Landelijk gebied

4.1  Stadslandbouw

4.1.1  Wat is stadslandbouw?

Stadslandbouw is een breed begrip, komt wereldwijd voor en heeft verschillende verschijningsvormen. Daardoor laat stadslandbouw zich niet gemakkelijk definiëren. Vaak wordt gebruik gemaakt van de VN-definitie: ‘stadslandbouw is een bedrijfstak die voedsel en brandstof produceert, verwerkt en verkoopt, voornamelijk als antwoord op de dagelijkse vraag van consumenten in een stad of stedelijke agglomeratie, op land en water verspreid door het stedelijke en stadsnabije gebied, waarbij intensieve productiemethoden worden toegepast, met gebruikmaking van natuurlijke hulpbronnen en stedelijk afval, om zo een diversiteit aan gewassen en veehouderijen te kunnen realiseren’ (UNDP, 1996). Volgens deze definitie zou de glastuinbouw in het Westland tot stadslandbouw kunnen worden gerekend, ook al produceert die voor zowel consumenten in de buurt als in het buitenland. Het beeld dat de meeste Nederlanders van stadslandbouw hebben wijkt af van de VN-definitie. Stadslandbouw wordt weliswaar geassocieerd met de productie van voedsel en de daaraan gerelateerde producten en diensten in en om de stad voor de lokale markt, maar de stadslandbouwprojecten in Nederland zijn weinig bedrijfseconomisch van aard doordat ze veelal een hobbymatig en sociaal-maatschappelijk karakter hebben. Er wordt wel gebruik gemaakt van stedelijke hulpbronnen zoals arbeid en grond, maar nauwelijks van stedelijke reststromen zoals afval (Van der Schans, 2011).

Stadslandbouw is niet nieuw. Zo wordt in Istanbul al meer dan 1.500 jaar stadslandbouw bedreven. Het is vooral een fenomeen dat in crisissituaties ontstaat als er onvoldoende voedsel in steden beschikbaar is of als voedsel niet meer betaalbaar is. In de Tweede Wereldoorlog werd dan ook in veel Europese steden voedsel verbouwd. Momenteel ondergaat stadslandbouw een opleving in westerse landen en wordt het steeds belangrijker in de voedselvoorziening in de groeiende steden in ontwikkelingslanden.

Stadslandbouw in ontwikkelingslanden: bijdrage aan voedselvoorziening

In ontwikkelingslanden hangt stadslandbouw samen met logistieke problemen en stedelijke armoede (Wegerif, 2015). Stedelingen slagen er vanwege logistieke problemen met verse producten niet altijd in om op regelmatige basis de beschikking te hebben over voldoende voedsel. Vooral de zogenaamde megacities zijn kwetsbaar voor dergelijke voedselonzekerheden. Daarnaast ontbreekt het veel stedelingen aan koopkracht om voedsel te kopen. Stadslandbouw is dan een manier om een bestaan te verwerven in tijden van armoede en werkloosheid. Veel van het geproduceerde voedsel in de stadslandbouw wordt door de betrokkenen zelf geconsumeerd; soms wordt een deel verkocht en/of weggegeven. Verder zijn er ook commerciële stadslandbouwers (Foeken, 2006).

Miljoenen Afrikaanse stadsbewoners doen aan stadslandbouw (Foeken, 2006). Hun activiteiten zijn overal zichtbaar: in publieke open ruimtes langs wegen, middenin rotondes, in parken, langs spoorlijnen, rivieren, onder hoogspanningskabels en op braakliggend land. Dit wordt steeds meer gedoogd door de overheden. Daarnaast hebben sommige stadsbewoners privétuintjes. Corbould (2013) schat dat zo’n 40% van de stedelijke bevolking in Afrikaanse steden betrokken is bij stadslandbouw. In Aziatische steden ligt dat nog hoger. Het aandeel van de stadslandbouw in de geconsumeerde verse groente, melk en eieren in die steden kan naar schatting oplopen tot 90% (Corbould, 2013; Foeken, 2006). Daarbij moet wel worden bedacht dat het dieet van stedelingen in ontwikkelingslanden uit minder verse groente, vlees en eieren bestaat dan dat van westerse stedelingen. Desalniettemin produceert de stadslandbouw aanzienlijke hoeveelheden. Zo constateert Foeken (2006) dat in een stad als Mbeya (Tanzania) zo’n 90.000 koeien worden gehouden, die samen goed zijn voor 1,3 mln. hectoliter melk. Behalve groente, vlees en eieren, gaat het volgens Drescher et al. (2000) in de stadslandbouw ook om de productie van fruit, granen en mais, vis, honing, en soms hout.

Stadslandbouw in westerse steden: sociaal-maatschappelijke waarden voorop

De drijfveren achter de stadslandbouw in westerse steden verschillen van die in de ontwikkelingslanden. In de westerse steden komt stadslandbouw vooral voort uit een groeiende onvrede bij een deel van de consumenten met het bestaande voedselsysteem (EZ et al., 2013). Zij voelen zich vervreemd van het voedsel dat zij kopen: ze weten niet altijd waar het vandaan komt, hoe en onder welke omstandigheden het wordt geproduceerd en verwerkt, en wat de milieudruk is. Deze consumenten willen meer grip op de eigen voedselvoorziening krijgen en daarbij ook bijdragen aan de vermindering van milieu- en klimaatproblemen (Van der Schans, 2011). Omdat er door de financiële en vastgoedcrises veel stukken grond in en bij steden braak zijn komen te liggen en/of panden leegstaan, kunnen deze consumenten hun wensen realiseren door via stadslandbouw een (tijdelijke) invulling aan dergelijke locaties te geven. Op die manier wordt tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit van een gebied verbeterd.

Verder profiteren veel stadslandbouwprojecten van het feit dat veel mensen hun baan hebben verloren tijdens de crisis, waardoor er een reservoir aan vrijwilligers bestaat die kunnen meehelpen. De stadsboeren zijn dan ook over het algemeen niet afkomstig uit de reguliere landbouw, maar uit beroepen buiten de landbouw. Een klein aantal van hen is professioneel stadsboer geworden, maar veruit de meeste stadslandbouwinitiatieven zijn kleinschalig van aard. Hun verdienmodel is niet of slechts ten dele gebaseerd op de verkoop van landbouwproducten, en meer op belevingswaarde en andere sociaal-maatschappelijke waarden en diensten zoals gemeenschapszin. Zo kan het naast de productie van voedsel, zoals groente, fruit, vlees en eieren ook om horeca op dezelfde locatie gaan, die producten serveert. En andersom zijn er restaurants die besluiten om zelf een deel van de producten te verbouwen, bijvoorbeeld het nieuwe Hotel Amstelkwartier in Amsterdam waar een groentekas op het dak wordt gerealiseerd. Daarnaast zijn er stadslandbouwbedrijven die kinderopvang, dagbesteding of educatie aanbieden. Ook kunnen stadslandbouwprojecten zorgen voor verbetering van de omgevingskwaliteit - vooral als het op braakliggende terreinen plaatsvindt - en voor een toename van biodiversiteit in de stad. Soms wordt er bijgedragen aan kringloopsluiting door gebruik te maken van lokale afval- en reststromen.

4.1.2  Nederlands beleid voor stadslandbouw

De stadslandbouw in Nederland is net als die in andere westerse landen moeilijk financieel rendabel te maken. Dit komt onder andere doordat de arbeidskosten relatief hoog zijn vanwege de kleine schaal, waardoor verregaande mechanisatie vaak niet loont, en de hoge grondprijzen. Die laatste zijn hoog omdat de grond geen agrarische bestemming heeft. Voor grondeigenaren - beleggers of financiers - die hun grond (tijdelijk) ter beschikking willen stellen voor stadslandbouw is het lastig om via het verpachten van grond of gebouwen een marktconforme vergoeding te krijgen (Veen et al., 2013): de verdiencapaciteit van veel stadslandbouwprojecten is daarvoor ontoereikend. Lang niet iedere grondeigenaar vraagt echter een marktconforme vergoeding. Omdat de stadslandbouw ook maatschappelijke baten oplevert, zijn gemeenten en woningbouwverenigingen nog wel eens geneigd een symbolisch bedrag voor de grond te vragen en/of subsidies te verlenen.

Consumenten stadslandbouw komen uit nabij omgeving

De stadsboeren zelf, hun gezinnen en vrijwilligers zijn in eerste instantie de consumenten van producten van stadslandbouw. Daarnaast worden de al dan niet bewerkte producten in eigen winkels, de eigen horeca, lokale boerenmarkten, markthallen, speciaalwinkels en restaurants verkocht. Doorgaans komen de producten niet in de reguliere supermarkt terecht. Ook voor de diensten van de stadslandbouw geldt dat ze voornamelijk worden afgenomen door stedelingen uit de omgeving, zoals bijvoorbeeld zorg aan cliënten.

In de MKBA Stadslandbouw (Abma et al., 2013) zijn de maatschappelijke kosten en baten van een aantal stadslandbouwinitiatieven in Nederland op een rij gezet. Deze initiatieven blijken veel positieve maatschappelijke baten op te leveren in de zin van woongenot, recreatieve belevingswaarde, gezondheid, vermeden uitkeringskosten en vermeden kosten voor groenonderhoud. Ook kan stadslandbouw milieuwinst opleveren omdat er door de korte ketens waarin de producten worden verhandeld op voedselkilometers kan worden bespaard. Aan de andere kant kunnen er echter voor stadslandbouw juist wel veel verplaatsingen nodig zijn voor de veelheid aan kleine locaties die allemaal met aan- en afvoer te maken hebben. Een belangrijke maar nog niet benutte potentie voor duurzaamheid ligt bij het reguleren, efficiënter en duurzamer maken van het stedelijk metabolisme: het lokaal omzetten van reststromen, zoals nutriënten, warmte en water in waardevolle inputs voor de landbouwproductie.

Veel aandacht van beleid voor stadslandbouw

Door de sociaal-maatschappelijke baten die stadslandbouw oplevert krijgt het in Nederland beleidsmatig veel aandacht. Zo is in 2012 de Green Deal Stadsgerichte landbouw gesloten, waarin een aantal grote gemeenten hun kennis wil delen over het mogelijk maken van stadslandbouw in leegstaande gebouwen en op braakliggende terreinen (EZ, 2012). Verder staat in de Rijksnatuurvisie aangegeven dat het kabinet stadslandbouwinitiatieven wil stimuleren (EZ, 2014a). Dit jaar wordt voor de vierde keer de Dag van de Stadslandbouw georganiseerd. Ook is het Stedennetwerk Stadslandbouw - een landelijk netwerk van gemeentelijke pioniers in de stadslandbouw - opgericht (Stedennetwerk Stadslandbouw, 2015). Dit netwerk biedt de deelnemers de ruimte om gezamenlijk blokkades aan te pakken, elkaar te inspireren, richting te geven aan het beleid en kansen te grijpen. Verder heeft het netwerk de Agenda Stadslandbouw opgesteld, die door 26 gemeenten is ondertekend. Diverse gemeenten hebben stadslandbouwbeleid ontwikkeld, stimuleren en/of faciliteren initiatieven op dit gebied. Dit doen ze onder andere door middel van kaarten waarop beschikbare gronden staan, door grond of gebouwen ter beschikking te stellen, grond een multifunctionele bestemming te geven, subsidies te verstrekken en platforms te ontwikkelen.

4.1.3   Verschijningsvormen stadslandbouw: van vensterbank tot hightech meerlaagse teelt

Er zijn in Nederland en daarbuiten legio stadslandbouwinitiatieven die verschillende verschijningsvormen hebben (Abma et al., 2013; EZ et al., 2013; Veen, 2012). Het gaat onder andere om kleinschalige vormen zoals de moestuintjes op de vensterbank, plantenbakken op het balkon, volkstuinen, (buurt)moestuinen en stadskassen van enkele vierkante meters tot enkele hectares en inpandige productie in leegstaande gebouwen zoals paddenstoelenkweek in het oude Tropicana-zwembad in Rotterdam. Daarnaast zijn er ook grootschalige vormen in de meer gangbare landbouw in de buurt van de stad die zich specifiek op de stedelijke afzetmarkt richten. Te denken valt daarbij aan geitenboerderijen met allerlei activiteiten zoals verkoop van producten, horeca, zorg, educatie en verhuur van ruimten. Ook kan stadslandbouw een hightech karakter hebben. Daarbij wordt onder gereguleerde omstandigheden in gebouwen geproduceerd, meestal in lagen boven elkaar. In Nederland zijn hier nog weinig commerciële voorbeelden van. Het benodigde licht is vaak een probleem. Doordat het licht van buiten met meerdere lagen gedeeld moet worden, is er altijd kunstlicht nodig wat met hoge energiekosten gepaard gaat. Door gebruik te maken van LED-technologie kunnen de kosten worden gedrukt en wordt verwacht dat deze gelaagde teelt in te toekomst zal groeien. Belangrijke voordelen van de meerlaagse teeltmode liggen op het vlak van de duurzaamheidswinst door het gesloten systeem, het feit dat er in meerdere lagen verbouwd kan worden en meerdere malen per jaar geoogst kan worden, soms tot wel 20-25 keer per jaar. Voorbeelden hiervan zijn de Greensense Farms uit Chicago, die sla en kruiden verbouwen, en het bedrijf Sky Greens in Singapore, dat een verticaal productiesysteem met 11 draaiende lagen heeft voor bakken met bladgroente. Bijzondere vormen van hightech stadslandbouw zijn aquaponics en aeroponics, waarbij door teelt op water geen grond nodig is.

Ruimte voor groei ontstaat vooral door grondloze teelt

De absolute omvang van de stadslandbouwproductie is niet bekend. In de westerse wereld gaat het hooguit om enkele procenten van de totale landbouwproductie. Stadslandbouw kan de stedelijke bevolking dan ook niet voeden. Dat komt omdat er in en rond steden gewoonweg niet genoeg geschikte grond beschikbaar is. Zo is er volgens Corbould (2013) 65.000-90.000 ha nodig om de winkels van New York van vers fruit en groente te voorzien. Onderzoek in Arnhem wijst uit dat stadslandbouw in deze stad niet zelfvoorzienend zou kunnen zijn (Van der Schans en Klein Gebbink, 2014). In de niet-westerse wereld is het aandeel van de stadslandbouw in de voedselvoorzienig groter dan in het westen: naar schatting beloopt dat aandeel 15-20% (Corbould, 2013). In sommige steden is stadslandbouw zelfs één van de belangrijkste bronnen van voedselvoorziening. Deelstra en Girardet (2014) geven bijvoorbeeld aan dat Singapore zelfvoorzienend is op gebied van vlees en voor 25% in zijn groentebehoefte kan voorzien. De verdere ontwikkeling en toepassing van hightech landbouw, waaronder verticale landbouw, zal zonder dat ze veel grond nodig heeft de productie van stadslandbouw kunnen verhogen, veelal onder duurzamere omstandigheden dan gangbare landbouw.

Stadslandbouw past binnen de bredere trend van ketenverkorting. Die vindt op steeds meer plekken in de gehele keten plaats: onder andere in de gangbare landbouw, in de verwerkende industrie, bij de retail en in de horeca. Iets wordt specifiek een korte keten genoemd als een product direct van producent naar consument gaat of via maximaal één tussenschakel verloopt. Stadslandbouw is een korte keten die ook in fysieke zin kort is, omdat de consument uit de directe omgeving komt. De absolute bijdrage aan ketenverkorting is door de beperkte omvang van stadslandbouw gering, maar de stadslandbouw draagt wel bij aan de agendering van ketenverkorting.

4.2  Ruimtelijke verschuivingen in het grondgebruik

Drie kwart van de daling van het landbouwareaal omgezet in bebouwd gebied

In 2010 werd 56% van de Nederlandse oppervlakte (inclusief water) gebruikt door de landbouw, 17% door water, 15% door bebouwing en infrastructuur en 12% door natuur (figuur 4.1). Tussen 1996 en 2010 is het landbouwareaal ruim 100.000 hectare kleiner geworden, wat overeenkomt met een daling van zo’n 4% van het totale landbouwareaal. Meer dan drie kwart van die landbouwgrond is omgezet in bebouwd gebied. Het bebouwde gebied, waar ook infrastructuur en diverse typen semi-bebouwde oppervlakken zoals recreatiegebieden onder vallen, is in dezelfde periode met 14% toegenomen. Het wateroppervlak is ook iets groter geworden (1%), wat samenhangt met het beleid om waterbergingsgebieden te creëren. Het oppervlak bos en natuur ten slotte is tussen 1996 en 2010 met een kleine 2% toegenomen. Dit lijkt weinig gelet op de inspanningen van het natuurbeleid om gronden te verwerven. Dit komt omdat we hier te maken hebben met een verschil tussen het feitelijke gebruik en de bestemming van de grond: veel van de aangeworven natuurgrond is nog steeds in agrarisch gebruik maar heeft natuur als bestemming.

Ruimtelijke verschuivingen in het gebruik van de landbouwgrond, 1988-2013

Evenmin als de verdeling van de grond over de verschillende functies ligt het gebruik door de verschillende productietakken binnen de landbouw vast. Ook zijn de verschillende productietakken binnen de landbouw niet gelijk verspreid over Nederland. De ruimtelijke spreiding van de productietakken kan in de loop van de tijd veranderen als economische motieven of beleid daartoe aanleiding geven. De verschuivingen in de ruimtelijke spreiding van de productietakken die zich hebben voorgedaan tussen 1988 en 2013 in de 66 landbouwgebieden van Nederland, laten we zien aan de hand van een aantal kaartbeelden. In die kaarten geven we aan wat het aandeel van elk landbouwgebied in de totale productiewaarde van de betreffende productietak in 2013 is. De klasse-indeling die we daarbij gebruiken varieert per productietak, omdat de mate van concentratie per productietak verschilt: champignonkwekerijen zijn bijvoorbeeld sterk geconcentreerd, terwijl de melkveehouderij juist tamelijk regelmatig over het hele land verspreid is. Daarnaast geven we met staven het aandeel van het landbouwgebied in de productiewaarde van een bepaalde productietak aan in 1988 en 2013. We doen dat alleen voor landbouwgebieden die een groot aandeel hebben in de productiewaarde en voor gebieden waar het aandeel tussen 1988 en 2013 sterk is veranderd.

Nauwelijks verschuiving in concentratie melkveehouderij, intensieve veehouderij en glastuinbouw

De melkveehouderij is naar aantal bedrijven en naar grondgebruik de grootste productietak binnen de Nederlandse landbouw en is betrekkelijk gelijkmatig over het land verdeeld, met de sterkste concentraties in Friesland, Overijssel en de Achterhoek (figuur 4.2). Dit ruimtelijk patroon is in de laatste 25 jaar maar weinig veranderd: in Friesland is de melkveehouderij nog iets versterkt en in Oost-Nederland iets verminderd ten opzichte van het landelijk gemiddelde. In de intensieve veehouderij is ruimtelijk gezien eveneens weinig veranderd: in de belangrijkste concentratiegebieden Oostelijk Noord-Brabant en Noord- en Midden-Limburg is de concentratie tussen 1988 en 2013 nog iets toegenomen. Daarentegen is de concentratie iets gedaald in de Achterhoek en in Twente, terwijl die in de Gelderse Vallei en op de Veluwe ongeveer gelijk is gebleven. Opvallend is dat het ruimtelijke patroon van de glastuinbouw nauwelijks veranderd is in de afgelopen 25 jaar, ondanks het beleid dat enerzijds gericht was op het tegengaan van zogenaamd verspreid glas en anderzijds op het verminderen van de ruimtelijke druk op het Westland door het stimuleren van een tiental nieuwe ontwikkelingsgebieden.

Bij overige productietakken wel verschuivingen in concentratie tussen l988 en 2013

De overige graasdierhouderij (vleesvee, schapen, geiten en paarden) bevindt zich vooral in de zandgebieden van Oost-Nederland (figuur 4.2). Tussen 1988 en 2013 is de concentratie toegenomen doordat het belang van deze productietak in de klei- en veengebieden van Noord- en West-Nederland is verminderd, terwijl het in delen van Noord-Brabant, in Noord- en Midden-Limburg en in Gelderland is gegroeid. De akkerbouw is sterk vertegenwoordigd in de IJsselmeerpolders, in Zuidwest-Nederland, in de Bouwhoek van Groningen en Friesland en in de Veenkoloniën, maar in al deze traditionele akkerbouwgebieden is het belang van de akkerbouw tussen 1988 en 2013 gedaald (fig. 4.2). Daarentegen is de akkerbouw toegenomen in de zandgebieden van Oost- en Zuid-Nederland: Oostelijk Noord-Brabant, de Achterhoek en Twente.

De belangrijkste ruimtelijke verschuivingen binnen de Nederlandse landbouw zijn te zien in de opengrondstuinbouw. In de teelt van opengrondsgroenten is de dominante positie van West-Friesland sterk verminderd, terwijl de teelt in de IJsselmeerpolders en in Oostelijk Noord-Brabant juist is opgekomen (figuur 4.2). Noord- en Midden-Limburg was al belangrijk voor deze sector en is dat gebleven. Voor de bloembollen zijn de Kop van Noord-Holland, West-Friesland en de Zuid-Hollandse Bollenstreek de belangrijkste productiegebieden gebleven, maar de concentratie in 2013 is minder sterk dan in 1988: in de Noordoostpolder en in de zandgebieden van Oost- en Zuid-Nederland hebben zich in toenemende mate bollentelers gevestigd (figuur 4.2). Daar bovenop komt nog het verschijnsel van de ‘reizende bollenkraam’ (bollenteelt op grond die voor kortere tijd van andere boeren wordt gepacht); dat verschijnsel is op de kaart niet te zien, omdat de waarde van de teelt wordt toegerekend aan de regio waar het bedrijf gevestigd is en niet waar de percelen liggen.

De veranderingen in de fruitteelt zijn minder groot: de concentratie in de Betuwe en in Zeeland is nog wat sterker geworden dan in 1988, in Noord- en Midden-Limburg is de teelt vrij sterk toegenomen, terwijl in andere regio’s (Zuidelijk Zuid-Holland, Zuid-Limburg en Flevoland) de fruitteelt wat achteruitgegaan is (figuur 4.2). Voor de boomkwekerij is vanouds Boskoop een belangrijk centrum, maar het belang van Boskoop is tussen 1988 en 2013 relatief kleiner geworden (figuur 4.2). De zandgebieden van Noord-Brabant en Noord- en Midden-Limburg zijn belangrijk gebleven, daarnaast is Twente sterk opgekomen als productiegebied. In de champignonteelt ten slotte zijn traditioneel Noord- en Midden-Limburg en enkele gebieden in Noord-Brabant dominant. Die zijn tussen 1988 en 2013 belangrijk gebleven, maar daarnaast is deze bedrijfstak vooral in West-Friesland sterk opgekomen. In Noordelijk Zuid-Holland is de champignonteelt daarentegen gedaald.

4.3  Natuur- en landschapsbeleid

4.3.1  Decentralisatie natuurbeleid


In de afgelopen jaren is het natuurbeleid gedecentraliseerd. De provincies zijn verantwoordelijk geworden voor het hele natuurbeleid. Het Rijk stelt de kaders vast en blijft eindverantwoordelijk voor het voldoen aan de internationale verplichtingen, vooral verplichtingen gerelateerd aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen en de Kaderrichtlijn Water (Folkert et al., 2015). De afspraken over de decentralisatie van het natuurbeleid zijn vastgelegd in het Bestuursakkoord Natuur (Rijksoverheid, 2011) en het Natuurpact (Rijksoverheid, 2013). De ambities voor het natuurbeleid van het Rijk en de provincies hebben betrekking op het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland, het halen van de internationale doelen en het versterken van de betrokkenheid van de samenleving bij de natuur.

In 2014-2021 ruim 400 miljard euro gemiddeld per jaar beschikbaar voor natuurbeleid
Het Rijk en de provincies hebben afgesproken dat de twaalf provincies vanaf 2014 financieel verantwoordelijk worden voor het natuurbeleid. De financiële dekking bestaat uit rijksfinanciering volgens de afspraken in het Bestuursakkoord Natuur, een budget van 200 miljoen euro aan beleidsintensivering waartoe het kabinet in het Regeerakkoord heeft besloten, EU-cofinanciering en bijdragen van provincies en derden (Rijksoverheid, 2013). In de periode 2014-2021 wordt nominaal bijna 2,5 miljard euro gefinancierd door het Rijk, ruim 500 miljoen euro door de provincies en 320 miljoen euro door EU-cofinanciering vanuit het POP3 (Bredenoord et al., 2013). In totaal gaat het dus om meer dan 3,3 miljard euro nominaal (tabel 4.1). Daarbij zijn additionele bijdragen van derden en provincies, bovenop de 65 miljoen euro per jaar uit het Bestuursakkoord Natuur, buiten beschouwing gelaten (Rijksoverheid, 2013).

Tabel 4.1

Financiering van natuurbeleid 2014-2021 (mln. euro)

Jaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal

Rijksfinanciering

210

210

410

410

310

310

310

310

2.480 

w.v. bestuursakkoord

105

105

105

105

105

105

105

105

840

intensivering

100

100

300

300

200

200

200

200

1.600 

min. I&M - hydrologie

5

5

5

5

5

5

5

5

40

EU-cofinanciering (POP3)

40

40

40

40

40

40

40

40

320

w.v. aanpak verdroging

5

5

5

5

5

5

5

5

40

ganzenbeheer

5

5

5

5

5

5

5

5

40

agrarisch natuurbeheer

30

30

30

30

30

30

30

30

240

Provincies (Bestuursakkoord)

65

65

65

65

65

65

65

65

520

Totaal

315

315

515

515

415

415

415

415

3.320 

Een zesde van het natuurbudget bestemd voor agrarisch natuurbeheer

Bredenoord et al. (2013) hebben een indicatieve toedeling van de middelen van Rijk, provincies en de Europese Unie gemaakt. Van de jaarlijkse uitgaven van 415 miljoen euro (structureel vanaf 2018) besteden de provincies bijna een derde aan natuurbeheer en een kwart aan de ontwikkelopgave voor natuur. De rest - ruim 40% - is bestemd voor agrarisch natuurbeheer, ganzenbeheer, herstelbeheer, hydrologische maatregelen en andere maatregelen (tabel 4.2). Behalve een jaarlijkse inzet van financiële middelen komt er ook via het zogenoemde grond-voor-grondprincipe geld beschikbaar voor de ontwikkelopgave voor natuur. Dit principe gaat er van uit dat de investeringen voor de ontwikkelopgave worden gedekt door het ruilen en verzilveren van grond. Het gaat dan onder meer om grond van Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) en niet-ingerichte grond van terreinbeheerders (Rijksoverheid, 2013).

Tabel 4.2

Indicatieve toedeling van middelen voor het natuurbeleid (mln. euro per jaar)

Type maatregelen

Uitgaven

Als % totaal

Natuurbeheer

130

31

Agrarisch natuurbeheer en ganzenbeheer

70

17

Herstelbeheer en hydrologische maatregelen

75

18

Andere maatregelen (zoals monitoring)

40

10

Ontwikkelopgave (aankoop en inrichting)

100

24

Totaal

415

100

Rijksnatuurvisie 2014: natuur midden in de samenleving

In de Natuurverkenning 2010-2040 (PBL, 2012) constateerde het PBL dat het accent van het natuurbeleid te veel was komen te liggen op het realiseren van ecologische doelen en de procedurele uitvoering. Daarbij was natuurbeleid het terrein geworden van overheid en natuurbeschermingsorganisaties en werd het door burgers en andere partijen als ingewikkeld en technocratisch beschouwd. Het beleid boette daardoor in aan draagvlak bij de maatschappij. Deels gedwongen door bezuinigingen ontstond tegelijkertijd bij steeds meer partijen de behoefte om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor natuur. Om het beleid meer te laten aansluiten bij de beleving van burgers, bedrijven en NGO’s was het volgens het PBL nodig om een nationale strategische visie te ontwikkelen op basis van de verschillende drijfveren die in de maatschappij leven. Zo verscheen in april 2014 de Rijksnatuurvisie 2014 ‘Natuurlijk Verder’ (EZ, 2014a).

Het uitgangspunt van de visie is dat ‘natuur midden in de samenleving’ staat. Dat betekent enerzijds dat de maatschappij natuur nodig heeft en anderzijds dat natuur het beste kan worden beschermd als het een integraal onderdeel is van de samenleving. Dat laatste kan worden bereikt door natuur te vervlechten met andere sectoren als landbouw, visserij, wonen, industrie, recreatie en energie. De verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid komt grotendeels op het regionale niveau te liggen. Waar de samenleving zelf in staat blijkt om natuurdoelen te realiseren, zal de overheid meer terughoudend zijn en een voorwaardenscheppende en stimulerende rol op zich nemen. Natuur wordt breed opgevat in de Rijksnatuurvisie 2014: alles wat maar enigszins groen is wordt als natuur aangemerkt. Verder blijven veel begrippen nogal vaag. Daardoor wekt de visie sterk de indruk niets anders te zijn dan een bezuinigingsoperatie op natuur. Het Rijk blijft wel een zogenaamde stelselverantwoordelijkheid houden voor bepaalde zaken. Daarbij gaat het vooral om (inter)nationale wet- en regelgeving, het toezicht daarop en, zoals al genoemd, het scheppen van de voorwaarden waardoor andere partijen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen.

Natuurcombinaties leveren baten op voor natuur en derde partij

Vervlechting van economische en maatschappelijke activiteiten met natuur zoals de Rijksnatuurvisie schetst, kan worden gerealiseerd met natuurcombinaties. Dat zijn initiatieven die tegelijkertijd zowel de natuur als andere maatschappelijke functies versterken, zoals wonen, werken, recreëren, voedselproductie, infrastructuur, waterveiligheid, etc. (EZ, 2014b). De opgave om natuurcombinaties te realiseren is wat het Rijk betreft niet voorbehouden aan de overheid, maar is een gezamenlijke taak voor burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden (EZ, 2014a).

Drinkwaterwinning is een voorbeeld van zo’n natuurcombinatie, waarbij water en natuur sterk met elkaar verweven zijn. Drinkwaterbedrijven die gebruik maken van grondwaterwinningen zijn voor de kwaliteit van het water afhankelijk van de grondwaterkwaliteit. Duinwaterbedrijven gebruiken de duinen als een natuurlijk filter om oppervlaktewater te zuiveren. De waterkwaliteit is in beide gevallen gebaat bij een goede natuurkwaliteit. Waterberging, kustverdediging en natuur kan ook als natuurcombinatie worden uitgevoerd met als doel het land te beschermen tegen hoog water en wateroverlast te voorkomen (Fontein et al., 2015). Baten voor de natuur ontstaan doordat de drinkwaterbedrijven de waterwingebieden ecologisch inrichten. Dat levert voor hen de hoogste kwaliteit water op en is meestal ook het goedkoopst. Op die manier kunnen natuurcombinaties met water zorgen voor het in stand houden en beheren van natuur - en daarmee voor de leefgebieden van meerdere planten- en diersoorten - en voor de aanleg van nieuwe natuur. Vaak hebben de ingerichte natuurgebieden ook een positief effect op de kwaliteit van omliggende natuur (Fontein et al., 2015). Naast investeringen in natuur leggen drinkwaterbedrijven ook vaak recreatieve voorzieningen aan. Dat zorgt voor meer en betere recreatiemogelijkheden, waardoor de aantrekkelijkheid en belevingswaarde van een gebied toenemen. De combinatie van natuurbeheer en openstelling van het gebied voor recreatie draagt ook bij aan het imago van het drinkwaterbedrijf.

Voorwaarden voor slagen van natuurcombinaties

Belangrijke randvoorwaarden voor natuurcombinaties met drinkwater zijn dat de initiatiefnemer de investeringen in natuur financieel kan dragen; dat er een directe en duidelijke relatie is tussen de initiatiefnemer, zijn omgeving en natuurlijke hulpbronnen; en dat de investeringen in natuur passen binnen de beheerplannen die voor het natuurgebied zijn opgesteld. Daarnaast is het van belang dat drinkwaterbedrijven goed kunnen samenwerken met andere terreinbeherende organisaties. Ten slotte kan de overheid een doorslaggevende rol spelen door drinkwaterbedrijven niet alleen op financieel-economische criteria maar ook op duurzaamheidscriteria te beoordelen, regelgeving niet te knellend te maken en te zorgen dat natuurcombinaties niet teveel papierwerk vergen (Fontein et al., 2015).

4.3.2  Overeenstemming PAS bereikt

In veel Natura 2000-gebieden is er al jaren een overschot aan stikstof. Dit is schadelijk voor bepaalde soorten natuur en het belemmert bovendien de vergunningverlening voor economische activiteiten die stikstof uitstoten. Om die impasse te doorbreken, is er de afgelopen jaren gewerkt aan de invoering van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze aanpak is opgezet om ruimte voor economische ontwikkeling rond Natura 2000-gebieden te creëren op zo’n manier dat de toestand van de natuur niet verslechtert. De PAS nadert nu zijn inwerkingtreding. Op 19 december 2014 hebben de staatssecretaris van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu met de gedeputeerden landelijk gebied en een vertegenwoordiging van de Unie van Waterschappen overeenstemming bereikt over de uitwerking van de PAS (EZ, 2014c). Tijdens de ter inzagelegging van het ontwerpprogramma Aanpak Stikstof 2015-2021 in de eerste maanden van 2015 hebben meer dan 500 bedrijven, maatschappelijke organisaties, gemeenten en burgers hun zienswijze gegeven (EZ, 2015a). In het bestuurlijk overleg van 2 april 2015 is afgesproken dat de PAS in werking treedt op 1 juli 2015 (EZ, 2015c).

PAS op landelijke schaal economisch voordelig

Voor de PAS zijn maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA) uitgevoerd, zowel op landelijk, provinciaal als lokaal niveau. Een MKBA biedt een overzicht van de effecten van maatregelen en de daarmee verbonden voor- en nadelen voor de Nederlandse maatschappij als geheel. In de analyse worden twee situaties vergeleken: (1) voortzetting van het huidige Natura 2000-beleid en (2) verandering van beleid door invoering van de PAS (Leneman et al., 2012). De voortzetting van het huidige beleid betekent dat beperkingen in groeimogelijkheden van bedrijven blijven bestaan. Het blijkt dat de PAS op landelijke schaal economisch voordelig is: de baten die ontstaan door de nieuwe ontwikkelruimte voor economische activiteiten zijn groter dan de kosten voor hydrologische herstelmaatregelen en emissiebeperkende maatregelen (Leneman et al., 2013). Daarnaast zijn de sociaaleconomische effecten van de PAS, zoals het effect op werkgelegenheid en geurhinder, tot 2030 overwegend neutraal tot positief. Uit een MKBA voor de provincie Overijssel kwam naar voren dat voor deze provincie als geheel de voordelen eveneens groter zijn dan de nadelen, met uitzondering van enkele locaties in de omgeving van Natura 2000-gebieden (Polman et al., 2013).

Kostenbatensaldo PAS in bufferzones kan zowel positief als negatief zijn

Om meer zicht te krijgen op de effecten in de omgeving van Natura 2000-gebieden, hebben Reinhard et al. (2014a en b) een MKBA uitgevoerd van PAS-maatregelen in de gebieden Engbertsdijksvenen en Wierdense Veld, twee Overijsselse hoogveengebieden. Het levende, actieve hoogveen in deze gebieden zal naar verwachting verdwijnen als er niet wordt ingegrepen. Daarom heeft de overheid besloten om in beide gebieden het levende hoogveen in stand te houden en zo mogelijk weer te laten groeien door het waterpeil te verhogen. Een deel van het aangrenzende landbouwgebied wordt daardoor een bufferzone, omdat het te nat wordt voor de huidige vorm van landbouw. Dit leidt tot een vermindering van de agrarische opbrengsten. Kosten in de bufferzone bestaan uit de inrichting en het beheer ervan, emissiebeperkende maatregelen van landbouwbedrijven, opbrengstverliezen van de landbouw en de verplaatsing van enkele landbouwbedrijven naar een nieuwe productielocatie. De baten bestaan vooral uit de ontwikkelruimte in een schil rondom het Natura 2000-gebied, die voor landbouwbedrijven wordt gecreëerd. De uitkomsten van de MKBA zijn niet eenduidig: het kostenbatensaldo voor het gebied Engbertsdijksvenen is negatief en dat voor Wierdense Veld positief. Het valt op voorhand dus niet te zeggen of het kostenbatensaldo van de PAS in een bufferzone van een Natura 2000-gebied positief dan wel negatief zal zijn.

4.3.3  Aantal ha agrarisch natuurbeheer

Het areaal agrarisch natuurbeheer binnen de EHS is tussen 1 januari 2013 en 2014 met ruim een kwart afgenomen: van zo’n 16.000 ha naar 11.400 ha (Groot Project Ecologische Hoofdstructuur, 2015). Deze afname wordt vooral veroorzaakt doordat aflopende contracten niet worden verlengd in afwachting van het nieuwe stelsel voor agrarisch natuurbeheer.

In hoeverre het areaal agrarisch natuurbeheer buiten de EHS is gewijzigd, is op dit moment (medio mei 2015) niet bekend. In het LEB 2014 gaven we aan dat het areaal onder agrarisch natuurbeheer op 1 januari 2013 zo’n 58.800 ha beliep. Daarvan lag zo’n 16.000 ha binnen en een kleine 43.000 ha buiten de EHS.

Collectieven beginnen vorm te krijgen

Staatssecretaris Dijksma wil vanaf 2016 het agrarisch natuurbeheer dat mede wordt gefinancierd door de tweede pijler van het GLB alleen nog via collectieven van boeren organiseren (EZ, 2013). Provincies krijgen daarbij een regisseursrol: zij stellen een Natuurbeleidsplan op waarin zij aangeven welke doelen zij in welke gebieden willen realiseren, en collectieven kunnen vervolgens beheerplannen bij de provincie indienen waarin ze aangeven hoe ze die doelen op hun grondgebied willen bereiken. In 2014 zijn zo’n 40 regionale collectieven van agrariërs gevormd, meestal door het samengaan van een aantal Agrarische Natuurverenigingen (ANVs). Behalve het maken van een beheersplan moeten de collectieven zelf contracten met hun leden gaan afsluiten, zorgen voor controle en handhaving ervan, en de uitbetaling regelen. Collectieven zijn zelf verantwoordelijk voor het opzetten van hun administratieve organisatie. Het inrichten van de collectieven brengt nogal wat kosten met zich mee. Pas in 2017 worden die vergoed bij de eerste uitbetaling van de beheers- en transactiekosten (SCAN, 2014). Samen met de provincies zoeken de collectieven naar mogelijkheden om de kosten te voorfinancieren, bijvoorbeeld via een renteloze lening. Dit proces verloopt moeizaam doordat de standpunten van de provincies uiteenlopen.

De collectieven moeten voor 1 juni hun conceptbeheerplannen bij de provincie indienen. Omdat veel collectieven pas in de loop van het voorjaar 2015 echt op stoom kwamen, dreigt het gevaar dat de wensen van andere partijen, zoals natuur- en landschapsorganisaties, waterschappen en vrijwilligers die zich met het weidevogelbeheer bezig houden, door tijdsdruk te weinig aandacht krijgen. Dat staat haaks op één van de doelen van de aanpak van het agrarisch natuurbeheer met collectieven, nl. de samenwerking met regionale gebiedspartijen. Het blijkt dat bij het opstellen van de conceptbeheerplannen door de collectieven de vraag of het beheergeld ‘breed’ dan wel ‘smal’ besteed gaat worden, een belangrijk discussiepunt is: worden de middelen belegd in het hele beheergebied van het collectief of in een beperkt aantal kerngebieden?

Over de monitoring en evaluatie van het agrarisch natuurbeheer door collectieven bestaan nog veel onduidelijkheden. Zo moeten de beheersplannen van de collectieven ecologisch worden getoetst. Het is niet duidelijk hoe dat moet worden gedaan en door wie. Provincies zijn verantwoordelijk voor de monitoring van het beleid; monitoring van de beheerresultaten is een taak voor de collectieven. De daarvoor noodzakelijke nulmeting is nog niet door alle collectieven uitgevoerd. Vrijwilligers kunnen daarbij een rol spelen.

4.4  Landbouw en waterbeleid

Het Nationaal Waterplan 2009-2015 (V en W, 2009) en het Ontwerp Nationaal Waterplan 2016-2021 (I en M, 2014) zijn opgesteld om een duurzaam waterbeheer te realiseren. Daaronder vallen ook de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water voor een goede waterkwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (V en W, 2009). Voor de uitvoering van deze nationale wateropgaven zoekt het Rijk naar samenwerking met het bedrijfsleven (Ligtvoet et al., 2014). In dat kader heeft LTO het initiatief voor een Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) genomen (LTO Nederland, 2013). Het DAW wil een bijdrage leveren aan enerzijds de wateropgaven in agrarische gebieden, zoals het verminderen van de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en anderzijds de realisatie van een economisch sterke en duurzame landbouw, waardoor de kans op verdere aanscherping van wettelijke regelgeving in de toekomst wordt verminderd (Linderhof et al., 2014).

Het DAW kent drie ambitieuze doelstellingen: (i) 80% van de huidige waterkwaliteits­problemen veroorzaakt door uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermings­middelen uit de landbouw moet in 2021 zijn opgelost en 100% in 2027; (ii) in 2021 is de agrarische watervoorziening overal veilig gesteld door spaarzaam om te gaan met water op bedrijfsniveau, door optimale waterconservering op gebiedsniveau en door een betere verdeling en buffering van zoetwater op rijksniveau; en (iii) het agrarisch productie­potentieel op regionaal niveau wordt met gemiddeld 2% per jaar vergroot door gebiedsprocessen, nieuwe ruimtelijke instrumenten en innovatieve technieken (DAW, 2013). Voor de uitvoering van het DAW is een intensieve samenwerking tussen het agrarische bedrijfsleven en de waterschappen nodig om de knelpunten op het gebied van veront­reiniging van het water door meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen, verzilting, wateroverlast en droogte op te lossen. Binnen de landbouwsector richt DAW zich vooral op agrariërs in de open teelten (aardappels, graan, ruwvoerders, vollegrondsgroenten, bloembollen, bomen en fruit) en de grondgebonden veehouderij.

De uitvoering van het DAW vindt op verschillende schaalniveaus plaats. Het DAW-kernteam opereert op landelijk niveau en zoekt naar innovatieve oplossingen voor de wateropgaven, zorgt voor kennisverspreiding en zoekt naar stimulerende en motiverende instrumenten voor het uitrollen van watermaatregelen. Op gebiedsniveau is de uitvoering van het DAW gekoppeld aan de gebiedsprocessen rond de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de gebiedsdossiers voor waterwinningen. Op bedrijfsniveau organiseren LTO en waterschappen bijeenkomsten om kennis over wateropgaven uit te dragen en boeren bewust te maken van maatregelen die kunnen worden genomen.

Boeren nemen op vrijwillige basis deel aan bovenwettelijke maatregelen DAW

Bij DAW gaat het om het uitvoeren van bovenwettelijke maatregelen, waarbij agrarische ondernemers op vrijwillige basis deelnemen. Zij zullen dit alleen doen als zij een bedrijfseconomisch voordeel verwachten te halen uit de maatregel of als zij een tegenprestatie ontvangen in de vorm van een financiële compensatie, subsidie, besparing op kosten of ontwikkelruimte voor het bedrijf. De tegenprestatie kan ook bestaan uit niet-financiële compenserende maatregelen door water- en bodembeheerders, zoals regionale waterberging en zoetwateraanvoer. Om de wederzijdse verwachtingen goed in beeld te krijgen is een goede samenwerking en communicatie tussen alle deelnemende partijen aan de DAW van groot belang (Linderhof et al., 2014). De DAW-initiatieven zorgen er voor dat er draagvlak ontstaat onder boeren en waterbeheerders voor het oplossen van waterkwaliteitsproblemen. Op termijn betekent dit dat de waterschapslasten minder sterk zullen stijgen doordat dure maatregelen in het waterbeheer of ingrijpende beleidsaanpassingen achterwege kunnen blijven.

Drie pilots om haalbaarheid gebiedsproces rond DAW te testen

Om na te gaan of een gebiedsgerichte benadering van agrarisch waterbeheer in de praktijk uitvoerbaar is, zijn in 2012 drie pilots gestart. Het gaat daarbij om een pilot in het zandgebied De Sloot bij Meijel, een pilot in de kleipolders en droogmakerijen ten zuiden van Emmeloord en een pilot in de veenweiden bij Bodegraven en Woerden. Behalve op grondsoort zijn de pilots ook geselecteerd op basis van de wateropgave van het gebied, de bereidheid van boeren om mee te werken en de grootte van het gebied (ca. 500 ha). Deze drie pilots worden representatief geacht voor grote delen van Nederland (DLG, 2014). Uit de evaluatie van de pilots blijkt dat elk project zijn eigen dynamiek kent. Een integrale aanpak van de wateropgaven blijkt vaak nog niet aan de orde in de pilots omdat boeren maar met een deel van de waterproblemen te maken hebben: zo erkennen of herkennen ze waterkwaliteitsproblemen niet altijd. Wateroverlast of watertekort door droogte wordt wel vaak als een urgent probleem ervaren, omdat dit invloed heeft op de bedrijfsvoering. Een boer zal op dat vlak initiatief tonen. De waterbeheerders zitten in een lastig parket omdat ze een dubbele rol hebben. Enerzijds zijn ze samenwerkingspartner in de pilot en anderzijds hebben ze ook een handhavende taak in het gebied als het gaat om waterkwaliteitsopgaven. Daarbij vergt het proces een nauwkeurige communicatie richting boeren aan welke opgaven ze kunnen bijdragen. De boer moet vervolgens afwegen welke kansrijke bovenwettelijke maatregelen hij op zijn bedrijf wil nemen om een bijdrage te leveren aan de wateropgaven.

Boeren en waterbeheerders al in 90 DAW-projecten met elkaar in gesprek

Vanaf de start van het DAW hadden waterbeheerders, overheden en boeren hoge verwachtingen van de gebiedsspecifieke aanpak van het DAW. Omdat opschaling van de DAW projecten naar meer projecten en andere gebieden een belangrijke doelstelling van het DAW is (LTO Nederland, 2013), zijn tegelijkertijd met het uitvoeren van de DAW-pilots ook andere DAW-projecten gestart. Zo waren er aan het eind van 2013 al meer dan 30 gebiedsprojecten verspreid over Nederland geïnitieerd en een jaar later 90 (Boerderij, 2014). Het gaat daarbij onder meer om projecten die zijn gericht op het vergroten van de zoetwatervoorraad in het bodemprofiel om de verzilting tegen te gaan, een watersysteembeheer dat rekening houdt met zowel het agrarisch gebruik als het beheer van natuur en landschap, een verkenning van maatregelen voor duurzaam bodem- en waterbeheer, en het verminderen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen en biociden naar grondwater en oppervlaktewater (DAW, 2015). Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat boeren en waterbeheerders met elkaar in gesprek worden gebracht om er voor te zorgen dat het DAW een succesvolle bijdrage aan het realiseren van waterkwaliteitsdoelstellingen krijgt.

Literatuur

Abma, R., U. Kirchholtes, J. E.Jansma, en M. Vijn (2013). Maatschappelijke kosten-batenanalyse stadslandbouw; De cases Voedseltuin Rotterdam, De Nieuwe Warande en Hazennest. Tilburg, Witteveen+Bos en Wageningen, Praktijkonderzoek Plant & Omgeving

Boerderij (2014). Agrarische sector en waterschappen ruziën over deltaplan. 2 december; Via website: http://www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2014/12/Agrarische-sector-en-waterschappen-ruzien-over-deltaplan-1657592W/

Bredenoord, H., A. van Hinsberg, B. de Knegt en F. Kragt (2013). Quickscan hoofdlijnennotitie ‘Ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland’; Globale toetsing van effectiviteit en doelmatigheid. Bilthoven, Planbureau voor de Leefomgeving

Corbould, C. (2013). Feeding the Cities: Is urban agriculture the future of food security? Dalkeith, Future Directions International Pty Ltd.

DAW (2013). Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Via website: http://agrarischwaterbeheer.nl/system/files/documenten/pagina/brochure_daw_januari_2013.pdf

DAW (2015). Projectenkaart Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Via website: http://agrarischwaterbeheer.nl/content/projectenkaart-deltaplan-agrarisch-waterbeheer

Deelstra, T. en H. Girardet (2014). Thematic Paper 2 Urban agriculture and sustainable cities. Via website: http://citeseerx.ist.psu.edu/viewdoc/download?doi=10.1.1.168.4991&rep=rep1&type=pdf

DLG (2014). Eindrapportage DAW-pilots. Utrecht, Dienst Landelijk Gebied, Rapport 15 december

Drescher, A. W., P. Jacobi en J. Amend (2000). Urban Agriculture, a response to crisis? In: Urban Agriculture Magazine (1) 1

EZ (Ministerie van Economische Zaken) (2012). Green Deals schieten als paddenstoelen uit de grond. Nieuwsbericht, 14 juni; Via website: http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/06/14/green-deals-schieten-als-paddenstoelen-uit-de-grond.html

EZ (Ministerie van EZ) (2013). Nieuwe stelsel Agrarisch Natuurbeheer. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-Generaal Natuur & Regio, DGNR-NB/13097927, 6 juni

EZ, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Van Bergen Kolpa Architecten, LEI, De Volharding Breda en Priva (2013). Stadsboeren in Nederland; Professionalisering van de stadsgerichte landbouw. Rotterdam

EZ (2014a). Natuurlijk verder; Rijksnatuurvisie 2014. Den Haag

EZ (2014b). Natuurcombinaties; Ontwerpbijeenkomst maatschappelijk uitvoeringsprogramma. Den Haag

EZ (2014c). Programmatische Aanpak Stikstof. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Natuur & Regio, DGNR-PDN2000 / 14210550, Den Haag, 19 december

EZ (2015a). Terinzagelegging PAS afgelopen. Den Haag, 25 februari; Via website: http://pas.natura2000.nl/items/terinzagelegging-pas-afgelopen.aspx

EZ (2015b). Voorlopig advies commissie MER op de PAS. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro & Natuur, DGAN-NB / 15042504, 30 maart

EZ (2015c). Voortgang PAS. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro & Natuur, DGAN-NB / 15050670, 14 april

Foeken, D. (2006). Stadslandbouw in Afrika: middel voor armoedebestrijding? In: Geografie (15) 3

Folkert, R., R. Arnouts, F. Boonstra, A. van Hinsberg en W. Kuindersma (2015). Evaluatie van het Natuurpact; Een voorstel voor een evaluatiekader. Bilthoven, PBL-notitie 1633

Fontein, R.J. , R. Michels, V. Linderhof, M. Goossen en R. de Graaff (2015). De potentie van natuurcombinaties: inzicht en reflecties op de meerwaarden van een nieuw concept. Wageningen/Den Haag, Alterra en LEI, verschijnt binnenkort

Groot Project Ecologische Hoofdstructuur (2015). Groot Project Ecologische Hoofdstructuur Voortgang Natuurnetwerk Nederland, Zevende voortgangsrapportage, rapportagejaar 2013. Den Haag: Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2015/03/24/groot-project-ecologische-hoofdstructuur.html

I en M (Ministerie van Infrastructuur en Milieu) (2014). Ons Water in Nederland: nieuw Nationaal Waterplan 2016-2021. Den Haag

Jansma, J.E., E.J. Veen, A.G.J. Dekking, M.P. Vijn, W. Sukkel, M. Schoutsen, A.J. Visser, M. van Boxtel en H. Wieringa (2011). Staalkaarten stadslandbouw+; ontwikkelstrategieën om te komen tot stadslandbouw in Almere Oosterwold. Lelystad, PPO AGV

Leneman, H., R. Michels, P. van der Wielen, D.A. Oudendag, J.F.M. Helming, W. van Deursen en A.J. Reinhard, (2012). Economisch perspectief van de PAS. Baten en kosten van de Programmatische Aanpak Stikstof in Natura 2000-gebieden. Den Haag, LEI-nota 12-070

Leneman, H., R. Michels, M. van Veen, P. van der Wielen, A.J. Reinhard en N.B.P. Polman, (2013). Sociaaleconomisch perspectief van de PAS: effecten van de Programmatische Aanpak Stikstof. Den Haag, LEI-nota 13-041

Ligtvoet, W., F. van Gaalen, J. Knoop, F. Kragt, G. Beugelink, P. van Puijenbroek en R. Franken (2014). Waterkwaliteit en -veiligheid. Balans van de Leefomgeving 2014; Deel 6. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving

Linderhof, V., T. de Koeijer en A. van der Ham (2014). Deltaplan Agrarisch Waterbeheer: handreiking gebiedsproces, checklist en wateractieplan. Den Haag, LEI-notitie 9 december

LTO Nederland (2013). Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Via website: http://agrarischwaterbeheer.nl/system/files/documenten/pagina/brochure_daw_januari_2013.pdf

PBL (2012). Natuurverkenning 2010-2040. Visies op de ontwikkeling van natuur en landschap. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving

Polman, N.B.P., H. Leneman, R. Michels, P. van der Wielen, D. Oudendag en S. Reinhard (2013). Sociaaleconomisch perspectief van de PAS; Provinciale , regionale en plaatselijk effecten voor Overijssel. Den Haag, LEI-nota 13-071

Reinhard, S., R. Nieuwkamer, W. Dijkman, N.B.P. Polman en E. Ruijgrok (2014a). MKBA Engbertsdijkvenen. Den Haag, LEI-Rapport 14-009

Reinhard, S. , R. Nieuwkamer, W. Dijkman, N.B.P. Polman en E. Ruijgrok (2014b). MKBA Wierdense Veld. Den Haag, LEI-Rapport 14-017

Rijksoverheid (2011). Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur. Den Haag, 20 september; Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/richtlijnen/2011/10/06/onderhandelingsakkoord-decentralisatie-natuur.html

Rijksoverheid (2013). Natuurpact ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland. Den Haag; Via website: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brieven/2013/09/18/natuurpact-ontwikkeling-en-beheer-van-natuur-in-nederland.html

SCAN (2014). Nieuwsbrief mei 2014 nr. 3. Via website: http://scan-collectieven.nl/system/files/documenten/pagina/scan_nieuwsbrief_mei_2014.pdf

Schans, J.W. van der (2011). Stadslandbouw; antwoord op stedelijke behoeften. In: De Landeigenaar (2011) 4

Schans, J.W. van der en H. Wiskerke (2011). Stadslandbouw, hype of trend? In: Stedebouw & Architectuur Renovatie & Herstructurering, 25 mei

Schans, J.W. van der en S. Klein Gebbink (2014). Regionaal voedsel in Arnhem, Naar meer regionaal voedsel in Arnhem. Wageningen, Wetenschapswinkel rapport 303

Stedennetwerk Stadslandbouw (2015). Stedennetwerk stadslandbouw: een prikkelende leeromgeving. Via website: http://www.stedennetwerkstadslandbouw.nl/overons/

Thebo, A .L. P. Drechsel en E. F. Lambin (2014). Global assessment of urban and peri-urban agriculture: irrigated and rainfed croplands. In: Environmental research Letters (9) 11

UNDP (1996). Urban Agriculture: Food, Jobs and Sustainable Cities. New York, United Nations Development Program, Publication Series for Habitat II, Volume One

Veen, E. J., B. Breman en J. E. Jansma, (2012). Stadslandbouw. Een verkenning van groen en boer zijn in en om de stad. Wageningen UR, Lelystad

Veen, E., D. de Jong, J. E. Jansma, J.W. van der Schans en A. Lassu (2013). Notitie Stedennetwerk Stadslandbouw, Mogelijkheden voor het (tijdelijk) inzetten van grond

voor stadslandbouw. Den Haag, LEI en Almere, PPO CAH

V en W (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) (2009). Nationaal waterbeheerplan 2009-2015. Den Haag

Wegerif, M. (2015). ‘Green vegetable supply in Dar es Salaam’. In: Urban Agriculture Magazine (29), p. 65-67