomen (van Moerkerken et al., 2014). Op bedrijven met een melkrobot (21%) past 95% van de bedrijven energiebesparende maatregelen toe; op bedrijven zonder melkrobot (79%) gaat het om 90% van de bedrijven. De meest toegepaste energiebesparende maatregelen zijn de toepassing van een voorkoeler (50%), een frequentieregelaar (56%) en warmteterugwinning (50%) (Moerkerken et al., 2014). Ook het gebruik van zonnepanelen en warmtepompen heeft bijgedragen aan de energiebesparing sinds 2010 (Reijs et al., 2014).

De aanwezigheid van een melkrobot verhoogt het energiegebruik per eenheid melk met bijna 50% (Moerkerken et al., 2014). Dat verklaart ook grotendeels waarom de energie-efficiency maar 4% is gedaald tussen 1990 en 2012 (tabel 5.4). De energie-efficiency van de gehele zuivelsector daalt sterker dan de energie-efficiency van de primaire sector (de melkveehouderij), maar ook dan wordt de energie-efficiency doelstelling van 2% niet gehaald in de periode 2012-2013 (Reijs et al., 2014).

Een verdere mechanisatie van de melkveehouderij zal contraproductief zijn voor de energiebesparing. Bovendien zal door de te verwachten toename van het aantal melkkoeien na afschaffing van het melkquotum, het absolute energieverbruik in de melkveesector waarschijnlijk toenemen. De effecten op de energie-efficiency zullen minder sterk zijn omdat deze wordt uitgedrukt per eenheid melk en een autonome verhoging van de melkproductie per koe te verwachten is.

Intensieve veehouderij

In de varkenshouderij en de vleeskuikensector is de energie-efficiency het sterkst verbeterd (tabel 5.4). Bij deze sectoren is de toename van de energie-efficiency te danken aan de ontwikkelingen in gasverbruik. Door toename van isolatie in stallen is het gasverbruik sterk gereduceerd bij een gelijkblijvend verbruik van elektra. Daarnaast is het energieverbruik bij de teelt van krachtvoer sterk gedaald door lager kunstmestgebruik. Ook is er in de varkenssector een toename van de productie (biggen per zeug); dit leidt tot een lager voerverbruik per kg geproduceerd vlees en daarmee een lager energieverbruik per eenheid vlees.

De energie-efficiency in de leghennensector blijft achter (0% efficiencyverbetering tussen 2003 en 2012), ook al is ook in deze sector het energieverbruik bij de voerproductie is gedaald. In vergelijking met de vleeskuikensector is het aandeel gas binnen het energiegebruik relatief laag (3% tegen over bijna 50% bij de vleeskuikens). Het elektriciteitsverbruik is niet gedaald in de leghensector (Moerkerken et al., 2011), mogelijk is de vergroting van het staloppervlak per dier hier debet aan (hoger verbruik voor verwarming en ventilatie).

Akkerbouw en open teelten

In de akkerbouwsector en bij de open teelten is er geen verbetering opgetreden in de energie-efficiency tussen 2003 en 2012. In deze sectoren worden op relatief weinig bedrijven energiebesparende maatregelen toegepast.

5.3.3  Duurzame energie: verbruik en productie

In het Agroconvenant zijn doelstellingen geformuleerd voor 2020 per sector voor de productie van hernieuwbare energie. Voor de ATV-sectoren gaat het om de levering van biomassa uitgedrukt in levering biogas uit vergisting (48 PJ); de productie van windenergie (12 PJ); verbranding pluimveemest (pluimveesector) (2 PJ); eigen opwekking en gebruik van elektriciteit (zonne-energie en dergelijke) (1 PJ) (Moerkerken et al., 2014).

In 2012 werd door de primaire ATV-sector 5 PJ aan biogas geproduceerd. Dit is 10% van de doelstelling voor 2020.

De productie van windenergie op primaire landbouwbedrijven (niet noodzakelijkerwijs in eigendom) bedraagt ruim 11 PJ, waarvan 4 PJ op windmolens in eigendom van 1 enkel landbouwbedrijf. Omdat de eigendomsrechten van de windmolens niet bekend zijn is het lastig na te gaan of de doelstelling van 12 PJ uit windenergie wordt gehaald. Het lijkt met de productie van windenergie wel de goede kant op te gaan.

De verbranding van pluimveemest leverde in 2012 1.3 PJ energie op (65% van de doelstelling voor 2020). In de Duurzame Zuivelketen was voor de melkveehouderij een doelstelling geformuleerd voor een gebruik van duurzame energie van minimaal 20% in 2020 conform het Agroconvenant. Deze doelstelling is in 2014 (Reijs et al., 2014) bijgesteld naar een gebruik van 16% duurzame energie in 2020.

5.4  Broeikasgassen in de akker-, tuinbouw en veehouderijsectoren

5.4.1  Trend en beleid

In het kader van het Kyotoprotocol geldt voor Nederland een gemiddelde emissiereductiedoelstelling voor broeikassen van 6% voor de periode 1990-2010. In 2007 heeft de Europese Commissie een reductiedoelstelling geformuleerd van minimaal 20%, maar bij voorkeur 30% in 2020 ten opzichte van 1990 (EC, 2007; EC, 2008). In het Nederlandse regeerakkoord van 2010 is deze doelstelling ook als ambitie opgenomen.

Om invulling te geven aan het Kyotoprotocol zijn in het Agroconvenant reductiedoelstellingen vastgelegd gespecificeerd naar sector en type broeikasgas, en bijbehorende plannen van aanpak geformuleerd (Moerkerken et al., 2014).

De emissiereducties in het convenant zijn een uitwerking van de emissiereductiedoelstelling uit het Kyotoprotocol en komen overeen met de reductiedoelstelling van de Europese Commissie voor 2020.

Voor de ATV-sectoren is voor de emissie van methaan en lachgas een reductie­doelstelling van 25 tot 30% (4-6 Mton) geformuleerd voor 2020 ten opzichte van 1990. Deze reductie is in 2013 al bereikt (tabel 5.5), zij het dat deze in zijn geheel wordt gerealiseerd door de afname van de emissie van lachgas. De stijging van de methaan­emissie in 2013 wordt veroorzaakt door een toename van de melkveestapel. De afname van de lachgasemissie komt grotendeels door een daling van de indirecte emissie, die weer verband houdt met de afname van de stikstofkunstmestgift (zie ook paragraaf 5.5). Waarschijnlijk zal de methaanemissie in de komende jaren als het melkquotumsysteem is afgeschaft, toenemen.

Voor kooldioxide geldt een reductiedoelstelling van 3,5 Mton voor de glastuinbouw en de ATV-sectoren samen. Tot nu toe is de emissie van kooldioxide sinds 1990 alleen maar toegenomen door een toename van het energiegebruik.

Emissies van de verschillende broeikasgassen kunnen niet direct worden opgeteld en worden met behulp van factoren omgerekend naar CO2-equivalenten. De omrekenfactoren worden periodiek bijgesteld door IPCC (1997, 2007 en 2013). De reductiedoelstellingen zoals die zijn vastgelegd in het Agroconvenant zijn echter gedefinieerd ten opzichte van 1990. Om de behaalde reductie te kunnen vergelijken met 1990 zijn in tabel 5.5 de emissies weergegeven op basis van de IPCC-1997 omrekenfactoren.

Tabel 5.5

Broeikasgasemissies van de landbouw, in mln. ton CO2-equivalenten, 1990-2013

1990

1995

2000

2005

2010

2011

2012

2013

Kooldioxide

7,4

8,0

7,4

7,3

9,4

8,4

8,2

8,2

Methaan

10,7

10,7

9,7

9,2

10,6

10,2

10,1

10,4

Lachgas

11,9

11,6

9,4

7,9

7,2

7,0

6,7

5,6

Totaal

30,0

30,4

26,5

24,4

27,2

25,6

25,0

24,2

5.4.2  Melkveehouderij en broeikasgassen

De melkveehouderij heeft een groot aandeel in de emissie van broeikasgassen door de primaire Nederlandse landbouw. Van de totale emissie (uitgedrukt in CO2-equivalenten), is 30-40 % afkomstig uit de melkveehouderijsector (schatting op basis van Reijs et al., 2013 (tabel 2.2) en tabel 5.5 van deze paragraaf). De bijdrage van de melkveehouderij (inclusief jongvee) aan de methaanemissie is vrij stabiel (variërend van 70-76% tussen 1990-2013) (schatting op basis van EmissieRegistratie (2015)).

De emissiedoelstellingen voor klimaat (broeikasgassen) zoals afgesproken in de Duurzame Zuivelketen, waren in eerste instantie scherper dan de doelstellingen in het Agroconvenant. Werd in het Agroconvenant nog gesproken van een reductie van 20-30% voor de hele melkveesector inclusief verwerkende industrie, in de Duurzame Zuivelketen werd in het begin uitgegaan van 30% reductie in 2020 ten opzichte van 1990 (IPCC-1997) inclusief klimaatneutrale groei (Reijs et al., 2014). Deze doelstelling is vanaf 2014 veranderd in 20% reductie van broeikasgassen in 2020 door de zuivelketen ten opzichte van 1990 en klimaatneutrale groei ten opzichte van 2011. Met klimaatneutrale groei wordt bedoeld dat de emissie van broeikasgassen uitgedrukt in CO2-equivalenten niet toeneemt ten opzichte van het gekozen referentiejaar.

De emissie van broeikasgassen lag in de periode 2008-2012 tussen de 1,24 en 1,26 (kg CO2-eq/l melk). De broeikasgasemissies vanuit de primaire melkveehouderij zijn tussen 2008 en 2012 licht gestegen van 10,2 naar 10,6 mln. kg CO2-equivalenten (exclusief de emissies bij de productie van grondstoffen). Beide emissiekengetallen zijn berekend op basis van IPCC-2007 en dus niet direct vergelijkbaar met de emissie in 1990 (IPCC-1997).

De emissie van de melkveebedrijven vind voor 73% op het eigen bedrijf plaats. De overige emissies zijn afkomstig van transport en productie van aangekochte grondstoffen. Volgens Reijs et al. (2014) is de emissie per liter melk tussen 2012 en 2013 gestegen van 14,87 naar 15,5 Mton CO2-equivalenten (melkveehouderij en productie grondstoffen). Dit betekent een emissiereductie van 19% ten opzichte van 1990 (geschatte emissie).

5.5  Mest en mineralen

5.5.1  Mest- en mineralenproductie

Vanaf 1990 tot 2005 daalde de stikstofproductie van de Nederlandse veestapel met 30% tot 417 mln. kg (Compendium, 2014b). Daarna schommelt de stikstofproductie rond de 420 mln. kg. Het effect van de toename van het aantal dieren sinds 2005 wordt vanaf 2008 gecompenseerd door het lagere stikstofgehalte in het rantsoen (Van der Ham et al., 2011). Die compensatie blijft tot en met 2013 doorgaan (Van Bruggen, 2014). Het berekende N-overschot per hectare (verschil tussen aan- en afvoer) was in 2013 bijna 40% lager dan in 1970. Ten opzichte van het topjaar 1986 bedroeg de daling van het N-overschot ruim 60%.

De fosfaatproductie van dierlijke mest daalde van 1990 tot 2005 met 25% tot 170 mln. kg. Na 2005 stijgt door een toename van het aantal dieren de fosfaatproductie tot 179 mln. kg in 2010. Dit is 6 mln. kg boven het productieplafond dat Nederland met de EU heeft afgesproken (De Koeijer et al., 2011). Als gevolg daarvan sluiten de overheid, LTO en Nevedi een convenant om via het ‘voerspoor’ de fosfaatproductie met 20 mln. kg te verlagen (LTO-Nederland en Nevedi, 2011). Door de maatregelen als gevolg van die afspraken is de fosfaatproductie inmiddels weer gedaald naar 166 mln. kg in 2013 (Compendium, 2014b). Het fosfaatoverschot per hectare was de laatste jaren ruim 80% lager dan in 1970. Ten opzichte van het topjaar 1986 is die daling zelfs 90%.

De lagere aanvoer van stikstof op Nederlandse landbouwgrond komt vooral door de fors verminderde kunstmestgiften. In 1990 was de aanvoer van stikstofkunstmest 200 kg per ha, in 2013 was dit met 90 kg gedaald naar 110 kg per ha (tabel 5.6). In diezelfde periode is de aanvoer van stikstof met dierlijke mest met 30 kg per ha afgenomen, die daling komt door de toegenomen export van dierlijke mest (De Koeijer et al., 2014a). In tegenstelling tot stikstof wordt de afname van de fosfaataanvoer sinds 1990 op Nederlandse cultuurgrond vooral veroorzaakt door een daling van de fosfaataanvoer met dierlijke mest. Deze is sinds 1990 met 46 kg per ha afgenomen, die van kunstmestfosfaat met ruim 30 kg per ha. De lagere fosfaataanvoer met dierlijke mest is toe te schrijven aan lagere fosfaatgehalten in dierlijke mest en een toegenomen export. In 2013 bedroeg de export van mest 26 mln. kg fosfaat tegen 3 mln. kg in 1990 (CBS, 2014). Volgens De Boerderij is de export in 2014 met 15% gestegen (De Boerderij, 2015).

Tabel 5.6

Stikstof- en fosfaatbalans van de Nederlandse cultuurgrond, 1970-2013

1970

1980

1986

1990 b

2000

2010 b

2011 b

2012

2013(v)

Stikstof (kg/ha)

Aanvoer a, totaal

332

447

508

429

400

318

312

305

311

w.o. dierlijke mest

133

190

241

210

213

186

182

175

181

kunstmest

185

240

249

200

166

113

110

110

109

overig

14

17

17

19

20

19

19

20

21

Afvoer

167

210

243

259

217

206

204

196

209

Verschil aan/afvoer

165

237

265

170

183

113

108

109

101

Idem, index 1970=100

100

144

161

103

111

68

65

66

61

Fosfaat (kg/ha)

Aanvoer a, totaal

135

160

176

160

126

97

84

77

79

w.o. dierlijke mest

80

115

128

114

89

77

72

66

68

kunstmest

50

39

41

38

31

16

8

6

6

overig

5

7

7

8

6

4

5

5

5

Afvoer

50

66

73

74

70

66

67

67

67

Verschil aan/afvoer

85

94

103

86

57

31

18

10

12

Idem, index 1970=100

100

111

121

101

67

36

21

12

14

5.5.2  Verplichte mestverwerking

Met ingang van 1 januari 2014 is het stelsel van verplichte mestverwerking in werking getreden. Op basis van dit stelsel zijn ondernemers, die op hun bedrijf meer fosfaat produceren dan zij binnen de gebruiksnormen kunnen aanwenden, verplicht een deel van het fosfaatoverschot te (laten) verwerken. Het verplichte deel van de mestverwerking wordt jaarlijks vastgesteld. Voor 2015 zijn de percentages definitief vastgesteld op 50% voor de regio Zuid, 30% voor de regio Oost en 10% voor de regio overig (EZ, 2014b). Met deze percentages komt de omvang van verplichte mestverwerking uit op 27-30 mln. kg fosfaat (De Koeijer et al., 2014b). Hoe groot de hoeveelheid verplichte mestverwerking exact wordt, is afhankelijk van de vraag of het voerspoor deels of volledig wordt gerealiseerd. In 2012 heeft de melkveehouderij de helft van het doel van het voerspoor gerealiseerd en de varkenshouderij is dan al op twee derde (De Koeijer et al., 2014b).

In de wet is export, verbranding van pluimveemest door BMC-Moerdijk en het verwerken van mest tot mestkorrels met een drogestofgehalte van 90% gedefinieerd als mestverwerking. In 2013 was de gerealiseerde omvang daarvan 31 mln. kg fosfaat (De Koeijer et al., 2014b). Door het afsluiten van vervangende verwerkingsovereenkomsten (VVO’s) kunnen individuele ondernemers hun verwerkingsplicht overdragen aan andere agrarische bedrijven. In de wet is vastgelegd dat de verwerkingsplicht van varkens- en rundveemest op het niveau van landbouwbedrijven niet overgedragen mag worden aan pluimveehouders; in de praktijk betekent dit dat alleen varkens- en rundveehouders met VVO’s hun verwerkingsplicht aan elkaar kunnen overdragen.

Omdat in varkensmest tweemaal zo veel fosfaat per ton mest zit als in rundveemest, is het economisch veel aantrekkelijker om varkensmest te verwerken dan rundveemest. De verwachting is dat rundveehouders hun verwerkingsplicht daarom massaal zullen gaan overdragen aan varkenshouders (De Koeijer et al., 2014b). Wanneer de prijzen van een VVO daarbij gaan oplopen naar 3,50 euro per kg fosfaat vindt er een geldstroom plaats van 10,5 mln. euro van de rundvee- naar de varkenshouderijsector (De Koeijer et al., 2014b). Uitgezonderd van de mestverwerkingsplicht zijn bedrijven die meer dan 75% van de mestproductie op het eigen bedrijf afzetten en het restant binnen een straal van 20 km bij andere landbouwbedrijven. Deze transporten dienen geregistreerd te worden middels regionale mestovereenkomsten (RMO’s). De omvang van deze transporten wordt geschat op maximaal 1 mln. kg fosfaat (De Koeijer et al., 2014b).

Om aan de verwerkingsplicht te voldoen dienen agrariërs met een verwerkingsplicht en voor de aan hen overgedragen VVO’s mestverwerkingsovereenkomsten (MVO’s) af te sluiten met verwerkers. Wanneer de mest niet rechtstreeks aan de verwerker wordt geleverd maar via een intermediair, dan dient daarvoor een drie-partijen-overeenkomst (DPO) te worden afgesloten. Verwerkers hebben volgens de wet aan de verwerkingsplicht voldaan wanneer ze in kg fosfaat net zo veel fosfaat hebben verwerkt als waarvoor ze MVO’s of DPO’s zijn aangegaan. Van welke diersoort de mest afkomstig is, is daarbij niet van toepassing. Wanneer verwerkers meer pluimveemest verwerken dan waarvoor ze MVO’s en/of DPO’s hebben afgesloten, dan kunnen ze dat in mindering brengen op de MVO’s en DPO’s die ze voor varkensmest hebben afgesloten. In hoeverre dat omruilen zal gaan plaatsvinden is onbekend. BMC-Moerdijk, dat jaarlijks 9-10 mln. kg fosfaat uit pluimveemest verwerkt, heeft aangegeven geen gebruik te maken van die constructie.

De voor het jaar 2015 vastgestelde verplichte mestverwerkingspercentages zijn, afhankelijk van in hoeverre het voerspoor wordt gerealiseerd, 20-35% te laag om een acceptabel evenwicht op de mestmarkt te creëren (De Koeijer et al., 2014b). Daarbij is ervan uitgegaan dat op verwerkingsniveau verwerkte pluimveemest zonder MVO’s en/of DPO’s volledig kan worden omgewisseld voor varkensmest met MVO’s en DPO’s. Het ministerie van EZ geeft de partijen nog een aantal jaren de mogelijkheid om vraag en aanbod naar mestverwerkingscapaciteit op elkaar af te stemmen. In 2016 en 2017 zullen die percentages in overleg met de sector geleidelijk worden verhoogd om in 2017 evenwicht op de mestmarkt te realiseren (EZ, 2014c). Voor het jaar 2014 wordt de gerealiseerde mestverwerking geschat op 35 mln. kg fosfaat (De Koeijer et al., 2014a en De Boerderij, 2015), dat is ongeveer 5 mln. kg fosfaat hoger dan de verplichte hoeveelheid van 2015.

5.5.3  Invloed Vijfde Nitraat Actieprogramma op grond- en oppervlaktewater

Maatregelen van het Vijfde Nitraat Actieprogramma (5e NAP) ten opzichte van het 4e NAP die van invloed zijn op de bemesting en daarmee op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zijn (EZ, 2014c):

Het minimale aandeel grasland in het bouwplan wordt voor derogatiebedrijven verhoogd van 70 naar 80%.

De gebruiksnorm dierlijke mest uit graasdiermest per hectare voor derogatiebedrijven op zand- en lössgrond in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg wordt verlaagd naar 230 kg stikstof. Voor de overige derogatiebedrijven geldt een gebruiksnorm van 250 kg stikstof per ha.

Stikstofgebruiksnorm op uitspoeling gevoelige gewassen en snijmaïs op zandgrond in het zuidelijke zand en lössgebied wordt met 20% verlaagd. Stikstofgebruiksnormen voor granen met hoge opbrengsten worden op kleigrond verhoogd net als de stikstofgebruiksnorm voor grasland op kleigrond.

Voor gronden met de fosfaattoestanden neutraal en hoog worden de fosfaatgebruiksnormen met 5-10 kg per ha verlaagd.

Bedrijven met derogatie mogen geen kunstmestfosfaat gebruiken.

Als gevolg van het maatregelenpakket uit het 5e NAP zal het nitraatgehalte in het grondwater in het noordelijk- en centraal zandgebied op zandgronden met 2-3 mg per liter dalen naar respectievelijk 48 en 38 mg (Groenendijk et al., 2015). Het maatregelenpakket van het 5e NAP is vooral gericht op het zuidelijk zand- en lössgebied; naar verwachting daalt het nitraatgehalte in grondwater op zand- en lössgronden hier dan ook het meest met 10 mg per liter. Echter met een verwacht gehalte van 68 mg per liter in 2027 blijft het nitraatgehalte in het grondwater op zand- en lössgrond in het zuidelijk zand- en lössgebied nog ruim boven de limiet van 50 mg per liter (Groenendijk et al., 2015). De maatregelen van het 5e NAP hebben vrijwel geen invloed op de nitraat- en fosfaatvrachten naar het oppervlaktewater en dus ook niet op de kwaliteit van dit oppervlaktewater. Alleen in Noord-Brabant en Oost-Groningen is een daling van de stikstofvracht te verwachten van enkele kilo’s per ha (Groenendijk et al., 2015).

5.6  Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid


Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is opgezet om de effecten van het mestbeleid op de bedrijfsvoering en de waterkwaliteit op landbouwbedrijven in beeld te brengen. De resultaten van het meetnet ondersteunen enerzijds de evaluatie van de mestwetgeving, anderzijds geven zij invulling aan nationale en internationale monitoringsverplichtingen in het kader van de Nitraatrichtlijn en de Derogatiebeschikking.

Het LMM kent twee pijlers: het Bedrijveninformatienet (BIN) van het LEI en het LMM waterkwaliteitsmeetnet van het RIVM. Met behulp van het Informatienet brengt het LEI de landbouwpraktijk in beeld. In totaal worden van 450 bedrijven de gegevens vastgelegd, verdeeld over vier verschillende LMM-grondsoortregio’s (Zandregio, Kleiregio, Veenregio en Lössregio). In het meetnet zijn voornamelijk akkerbouw- en melkveehouderijbedrijven opgenomen, en daarnaast bedrijven met een specialisatie in hokdieren en overige (vaak gemengde) bedrijven. In totaal 80% van het landbouwareaal is vertegenwoordigd door de keuze van de bedrijfstypen. Het monitoren van de Derogatiebeschikking gebeurt enkel op bedrijven met grasland (voornamelijk melkveehouderijbedrijven) die in aanmerking komen voor derogatie (Derogatiemeetnet).

LMM richt zich onder andere op het vinden van mogelijke relaties tussen de landbouwpraktijk, bijvoorbeeld de invloed van bemestingshoeveelheden en beweiding op de waterkwaliteit. Bemesting en overschotten op de bodembalans zijn belangrijke indicatoren van de landbouwpraktijk. Nitraatconcentratie in het sloot- en uitspoelingswater is de belangrijkste indicator voor de waterkwaliteit (oppervlakte-, grond- en drainwater). De nitraatconcentraties van het sloot- en uitspoelingswater daalden in alle regio’s in de periode 2006-2013 (zie figuur 5.2) ondanks gelijkblijvende stikstofoverschotten op de bodembalans. Mogelijk speelt de beweiding een rol en zou sprake kunnen zijn van een na-ijleffect van het vrijkomen van stikstof in de bodem. Voor alle genoemde indicatoren geldt dat er verschillen zijn in het niveau per grondsoortregio. Voor meer informatie zie RIVM-website: www.rivm.nl/lmm en LEI-website: www.lmm.wur.nl.

5.7  Ammoniak

De Nederlandse ammoniakemissie daalt nog steeds (figuur 5.3). Door nieuwe inzichten en toegevoegde bronnen wordt de ammoniakemissie vanaf het berekeningsjaar 2012 nauwkeuriger berekend (Jimmink et al., 2015). Dit heeft tot gevolg dat over de gehele reeks van 1990-2013 de ammoniakemissie 15 kiloton hoger wordt berekend. Hierdoor is de emissie in 2013 6 kiloton hoger dan het maximum van 128 kiloton dat de Europese Unie hieraan sinds 2010 stelt. Het is op dit moment nog onduidelijk wat voor gevolgen dit heeft voor de agrarische sector.

Voor de gewijzigde (berekende) emissies zijn verschillende redenen. Door nieuwe emissiemetingen en inzichten zijn de emissiefactoren uit stallen voor vleesvarkens met bijna 20% verhoogd (Groenestein et al., 2014). De emissiefactoren voor rundveestallen zijn om dezelfde redenen bij de emissieramingen van 2012 al verhoogd (Ogink et al., 2014). Daarnaast bevatte de mest meer ammoniakale stikstof op het moment van uitrijden dan werd gedacht. Omdat alleen een deel van de ammoniakale stikstof vervluchtigt, heeft dat een grotere ammoniakemissie bij aanwenden tot gevolg.

Tenslotte is op basis van recente metingen de emissiefactor voor het aanwenden van mest op bouwland met zodebemester, sleepvoeten, sleufkouter en sleepslangen verhoogd en zijn op basis van expertkennis de aanwendingstechnieken anders verdeeld, dit alles met als gevolg een hogere ammoniakemissie (van Bruggen et al., 2015).

Voorschriften en richtlijnen voor de berekening van de ammoniakemissie voor de EU-lidstaten zijn beschreven in het EMEP Guidebook. Volgens het EMEP Guidebook 2013 dienen ook de ammoniakemissies van gewasafrijping, gewasresten en het aanwenden van overige organische meststoffen als compost en zuiveringsslib te worden meegenomen (EEA, 2013). De ammoniakemissie uit deze bronnen is jaarlijks 8 (1990) tot 5 (2013) kiloton (Jimmink et al., 2015). De ammoniakemissie uit de niet-landbouwsectoren is sinds 1995 ruim 20 kiloton. Dat is 5-6 kiloton hoger dan eerder werd gedacht omdat de bijdrage van het wegverkeer werd onderschat.

5.8  Dierenwelzijn en diergezondheid

5.8.1  Frictie regelgeving en initiatieven dierenwelzijn

Onder meer als gevolg van de Q-koorts wordt de laatste jaren veel gediscussieerd over de vraag of de schaalvergroting in de veehouderij slecht is voor de volksgezondheid en over de vraag of de schaalvergroting nadelig is voor het welzijn van de dieren. Volgens onder andere onderzoeker Gies is een megastal niet nadelig voor het dierenwelzijn. Integendeel, nieuwe stallen zijn diervriendelijker, duurzamer en efficiënter dan bestaande stallen. Door de groei van het aantal megastallen wordt de Nederlandse veehouderij dan ook duurzamer, op landelijke schaal. Gies tekent hierbij aan dat het voor de directe omgeving heel anders kan zijn, vooral door stankoverlast (Sikkema, 2015).

Die stankoverlast is een goede reden om kritisch te zijn over de gevolgen van een grote stal voor de directe omgeving. Voor grotere veehouderijbedrijven is bij wijziging van de vergunning een milieueffectrapportage (MER) verplicht, waarin onder andere de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld (I&M, 2012). Echter, de Raad van State (RvS) heeft in januari 2015 duidelijk gesteld dat gemeenten en provincies het ruimtebeleid niet mogen gebruiken om landbouwbedrijven allerlei andere regels op te leggen, bijvoorbeeld op het gebied van dierenwelzijn of energiegebruik, omdat deze niets met ruimtelijke ordening te maken hebben.

Een voorbeeld van een te brede toetsing is de bepaling dat bij uitbreiding moet worden voldaan aan de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) (SMK, 2015). Veestallen die het MDV-certificaat behalen, kunnen deelnemen aan de fiscale regelingen MIA en Vamil. Voor melkveestallen is er tevens een koppeling met de Regeling Groenprojecten. De uitspraak van de RvS heeft ook consequenties voor bijvoorbeeld het instrument Brabantse Zorgvuldige Veehouderij (BZV) van de Provincie Noord-Brabant, waarin een veehouder met extra maatregelen voor dierenwelzijn ontwikkelruimte kan verdienen (Bokma et al., 2013). Staatssecretaris Dijksma wil het voor gemeenten en provincies alsnog mogelijk maken om aspecten van duurzaamheid die niet ‘ruimtelijk relevant’ zijn toch onder te brengen in de bestemmingsplannen of de provinciale Verordening Ruimte. De staatssecretaris hoopt deze ‘Brabantwet’ voor het zomerreces 2015 te kunnen voorleggen aan de Tweede en Eerste Kamer.

De veehouderij maakt zich grote zorgen over de economische haalbaarheid van extra maatregelen op het gebied van onder andere gezondheid en welzijn. Staatssecretaris Dijksma heeft onlangs aangekondigd dat een vernieuwde commissie-Van Doorn aan de slag moet met nieuwe verdienmodellen (De Snoo, 2015). Intussen worden diverse initiatieven ontplooid. Recent hebben supermarkten, producenten en verwerkers afspraken gemaakt over de verkoop van een diervriendelijker geproduceerde kip (‘Kip van Morgen’) en het uit de schappen halen van gangbare kip. Echter, de Autoriteit Consument & Markt (ACM) vindt dat dit laatste strijdig is met de Mededingingswet (zie ook paragraaf 3.8.3). De markt voor duurzaam geproduceerd vlees is volop in beweging en daarom is volgens de ACM een gezamenlijke afspraak om de gangbare kip uit de schappen te halen niet nodig (ACM, 2015).

5.8.2  Mondiale risico’s van dierziekten

De Nederlandse veehouderij moet voortdurend waakzaam zijn om insleep van dierziekten te voorkomen. Afrikaanse Varkenspest (AVP) is bijvoorbeeld een ernstige ziekte die tot grote schade voor de sector kan leiden. De grootste risico’s van insleep van AVP zijn onvoldoende gereinigde veetransportwagens en de import van vleeswaren uit de risicogebieden in Oost-Europa.

Andere besmettelijke dierziekten die het afgelopen jaar tot grote waakzaamheid leidden zijn PED (virusdiarree) en Aviaire Influenza (AI-vogelgriep). Sinds april 2013 zorgen uitbraken van PED voor grote schade in de varkenshouderij in de Verenigde Staten. In Nederland en een aantal andere Europese landen komt sinds november 2014 een milde variant van PED voor. PED is een zeer besmettelijk virus en wordt gemakkelijk verspreid via alles en iedereen waaraan ook maar een heel klein beetje mest kan zitten (GD, 2015). Uit analyse van de PED-epidemie in de VS is gebleken dat verzamelplaatsen en slachthuizen een risico vormen en dat voer opgeslagen in de open lucht besmet kan raken door vogels. Het is dus niet voldoende om te zorgen voor schone veetransportwagens en bezoekers. De Gezondheidsdienst voor Dieren adviseert strikte hygiënemaatregelen, onder meer grondige ongedierte- en vliegenbestrijding en het goed afdekken van voer dat is opgeslagen in open sleufsilo’s, zodat vogels en ongedierte er niet bij kunnen.

Ook vogelgriep (AI) is een ernstige dierziekte, die net als Afrikaanse varkenspest tot grote schade kan leiden. Introductie van het virus in Nederland is mogelijk door trekvogels of de (illegale) import van siervogels. Verdere verspreiding kan onder meer door contact met besmet materiaal, ongedierte of door het overwaaien van stof uit een besmette stal.

Eén van de belangrijkste maatregelen om insleep van dierziekten te voorkomen is het verder verhogen van de bioveiligheid (biosecurity) van veehouderijbedrijven. De Universiteit van Gent heeft het zogenaamde Biocheck.UGent scoresysteem ontwikkeld om het bioveiligheidsniveau op veehouderijbedrijven te kunnen kwantificeren (Universiteit Gent, 2015). Daarbij wordt zowel gekeken naar externe bioveiligheid (zoals aan- en afvoer van levende dieren, voer en water, mestafvoer, bezoekers) als naar interne bioveiligheid (onder andere diergezondheidsmanagement, reiniging en desinfectie). Bij het bepalen van de score wordt rekening gehouden met het relatieve belang van de verschillende aspecten van bioveiligheid. Een veehouder die online de vragenlijst invult, krijgt direct daarna de scores in beeld en kan die vergelijken met landelijke gemiddelden. De eerste resultaten bij vleeskuikenbedrijven laten een grote verscheidenheid zien in het bioveiligheidsniveau. Ook Gelaude et al. (2014) concluderen dat er nog veel ruimte is voor verbetering.

Rojo-Gimeno et al. (2014) hebben onderzoek gedaan op gesloten varkensbedrijven naar de kosten en baten van investeringen in interne en externe bioveiligheid. De technische resultaten werden beter, bijvoorbeeld een 10% lagere voerconversie en 0,7% minder sterfte. Het verhogen van de score voor externe bioveiligheid met 4% kostte een varkensbedrijf naar schatting bijna 1.500 euro per jaar. De kosten van een ruim 9% hogere score voor interne bioveiligheid bedroegen ruim 6.800 euro per jaar, grotendeels voor diergezondheidsmanagement. Voor 13 representatieve gesloten varkensbedrijven die de geadviseerde bioveiligheidsmaatregelen hebben genomen werden saldoberekeningen uitgevoerd. Deze 13 bedrijven bleken een significant hoger saldo te halen (12%). Dit duidt erop dat interventies in bioveiligheid en management economisch interessant zijn, wat veehouders kan motiveren om dergelijke maatregelen te nemen.

5.8.3  Antibioticaresistentie en ESBL’s

Resistentie van bacteriën voor antibiotica neemt overal op de wereld toe, in veel landen zelfs ongelooflijk snel. Waarschijnlijk is de insleep van dergelijke resistente bacteriën vanuit het buitenland één van de grootste risico’s voor de volksgezondheid in Nederland. Er zijn nog altijd landen waar antibiotica zonder recept verkrijgbaar zijn. Het aanpakken daarvan verdient de hoogste prioriteit. Er moet zorgvuldiger met antibiotica worden omgegaan, bij mens en dier; het gebruik dient te worden beperkt tot situaties waarin het écht noodzakelijk is. De problemen door bijvoorbeeld de resistente Extended-spectrum beta-lactamases producerende bacteriën (ESBL’s) bij de mens zijn meestal het gevolg van humaan antibioticagebruik, hier of in het buitenland. De ESBL’s kunnen echter ook opgepikt worden vanuit het milieu, door contact met huisdieren of vanuit de veehouderij. Bijna alle Nederlandse vleeskuikenbedrijven zijn besmet met ESBL’s, de helft van de vleeskalverbedrijven en 40% van de varkensbedrijven. Ook zijn er indicaties dat veel veehouders besmet zijn (Dierikx et al., 2013).

Het totale antibioticagebruik in de Nederlandse veehouderij blijft dalen, tussen 2012 en 2013 was de afname 30% in de varkenshouderij, 29% in de vleeskuikenhouderij en 22% in de kalverhouderij. Bovendien is het gebruik van antibiotica die van kritisch belang zijn voor de volksgezondheid opnieuw fors afgenomen: derde en vierde generatie cefalosporinen -76%, fluorochinolonen -50%, aminoglycosiden -40% en colistine -35% (Autoriteit Diergeneesmiddelen, 2014).

Het is helaas niet zo dat maatregelen in de veehouderij direct zullen leiden tot minder resistentie bij de mens. De bijdrage van de veehouderij aan de resistentieproblematiek is namelijk beperkt, volgens hoogleraar moleculaire epidemiologie Marc Bonten van het UMC in Utrecht. Als resistentie voortdurend zou overgaan van vee op mensen zouden de percentages resistentie onder Nederlanders veel hoger moeten zijn. Bonten (Foodlog, 2015):

“De afgelopen jaren is het gebruik van antibiotica in de veeteelt met zestig tot zeventig procent gereduceerd. Dit had geen invloed op resistentie onder mensen. Die bleef stabiel. De veeteelt is dus een minder grote bedreiging dan doorgaans wordt gedacht.”

Ook Coutinho (2013) stelde dat de belangrijkste reden voor antibioticaresistentie in de humane geneeskunde ligt, en dat de beste manier om antibioticaresistentie te verminderen een laag antibioticagebruik in de humane geneeskunde is. Hij voegde er echter onmiddellijk aan toe dat volgens hem de veehouderij eigenlijk ‘een onnodige bron’ is van antibioticaresistentie, en dat het daarom zo belangrijk is om óók daar maatregelen te nemen.

Om de ESBL’s in de veehouderij terug te dringen moeten duidelijk zijn welke maatregelen effectief zijn; vervolgens zullen bepaalde werkwijzen veranderd moeten worden. Ypma en Van Gaasbeek (2001) stellen dat voor een succesvolle verandering aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan: a) toenemende druk om te veranderen (sense of urgency), b) heldere en gemeenschappelijke doelstellingen, c) een duidelijk verband tussen doelstellingen en interventies, d) de capaciteit om te veranderen en e) een gefaseerde implementatie van de interventies. In het geval van ESBL’s is het gevoel van urgentie zeker aanwezig, zoals blijkt uit de aandacht ervoor in de media en de politiek. Er zijn echter nog geen duidelijke doelstellingen en er is nog weinig bekend over daarop aansluitende effectieve interventies. De aard van die interventies zal bepalend zijn voor de mate waarin veehouders en anderen beschikken over de capaciteit om die succesvol te implementeren.

Om interventies succesvol te kunnen uitvoeren, moet aandacht worden besteed aan de mechanismen die invloed hebben op de gedragsverandering van de veehouders. Zaken als kosteneffectiviteit op bedrijfsniveau, praktische haalbaarheid en de gedragskenmerken van de veehouder bepalen of de beoogde interventies succesvol ingevoerd zullen worden. De gedragsverandering kan onder meer worden ondersteund door het stimuleren van bewustwording door middel van informatie ‘op maat’, en door het bevorderen van kennis en vaardigheden middels onderwijs en training.

Dierikx et al. (2013) hebben aangegeven welke maatregelen effectief kunnen zijn om ESBL’s te beheersen. De nadruk zou moeten liggen op beperking van het gebruik van antibiotica, met name cefalosporinegebruik, en ook op de strikte uitvoering van externe en interne bioveiligheidsmaatregelen. Slachterijen en vleesverwerkers zouden zich vooral moeten concentreren op het voorkomen van (her)besmetting van karkassen met ESBL’s door onder andere vervuilde slachtapparatuur.

Literatuur

ACM (2015). Afspraken Kip van Morgen beperken concurrentie. website https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/13760/Afspraken-Kip-van-Morgen-beperken-concurrentie/ Gepubliceerd op 26 januari 2015.

Arbocatalogus (2015). Arbocatalogus agrarische en groene sectoren. Via website www.agroarbo.nl/

Autoriteit Diergeneesmiddelen (2014). Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren

trends, benchmarken bedrijven en dierenartsen. Publicatienr SDa/1145/2014, SDA, Utrecht.

Bokma, S., M.A. van der Gaag, H. Docters van Leeuwen, D. Brunt, M.H. Bokma-Bakker, en H.H. Ellen (2013). Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. Rapport 737. Wageningen UR Livestock Research, Wageningen.

Bruggen, C. van, Bannink, A., Groenestein, C.M., Haan, B.J. de, Huijsmans, J.F.M. , Luesink, H.H., Sluis, S.M. van der., Velthof, G.L. and J. Vonk (2015). Emissie naar lucht uit de landbouw in 2013. Berekeningen van ammoniak, stikstofoxide, lachgas, methaan en fijn stof met het model NEMA. Concept-WOT-technical report, Wageningen UR, Wageningen.

Bruggen, van, C. (2014). Dierlijke mest en mineralen 2013. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Buurma, J.S., P.C. Leendertse en A. Visser (2013). Waterkwaliteit binnen de normen; Haalbaarheid en betaalbaarheid van ambities in 2e Nota Duurzame Gewasbescherming., LEI-rapport 2013-044/CLM-rapport 826-2013, Den Haag.

Buurma, J.S. en P.X. Smit (2013). Groei in Het Nieuwe Telen; Kennisbehoefte van vroege volgers. Rapport 2013-054, LEI Wageningen UR, Den Haag.

CBS (2014) http://statline.cbs.nl/Statweb/

CLM (2013). Het Activiteitenbesluit: hoe hoort het ook al weer? Toolbox emissiebeperking. Website www.clm.nl

Compendium (2014a). Afzet gewasbeschermingsmiddelen in de land en tuinbouw. Via website www.compendiumvoordeleefomgeving.nl

Compendium (2014b). Ammoniakemissie door de land en tuinbouw. Via website www.compendiumvoordeleefomgeving.nl

Coutinho (2013). Resistentie vooral humaan probleem. In: Boerderij.nl, 9 april 2013.

Dierikx, C., J. van der Goot, T. Fabri, A. van Essen-Zandbergen, H. Smith and D. Mevius (2013). ‘Extended-spectrum-β-lactamase- and AmpC-β-lactamase-producing Escherichia coli in Dutch broilers and broiler farmers.’ In: Journal of Antimicrobial Chemotherapy 2013. Volume 68 (1):p.273-278.

De Boerderij (2015). Export fosfaat in mest 15% gestegen in 2014. Via website www.boerderij.nl. Gepubliceerd op 15 januari 2015.

EEA (2013). EMEP/EEA air pollutant emissions inventory guidebook – 2013, Technical guidance to prepare national emissions inventories. EEA Technical report 12/2013, European Environment Agency (EEA), Luxumbourg.

EC (2007) Limiting global climate change to 2 degrees Celsius - The way ahead for 2020 and beyond, COM (2007) 0002 final. European Commission, Brussel, 10 January 2007.

EC (2008) Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions - 20 20 by 2020. European Commission, Brussel, 23 January 2008.

EmissieRegistratie (2015) www.emissieregistratie.nl

EZ (Ministerie van EZ) (2013). Gezonde Groei, Duurzame Oogst; Tweede nota duurzame gewasbescherming periode 2013 tot 2023. Den Haag.

EZ (2014a). Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014-2020. Via website www.rijksoverheid.nl

EZ (2014b). Brief (DGA-PAV/14195635) van staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer. Brief DGA-PAV/14195635. Ministerie Economische Zaken, Den Haag 12 december 2014

EZ (2014c). Mestbeleid 2014-2017: tabellen. Via website www.overheid.nl

Foodlog (2015). Resistente bacteriën zijn wereldreizigers. Via website http://www.foodlog.nl/.

GD (2015). Vragen en antwoorden met betrekking tot PED. Via website http://www.gddiergezondheid.nl/. Gepubliceerd op 19 Januari, 2015.

Gelaude, Ph., M. Schlepers, M. Verlinden, M. Laanen en J. Dewulf (2014). Biocheck.UGent: a quantitative tool to measure biosecurity at broiler farms and the relationship with technical performances and antimicrobial use. In POULTRY SCIENCE. 93(11). p.2740-2751

Groenendijk, P, L. Renaud, C. van der Salm, H. Luesink, P.W. Blokland en T. de Koeijer (2015). Nitraat in grondwater en N- en P- uitspoeling bij de mestnormen van het 5de Actieprogramma. Concept Alterra rapport, Alterra Wageningen UR, Wageningen.

Groenestein, C.M., A.J.A. Aarnink en N.W.M. Ogink (2014). Actualisering ammoniakemissiefactoren vleesvarkens en biggen. Wageningen UR, Livestock Research, Rapport 786.

Ham, A. van den, G. Doornewaard en C.H.G. Daatselaar (2011). Werking van de Meststoffenwet; evaluatie Meststoffenwet 2012: deelrapport ex post. Rapport 2011-073. LEI, onderdeel van Wageningen UR, Den Haag.

Hooijboer, A.E.J., T.J. de Koeier, A. van den Ham, L.J.M. Boumans, H. Prins, C.H.G. Daatselaar en E. Buis (2014). Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2012. RIVM rapport 680717037, RIVM, Bilthoven.

I&M (Ministerie van I&M) (2012) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte; Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Den Haag

Jaarplan(2015). Programma Kas als energiebron. Via website http://www.jaarplankasalsenergiebron.nl/

Jimmink, B.A., P.W.H.G. Coenen, R. Dröge, G.P. Geilenkirchen, A.J. Leekstra, C.W.M. van der Maas, R.A.B. te Molder, C.J. Peek, J. Vonk and D. Wever (2015). Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2013; Informative Inventory Report 2015. RIVM report 2014-0166, RIVM, Bilthoven.

Koeijer, T.J. de, P.W. Blokland, J. Helming en H.H. Luesink (2014a). Ex ante evaluatie wetsvoorstel verantwoorde groei melkveehouderij. Rapport 2014-019, LEI Wageningen UR, Den Haag

Koeijer, T.J. de, H.H. Luesink en G.H.G. Daatselaar (2014b). Synthese monitoring mestmarkt 2006-2012. Technical report 18, WOT-Natuur & Milieu, Wageningen.

Koeijer, T.J., de, M.W. Hoogeveen en H.H. Luesink (2011). Synthese monitoring mestmarkt 2006-2010. WOT-rapport 116, WOT Natuur & Milieu, Wageningen.

LNV (Ministerie van LNV) (2008). Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren. Via website http://www.rvo.nl/

LTO- Nederland en Nevedi (2011). Nevedi en LTO starten vrijwillige aanpak voerspoor. Persbericht 21 april 2011, Den Haag/Rotterdam

Moerkerken, A., T. Gerlagh, G. de Jong en D. Verhoog (2014). Energie en klimaat in de Agrosectoren. Publicatienummer 2AGRO1406, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Utrecht.

Moerkerken, A., T. Gerlagh, G. de Jong, D. Verhoog en D. Both. (2011). Energie en klimaat monitor 2011. Publicatienummer 2AGRO1109, Agentschap, Utrecht.

Nefyto (2015). www.nefyto.nl

NVWA (2015). Gebruik gewasbeschermingsmiddelen akkerbouwers en siertelers moet beter. Via website www.vwa.nl/onderwerpen/kennis-en-advies-plantgezondheid/dossier/gewasbescherming/nieuwsoverzicht/nieuwsbericht/2060001/gebruik-gewasbeschermingsmiddelen-akkerbouwers-en-siertelers-moet-beter.

NVWA (2013). Fytosanitaire signaleringen 2013. NWA, Utrecht

Ogink, N.W.M., C.M. Groenestein en J. Mosquera (2014). Actualisering ammoniak-

emissiefactoren rundvee: advies voor aanpassing in de Regeling ammoniak en

veehouderij. Livestoch Research, rapport 744, Wageningen UR, Lelystad.


Poot, E.H. (2015) Van Green Challenges tot Green Deal: Plantgezondheid Event 2015, persbericht d.d. 18 maart 2015 op www.wageningenur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/Projecten-EZ/Nieuws/Show/Van-Green-Challenges-tot-Green-Deal-Plantgezondheid-Event-2015.htm?utm_source=Measuremail&utm_medium=email&utm_campaign=Kennisonline

Reijs, J.W., G.J. Doornewaard, J.H. de Jager en A.C.G. Beldman (2014). Sectorrapportage Duurzame Zuivelketen: Prestaties 2013 in perspectief. LEI-rapport 2014-033, LEI-WUR, Den Haag.

Reijs, J.W., G.J. Doornewaard en A.C.G. Beldman (2013). Sectorrapportage Duurzame Zuivelketen 2013: Prestaties 2012 in perspectief. LEI-rapport 2013-056, LEI-WUR, Den Haag.

Rojo Gimeno C, Postma M, Dewulf J, Hogeveen H, Wauters E (2014). Farm economic analysis of improving biosecurity status and management in farrowing-to-finishing pig farms. Abstract from Economics of Animal Health and Welfare, October 2-3, 2014. Hämeenlinna, Finland.

Scheele, H., H. van Gurp, F. van Alebeek, E. den Belder, R. van den Broek, J. buurma, J. Elderson, P. van Rijn, M. Vlaswinkel, J. Willemse (2006). Eindrapportage FAB 2005-2007; Functionele Agro Biodiversiteit. LTO Projecten, Tilburg.

SER (2013). Energieakkoord voor duurzame groei Via website https://www.ser.nl/nl/publicaties/ Maart-April 2015

Sikkema, A. (2015). Aantal megastallen niet verdrievoudigd. Via website https://resource.wageningenur.nl/

SMK (2015) www.maatlatduurzameveehouderij.nl

Snoo, E. de (2015). Dijksma wil nieuw verdienmodel voor de varkenshouderij. Via website www.boerderij.nl. Gepubliceerd op 17 maart 2015.

Tamm L., A.B. Smit, M. Hospers, S.R.M. Janssens, J.S. Buurma, J.P. Mølgaard, P.E. Lærke, H.H. Hansen, A. Hermans, L. Bødker, C. Bertrand, J. Lambion, M.R. Finckh, Chr. Schüler, E. Lammerts van Bueren, T. Ruissen, B.J. Nielsen, S. Solberg, B. Speiser, M.S. Wolfe, S. Phillips, S.J. Wilcoxon, C. Leifert (2004). Assessment of the socio-economic impact of Late Blight and state-of-the-art management in European Organic Potato Production Systems. FiBL, Switzerland.

Universiteit van Gent (2015). Biocheck. Via website www.Biocheck.UGent.be

Velden, N.J.A. van der, P.X. Smit en R.W. van der Meer (2014). Energiebelasting en de glastuinbouw. LEI-nota 14-002. LEI Wageningen UR, Den Haag

Ypma, M.E. en A.F. van Gaasbeek (2001). Waar in het bronsgroen eikenhout...; (On)mogelijkheden van vermarkting van de omgeving. LEI rapport 7.01.05. LEI Wageningen-UR, Den Haag.