Ontwikkelingen in de EU

2.1  Gemeenschappelijk landbouwbeleid

In 2013 hebben de Europese Commissie, de Raad van Landbouwministers en het Europees Parlement een akkoord bereikt over de inhoud van het GLB tussen 2014 en 2020 (EC, 2013a en b; zie hoofdstuk 2 LEB 2014). Het akkoord biedt lidstaten een zekere speelruimte bij de invulling van zowel de eerste als de tweede pijler van het GLB, zoals de berekening van de hectaretoeslagen, de keuze van vergroeningsvoorwaarden en de prioritering van plattelandsmaatregelen. Om lidstaten tijd te geven voor de invulling van de eerste pijler op hun grondgebied en het schrijven van een Plattelands­ontwikkelingsplan (POP) 2014-2020 gold 2014 als een overgangsjaar, waarin de inkomenstoeslagen nog op dezelfde wijze als in 2013 werden betaald en de financiële middelen van POP 2007-2013 konden worden uitgeput. Daardoor is 2015 het eerste jaar waarin boeren krijgen te maken met de herziening van het GLB.

2.1.1  Invulling toeslagen

Twee derde van de lidstaten kiest voor een uniforme hectaretoeslag

Met ingang van 2015 krijgen alle boeren een directe toeslag, die binnen een regio of land gelijk is voor elke ha. Lidstaten mogen van deze uniforme hectaretoeslag afwijken als zij vinden dat dit tot te grote inkomensschokken voor boeren leidt. Die kunnen optreden als lidstaten de directe toeslagen tot 2014 volgens het historisch model berekenden. In dat geval ontvingen boeren een toeslag per bedrijf. De optie om af te wijken kan worden ingevuld door de bedrijfstoeslagen van voor 2015 stapsgewijs af of op te bouwen naar het niveau van een uniforme hectaretoeslag in 2019, of door de bedrijfstoeslagen langzaam te laten bewegen in de richting van een uniforme hectaretoeslag op zo’n manier dat de toeslag per bedrijf tussen 2014 en 2019 met maximaal 30% vermindert of vermeerdert. Deze optie leidt niet tot een uniforme toeslag per ha in 2019.

Het blijkt dat alleen die lidstaten, die al voor 2015 met een uniforme hectaretoeslag werkten of daar dichtbij in de buurt kwamen, hun boeren al vanaf 2015 een uniforme hectaretoeslag toekennen (tabel 2.1). Het gaat om Duitsland, Engeland (VK), Malta en een grote groep nieuwe lidstaten, die vanaf hun toetreding de zogenaamde enkelvoudige areaalbetaling toepasten, die neerkomt op een uniforme hectaretoeslag. Finland, Nederland, Oostenrijk, Wales (VK), Schotland (VK) en Zweden laten de toeslagen in de periode 2015-2019/2020 in een aantal stappen bewegen naar een uniforme hectaretoeslag. In 2020 past daardoor zo’n twee derde van de EU-lidstaten een uniforme hectaretoeslag toe. Acht lidstaten in West- en Zuid-Europa en de nieuwe lidstaat Slovenië laten de toeslagen in de richting van een uniforme hectaretoeslag bewegen.

Tabel 2.1

Invulling van de interne convergentie van de hectaretoeslagen in de EU-lidstaten, 2015-2020

Wijze van invullen

Lidstatena

Overgang naar een uniforme hectaretoeslag

Duitsland (2015), Finland (2019), Nederland (2019), Oostenrijk (2019), VK-Wales (2019), VK-Engeland (2015), VK-Schotland (2019), Zweden (2020)
en Malta (2015)

Onvolledige overgang

België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Portugal, Spanje, VK-N. Ierland en Slovenië

Enkelvoudige areaalbetaling (SAPS)

Bulgarije, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Kroatië, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië

Vrijwel alle lidstaten kiezen voor het toekennen van gekoppelde betalingen

Voor het betalen van de hectaretoeslagen krijgen lidstaten een nationale envelop, die gefinancierd wordt uit het GLB-budget voor de eerste pijler. Lidstaten kunnen ervoor kiezen om maximaal 15% van die envelop te besteden aan betalingen die gekoppeld zijn aan de productie. Lidstaten kunnen dit doen om te voorkomen dat de landbouwproductie uit marginale gebieden verdwijnt of bepaalde bedrijfstypen verdwijnen. De mate waarin lidstaten gebruik willen maken van gekoppelde betalingen varieert nogal: van geen in Duitsland en het grootste deel van het VK tot 15% in Frankrijk en de meeste nieuwe lidstaten (figuur 2.1). De keuze van de nieuwe lidstaten hangt samen met het feit dat zij tot 2014 naast de enkelvoudige areaalbetaling ook nationale toeslagen aan hun boeren mochten toekennen. Finland, Portugal en Wallonië willen meer dan de toegestane 15% van de nationale envelop besteden aan gekoppelde betalingen. In de loop van 2015 zal de EC een beslissing nemen of zij dat toestaat.

De keuzes van de lidstaten betekenen dat de komende jaren zo’n 10% van alle nationale enveloppen in de EU-28 - ofwel zo’n 4 miljard euro - aan gekoppelde betalingen zal worden besteed (EC, 2015a). Het grootste deel van dit bedrag is bestemd voor gekoppelde betalingen voor rund- en kafsvlees (1,7 miljard euro in 24 lidstaten), melk- en melkproducten (0,8 miljard euro in 19 lidstaten), schapen- en geitenvlees (0,5 miljard euro in 22 lidstaten), eiwitgewassen (0,4 miljard euro in 16 lidstaten), fruit en groenten (0,2 miljard euro in 19 lidstaten) en suikerbieten (0,2 miljard euro in 10 lidstaten). De gekoppelde betalingen in Nederland zijn bestemd voor schapen en zoogkoeien op natuurgronden met zeer extensieve begrazing (3,5 miljoen euro per jaar) en vlees­kalveren (10 miljoen euro per jaar).

Weinig lidstaten kiezen voor een toeslag voor de eerste ha

Lidstaten mogen ervoor kiezen om minimaal 5% van de nationale envelop te besteden aan extra betalingen voor de eerste hectares op een landbouwbedrijf. Die eerste hectares mogen maximaal 30 ha of een maximum dat overeenkomt met het gemiddeld aantal ha per bedrijf beslaan. Net als gekoppelde betalingen betekent deze zogenaamde redistributie voor de eerste hectares dat boeren in dezelfde lidstaat met uiteenlopende hectaretoeslagen krijgen te maken. Frankrijk, Duitsland, Wallonië en vier nieuwe lidstaten kiezen voor redistributie (tabel 2.2). Boeren met veel ha die meer dan 150.000 euro aan hectaretoeslagen ontvangen moeten worden gekort, tenzij een lidstaat kiest voor redistributie. De aftopping van toeslagen boven de 150.000 euro moet minimaal 5% zijn, maar het mag ook een hoger percentage zijn. Omdat salariskosten en de vergroeningspremies niet mee worden gerekend, komt een 5%-aftopping van een boer die 300.000 euro aan hectaretoeslagen ontvangt maximaal overeen met een korting van 3.000 euro (Agra Europe, 2015a).

De opbrengsten van de aftopping worden toegevoegd aan het budget voor de tweede pijler van de lidstaat. Voor bestedingen van dit deel van het budget geldt geen cofinancieringsverplichting door de lidstaat. De meeste lidstaten kiezen voor een minimale invulling van 5%-aftopping (tabel 2.2). Griekenland, Ierland, Italië, Oostenrijk, Noord-Ierland (VK) en Polen hebben besloten om alle betalingen boven de 150.000 euro terug te vorderen. Omdat deze landen gekenmerkt worden door een kleinschalige landbouwstructuur zullen er in deze landen nauwelijks of geen boeren zijn die met een korting op hun toeslagen te maken krijgen.

Tabel 2.2

Invulling van de redistributie en aftopping van de hectaretoeslagen in de
EU-lidstaten, 2015-2020

Lidstaten

Extra betaling voor eerste ha

Aftopping

Aantal ha

% nationale envelop

Frankrijk

52

5 (2015) - 20 (2018)

Nee

België-Wallonië

50

20

Nee

Duitsland

46

6,9

Nee

Litouwen

30

15

Nee

Roemenië

30

7,5

Nee

Kroatië

20

10

Nee

Bulgarije

Nog niet bekend

6

Nee

België-Vlaanderen, Denemarken, Finland, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, VK-Engeland, Zweden, Cyprus, Estland, Letland, Malta, Slovenië, Slowakije, Tsjechië

Nee

5% vanaf 150.000 euro

Griekenland, Ierland, Italië, Oostenrijk, VK-N. Ierland, Polen

Nee

100% vanaf 150.000 euro

Hongarije

Nee

5% van 150.000- 175.000 euro; 100% vanaf 176.000 euro

VK-Schotland

Nee

5% van 150.000-499.000 euro;
100% vanaf 500.000 euro

VK-Wales

Nee

15% van 150.000-200.000 euro;

30% van 200.000-250.000 euro;

55% van 250.000-300.000 euro;

100% vanaf 300.000 euro

2.1.2  Invulling vergroeningsvoorwaarden

Keuze uit generieke lijst of equivalente maatregelen voor vergroening

De hectaretoeslag is opgebouwd uit een basispremie en een vergroeningspremie. Lidstaten zijn verplicht om 30% van de nationale envelop te besteden aan de vergroenings­premie. Boeren krijgen deze premie alleen als zij aan drie vergroenings­voorwaarden voldoen: handhaving van het areaal blijvend grasland, gewasrotatie met ten minste drie gewassen (twee voor bedrijven van 10-30 ha), en het aanleggen van een ecologisch aandachtsgebied (EFA) op minimaal 5% van het bouwland. Voor de invulling van de EFA heeft de EC een generieke lijst met mogelijkheden opgesteld, zoals akkerranden, braak, landschapselementen, bebossing, hakhout, stikstofbindende gewassen en vanggewassen. Lidstaten kunnen ervoor kiezen om één of meerdere vergroeningsvoorwaarden te vervangen door zogenaamde equivalente maatregelen, die eenzelfde effect hebben op milieu en biodiversiteit. Met de vergroeningspremie wil de EC inkomensondersteuning aan boeren koppelen aan het leveren van maatschappelijke diensten op het gebied van milieu en biodiversiteit.

In bijna de helft van de lidstaten kunnen boeren uit meer dan 10 elementen uit de generieke lijst kiezen voor de invulling van de ecologische aandachtsgebieden (tabel 2.3). Het gaat dan vaak om eiwit- en vanggewassen, braak, hakhout en akkerranden (tabel 2.4). Nederland hoort bij een kleine groep lidstaten, waar boeren een beperkt aantal elementen van de generieke lijst mogen toepassen. Het gaat daarbij om vanggewassen, eiwitgewassen (luzerne, rode klaver, esparcette, rolklaver, lupine en veldbonen), onbeheerde akkerranden en wilgenhakhout (EZ, 2014e en f). Niet alle elementen wegen even zwaar mee voor de EFA: zo hebben braak of een akkerrand een wegingsfactor 1; vanggewassen tellen voor 0,3 mee en eiwitgewassen voor 0,7 (EZ, 2014e).

Nederland is één van de weinige lidstaten die equivalente maatregelen toepassen

Equivalente maatregelen worden maar in vijf lidstaten toegepast (tabel 2.3). Zo hoeven boeren in Frankrijk die alleen mais verbouwen niet aan gewasrotatie te doen als ze na de maisteelt een vanggewas inzaaien (Agra Europe, 2015b). In Nederland hebben boeren de mogelijkheid om met een duurzaamheidscertificaat aan de EFA-verplichting te voldoen. Het gaat daarbij om het akkerbouwstrokenpakket, het certificaat van Veldleeuwerik en het biodiversiteitsplus-label (EZ, 2015b). Dit laatste label is ontstaan uit een Green Deal tussen EZ en enkele maatschappelijke groeperingen, die landbouwbedrijven voor bepaalde duurzaamheidsinspanningen extra wil belonen (Zevenbergen, 2014). Omdat de controle op het biodiversiteitsplus-label nog niet goed geregeld is, kunnen boeren hier in 2015 geen gebruik van maken.

Tabel 2.3

Wijze van invulling van de vergroeningsvoorwaarden door de EU-lidstaten

Invulling

Lidstaten

2-4 elementen uit de generieke lijst

Oostenrijk, Finland, Nederland, Spanje, Litouwen en Slovenië

5-9 elementen uit de generieke lijst

Denemarken, Griekenland, Portugal, Zweden, VK, Cyprus, Estland, Letland
en Malta

Meer dan 10 elementen uit de generieke lijst

België, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije

Equivalente maatregelen

Oostenrijk, Frankrijk, Ierland, Nederland en Polen

Tabel 2.4

Meest gekozen onderdelen uit de generieke lijst voor de invulling van de ecologische aandachtsgebieden in de EU28

Onderdeel

Aantal lidstaten dat dit onderdeel toepast

Eiwitgewassen

27

Braak

26

Landschapselementen

23

Hakhout

21

Vanggewassen

20

Akkerranden

19

Eén vijfde van de Nederlandse boeren krijgt met de EFA-verplichting te maken

Naar schatting krijgt een kleine 20% van de Nederlandse landbouwbedrijven met de EFA-verplichting te maken, waarbij de EFA-oppervlakte - uitgaande van 5% natuurbraak - nog geen 2% van het totale landbouwareaal bestrijkt (EZ, 2014e). Omdat het waarschijnlijk is dat veel boeren voor vanggewassen zullen kiezen, is het aannemelijk dat de uiteindelijke EFA-oppervlakte groter zal zijn, doordat vanggewassen een lagere wegingsfactor hebben dan natuurbraak. Volgens de Agrarische Natuurvereniging Oost-Groningen vult ongeveer drie kwart van de bedrijven in hun werkgebied de EFA-verplichting in met een vanggewas (Boerderij vandaag, 2015a).

Overige toeslagen: kleine-boerenregeling en gebieden met natuurlijke handicaps

Lidstaten mogen maximaal 10% van de nationale envelop besteden aan de kleine-boerenregeling. Deze regeling vergt weinig administratieve handelingen doordat boeren een lump sum-bedrag krijgen tussen 500 en 1.250 euro. De deelnemers hoeven niet aan de cross compliance- en vergroeningsvoorwaarden te voldoen. De regeling geldt alleen voor bedrijven met 5 ha landbouwareaal of minder. Het kleine boerenschema wordt toegepast in 15 lidstaten (tabel 2.5), waarbij het voornamelijk gaat om landen met een kleinschalige landbouwstructuur. Bij de herziening van het GLB is verder afgesproken dat boeren in gebieden met natuurlijke handicaps naast de al sinds lange tijd bestaande bergboerenregeling in pijler 2, ook via pijler 1 extra inkomensondersteuning kunnen krijgen. Alleen Oostenrijk maakt gebruik van deze nieuwe regeling. Kennelijk vinden de overige lidstaten het aantrekkelijker om de boeren in deze gebieden te steunen met een inkomenscompensatie in pijler 2.

Tabel 2.5

Toepassing van het kleine boerenschema en de toeslag voor gebieden met natuurlijke handicaps in de EU-lidstaten

Invulling

Lidstaten

Kleine boerenschema

Duitsland, Griekenland, Italië, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland Kroatië, Malta, Polen, Roemenië en Slovenië

Toeslag voor gebieden met natuurlijke handicaps

Oostenrijk

2.1.3  Invulling tweede pijler

Nog niet de helft van de POP’s goedgekeurd

Voordat lidstaten met de implementatie van het EU-plattelandsbeleid van start kunnen gaan, moet hun Plattelandsontwikkelingsplan 2014-2020 (POP) door de EC worden goedgekeurd. Door de lijvige omvang van de plannen en de traag verlopende interne procedures bij de EC zijn er tussen december 2014 en mei 2015 nog maar 51 van de in totaal 118 POP’s in de EU-28 goedgekeurd (Agra Europe, 2015f). Het Nederlandse POP kreeg in februari 2015 groen licht van de EC. Ook in 15 andere lidstaten zijn de nationale of alle regionale POP’s goedgekeurd. Vermoedelijk duurt het nog tot eind 2015 voordat alle POP’s het fiat van de EC hebben. Het plattelandsbeleid gaat dus net weer als bij de vorige programmeringsperiode 2007-2013 met veel vertraging van start. Dat geeft de lidstaten overigens wel de mogelijkheid - voor zover het budget 2007-2013 nog niet is besteed - door te gaan met de uitputting van die middelen in de jaren 2014 en 2015. Dat is volgens de n+2-regel toegestaan. Voor de nieuwe periode 2014-2020 geldt zelfs een n+3-regel.

Meeste lidstaten vullen EU-plattelandsbeleid 2014-2020 net zo in als in 2007-2013

Het EU-plattelandsbeleid werkt met een menu van maatregelen, waaruit lidstaten kunnen kiezen. De maatregelen zijn op hun beurt weer te koppelen aan ontwikkelingsprioriteiten van het beleid, zoals versterking van de concurrentiekracht en bescherming van ecosystemen. Lidstaten zijn verplicht om hun keuze van maatregelen zo te maken, dat minimaal 30% van het tweedepijlerbudget wordt besteed aan de ontwikkelingsprioriteiten inzake bescherming van de ecosystemen en duurzaam grondstofgebruik en minimaal 5% aan de ontwikkelingsprioriteit inzake sociale insluiting en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden.

Uit de tot nu toe goedgekeurde POP’s blijkt dat deze minimale bestedingspercentages in de EU gemiddeld ver worden overschreden (tabel 2.6). Tussen lidstaten zijn accentverschillen te zien: zo zet VK-England bijna het hele tweede pijler-budget in voor de bescherming van ecosystemen, besteden Nederland, België en Polen een derde of meer van het budget aan concurrentieversterking, en willen Nederland en België weinig middelen aan de bredere plattelandsontwikkeling uitgeven. Uit een vergelijking van de inzet van middelen in de periode 2007-2013 in de goedgekeurde POP’s blijkt dat lidstaten de middelen grotendeels op dezelfde manier verdelen over de thema’s (Agra Europe, 2015g). Nederland en Denemarken zijn daarbij uitzonderingen: in die landen lijkt er in het nieuwe POP meer aandacht te zijn voor versterking van de concurrentiekracht dan in het vorige POP. Daarbij moet wel worden bedacht dat veel regelingen die daar onder vallen gericht zijn op investeringen in duurzame landbouw.

Tabel 2.6

Verdeling van het budget voor het EU-plattelandsbeleid over de ontwikkelingsprioriteiten in een aantal EU-lidstaten (%) a

Prioriteit

Nederland

België -
Vlaanderen

VK -England

Polen

EUb

Het versterken van het concurrentievermogen van de land- en bosbouw

33

42

3

33

20

Het stimuleren van de organisatie van de voedselketen en van risicobeheer

4

2

1

12

10

Het beschermen van ecosystemen die van de land- en bosbouw afhankelijk zijn

51

24

85

31

43

Het bevorderen van een duurzaam grondstofgebruik en CO2-reductie

-

25

1

2

9

Het bevorderen van sociale insluiting, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden

8

6

10

16

15

2.1.4  Einde melkquotering 2015

Na 31 jaar is er op 1 april 2015 een einde aan de melkquotering gekomen. Deze was in 1984 ingesteld om paal en perk te stellen aan de al maar groeiende melkproductie in de EU, die leidde tot melkplassen, boterbergen en hoge budgetlasten voor interventies en exportrestituties. Hoewel de melkquotering als tijdelijke maatregel was bedoeld, is hij een aantal keren verlengd, voor het laatst in 2003 voor de periode 2003-2015 (Lapperre et al., 2013). In 2003 werd ook besloten om de interventieprijzen voor boter en magere-melkpoeder tussen 2004 en 2007 stapsgewijs met respectievelijk 25 en 15% te verlagen. Dat betekende weliswaar een verlaging van de melkprijs, maar die trok al snel weer aan door de stijgende vraag naar zuivelproducten op de wereldmarkt.

De verlaging van de interventieprijzen heeft tot gevolg dat boeren meer te maken krijgen met schommelingen in de wereldmarktprijzen. Terwijl de volatiliteit in de zuivelprijzen in de EU (verschil tussen de hoogste en laagste prijs) in de jaren 1982-2006 gemiddeld 4,5 eurocent/kg bedroeg, is dit tussen 2007 en 2015 opgelopen tot 9,7 eurocent/kg (Jongeneel en Van Berkum, 2015). Dat komt overeen met ongeveer 30% van de gemiddelde melkprijs in die jaren. Dit hogere niveau van prijsvolatiliteit zal zich naar verwachting de komende jaren handhaven, waardoor het voor melkveehouders raadzaam is om in jaren met hoge prijzen een buffer aan te leggen waarop ze in jaren met lagere prijzen kunnen in teren.

Opbrengsten superheffing sinds 2009/10 vertwintigvoudigd

Door de aanhoudende gunstige situatie op de wereldzuivelmarkt halverwege het eerste decennium van de 21e eeuw, werd de druk om de quotering te veranderen steeds groter (Agra Europe, 2015c). In het Health Check Akkoord (2008) werd daarom besloten om de quota tussen 2009/10 en 2013/14 jaarlijks met 1% te verruimen. Vooral de melkproductie in België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Nederland, Polen en het VK is sindsdien sterk gegroeid, vaak meer dan de quotumlimiet. De opbrengsten aan superheffing zijn dan de laatste jaren ook opgelopen: van 19 miljoen euro in 2009/2010 naar 409 miljoen euro in 2013/2014 (EC 2010 en 2014a). Naar verwachting zal de superheffing voor het laatste jaar van de melkquotering 2014/2015 nog hoger liggen.

Die hoge superheffing was voor een aantal lidstaten waar onder Nederland reden om te proberen deze te verlagen. Zij wilden dit doen door verlaging van de vetcorrectie, wat in feite een verruiming van het quotum betekent. Uiteindelijk heeft de EU-landbouwcommissaris Hogan eind 2014 besloten om hiertoe niet over te gaan omdat hij het niet terecht vond om de spelregels tijdens de rit te veranderen (EZ, 2014d). Wel heeft hij de mogelijkheid gecreëerd dat boeren de superheffing over het melkjaar 2014/2015 tussen 2015 en 2017 in drie termijnen zonder rente kunnen betalen (Agra Europe, 2015d). Deze regeling komt erop neer dat lidstaten boeren een deel van de superheffing voorschieten, want zij moeten de superheffing wel in één keer in 2015 aan de EC betalen (EZ, 2015c). Omdat de regeling nogal wat administratieve lasten met zich mee brengt, is Nederland niet van plan er gebruik van te maken.

Tweedeling in groei melkproductiegroei in EU verwacht

De EU-melkproductie zal tussen 2014 en 2024 naar verwachting met zo’n 8% toenemen tot 158 mln. ton (Agra Europe, 2015c). Hoewel er op de EU-markt beperkt ruimte is voor een afzetgroei van de kaas, zal het merendeel van de extra productie zijn weg vinden naar de wereldmarkt. De groei van de melkproductie laat een tweedeling in de EU zien: in de lidstaten in Noord-Europa (met uitzondering van Finland en Zweden) zal de melkproductie toenemen; in de overige lidstaten - waar de productieomstandigheden voor de melkveehouderij minder gunstig zijn dan in het noorden - wordt een stagnatie verwacht. De hoogste groei tussen 2014 en 2024 is geschat voor Ierland (27%), Nederland (17%) en Polen (14%) (Jongeneel en Van Berkum, 2015). Door een reeks van GLB-maatregelen wordt geprobeerd om de melkproductie in de marginale gebieden te continueren. Het gaat daarbij om gekoppelde betalingen in de zuivelsector, steun voor gebieden met natuurlijke handicaps, investeringssubsidies en de mogelijkheid om producentenorganisaties op te richten om over de melkprijs te onderhandelen.

2.2  Uitgaven GLB

In 2013 namen de uitgaven voor het markt-, prijs- en inkomensbeleid in de eerste pijler van het GLB toe tot ruim 45 miljard euro (tabel 2.7). Deze stijging hangt samen met de infasering van de directe inkomenstoeslagen in de nieuwe lidstaten, waardoor deze post in 2013 steeg tot ruim 41 miljard euro. Voor de 10 lidstaten die in 2004 zijn toegetreden tot de EU, was 2013 het laatste jaar van de infasering. Hun directe inkomenstoeslagen hebben nu het niveau van 100% bereikt, wat overeenkomt met de volledige omvang van de betaling per ha of per bedrijf zoals afgesproken bij de toetredingsonderhandelingen. Bulgarije en Roemenië, die in 2007 zijn toegetreden tot de EU, hebben nog tot en met 2016 met een infasering van de directe betalingen te maken.

Het merendeel van de uitgaven voor de eerste pijler - ruim 90% - wordt de laatste jaren gedaan voor directe inkomenstoeslagen. De overige uitgaven hebben betrekking op restituties en marktinterventies zoals opslag en andere marktstabiliserende maatregelen. Deze uitgaven zijn beperkt van omvang en vertonen een dalende tendens. Het merendeel van de interventie-uitgaven bestond in 2013 net als in 2012 uit betalingen voor kwaliteitsbewaking aan producentengroepen in de groente- en fruitsector, de aanplantregeling in de wijnsector en voedselhulpprogramma’s (EC, 2014b). De restitutie-uitgaven in 2013 hadden voornamelijk betrekking op pluimvee- en varkensvlees (zo’n 80%) en rundvlees (ruim 10%).

Tabel 2.7

EU-uitgaven (mln. euro) voor het markt-, prijs- en inkomensbeleid in de landbouw, 1985-2013

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2011

2012

2013

Interventie

12.991 

17.168 

1.797 

5.166 

5.348 

3.992 

3.619 

3.719 

3.193 

w.v. opslag

4.428 

4.738 

339

951

852

94

-195

17

25

Directe toeslagen

- a

2.223 

24.409 

25.449 

33.701 

39.676 

40.178 

40.880 

41.658 

Restituties

6.716 

7.063 

7.802 

5.646 

3.052 

385

179

147

62

Totaal markt-, prijs- en inkomensbeleid landbouw bc

19.707 

26.454 

34.008 

36.261 

42.101 

44.046 

43.970 

44.746 

45.302 

Als % van totaal

Interventie

66

65

5

14

13

9

9

8

7

w.v. opslag

22

18

1

3

2

0

0

0

0

Directe toeslagen

0

8

72

70

80

90

91

91

92

Restituties

34

27

23

16

7

1

0

0

0

Totale EU-budget

28.833 

45.608 

68.409 

83.450 

104.835 

122.231 

126.497 

132.739 

147.840 

Aandeel landbouw in totale EU-budget (%)

63,3

58,0

49,7

43,5

40,2

36,0

34,8

33.7 

30,6

Crisisfonds in 2014 niet aangesproken

Sinds 2014 bestaat er een Crisisfonds waaruit betalingen in geval van ernstige marktverstoringen kunnen worden gedaan. Om dit fonds te vullen worden boeren, die meer dan 2.000 euro aan directe betalingen ontvangen, gekort. Wordt het fonds in een bepaald jaar niet gebruikt, dan krijgen de boeren hun inleg het jaar daarop terug. Het Crisisfonds voor 2014 is gevuld door 2,45% van de directe betalingen aan boeren in te houden. Hoewel er in 2014 door het Russische invoerverbod voor een aantal landbouwproducten uit de EU (zie paragraaf 2.3.1) wel degelijk sprake was van grote marktcalamiteiten, is het Crisisfonds niet aangesproken. Het bleek dat de financiële middelen, die door onderuitputting van het EU-landbouwbudget in 2014 beschikbaar kwamen, voldoende waren om de kosten van de extra steunmaatregelen te dekken (Agra Europe, 2014). Boeren kunnen dus in 2015 hun ingelegde geld in het Crisisfonds tegemoet zien. Wel hebben ze ondertussen opnieuw in moeten leggen in het Crisisfonds voor 2015; daarbij ging het om 1,3% van de directe betalingen van 2014. Omdat het Crisisfonds tussen 2014 en 2020 een vaste omvang van 400 miljoen (in prijzen van 2011) heeft en de envelop voor directe betalingen in diezelfde periode iets afneemt, zal het percentage waarmee boeren worden gekort op hun directe betalingen de komende jaren iets toenemen. Naar verwachting zal het in 2015 om 1,4% gaan (Agra Europe, 2015e).

2.3  Overige actuele zaken in de EU-landbouw

2.3.1  Russische boycot van landbouwproducten

In augustus 2014 stelde Rusland een invoerverbod voor de volgende landbouwproducten uit de EU in: zuivel, vlees, vis, groente en fruit. Dit verbod geldt vooralsnog voor een periode van één jaar. Dit was niet de eerste keer dat Rusland zijn grenzen sluit voor EU-producten. Zo werden in 2004 bijvoorbeeld Nederlandse bloemen en planten zeven maanden lang geweerd. In 2011 sloot Rusland de grens voor groente en fruit in verband met een EHEC-uitbraak, in 2012 mochten levende runderen Rusland niet in vanwege een uitbraak van het Schmallenberg-virus en in 2013 was het de beurt aan de aardappelen. Zelfs ten tijde van het instellen van het importverbod in augustus 2014 waren de grenzen al gesloten voor de EU-import van varkensvlees vanwege uitbraken van varkenspest in onder andere Polen.

Rusland is grote exportmarkt van Nederland buiten de EU

In 2013 bedroeg de waarde van de Nederlandse agrarische export naar Rusland zo’n 1,5 miljard euro, wat een bescheiden aandeel vormt binnen de totale Nederlandse agrarische exportwaarde van meer dan 80 miljard euro. Wel is Rusland naast de VS en China één van de grootste exportmarkten buiten de EU voor Nederland, die bovendien ook als een belangrijke groeimarkt kan worden aangemerkt (LEI, 2014). Directe exportstromen naar landen weerspiegelen overigens niet het totale volume van de handel, omdat het mogelijk is dat Nederlandse producten ook via andere EU-landen naar Rusland worden geëxporteerd, bijvoorbeeld via de routes Nederland- Litouwen en vervolgens Litouwen-Rusland. Voor Nederland leek de pijn door de Russische boycot met name bij de groenten-, fruit- en zuivelsector te ontstaan. Voor deze veelal bederfelijke waar was niet snel een andere afzetmogelijkheid voorhanden. Ongeveer 4% van alle export van deze productgroepen gaat normaal gesproken naar Rusland (LEI, 2014). Voor sommige producten zoals peren ligt het exportaandeel zelfs veel hoger. Op een sterk volatiele markt is dit een niet te onderschatten aandeel en prijsdalingen liggen dan voor de hand.

Gevolgen boycot per product lopen uiteen door seizoenspatroon

Omdat het teeltseizoen van de Nederlandse glasgroenteteelt normaal gesproken na augustus geleidelijk afloopt, was het grootste deel van de export van glasgroenten al voor het instellen van het importverbod naar Rusland verscheept. Bovendien bevond de glasgroenteteelt zich in augustus 2014 door ongunstige weersomstandigheden in een tijdelijke productiedip. Hoewel er na de afkondiging van de boycot een tijdelijke prijsdip ontstond, namen de prijzen voor sommige glasgroenten na korte tijd al weer toe (Berkum en Jukema, 2014). Bij de peren en appels kwam de boycot op een veel ongunstiger moment: voor die producten begon het oogstseizoen net en daarom kregen deze sectoren met lage prijzen te maken. Sommige fruittelers besloten om niet te oogsten omdat de opbrengstprijzen niet opwogen tegen de kosten. Anderen bedachten ludieke acties zoals de consumenten zelf het fruit te laten plukken. Ook opengrondsgroenten zoals sla en peen voelden de gevolgen van de boycot sterk. Supermarkten zorgden tijdelijk voor extra acties om Nederlands product aan de man te brengen. Dergelijke volume-acties helpen producenten veelal niet structureel: als tijdelijk grotere volumes tegen lagere prijzen worden verkocht, wordt dat vaak gevolgd door een aankoopdip.

Steunmaatregelen voor groente, fruit en zuivel

De Europese Commissie (EC) en nationale overheden reageerden op de boycot door diverse steunmaatregelen aan te kondigden. Zo stelde de EC direct na de afkondiging van de boycot de interventiemogelijkheden open voor tomaten, wortelen, witte kool, paprika, bloemkool, komkommer, augurken, champignons, appel, peer, rood fruit, tafeldruiven en kiwi. Deze producten konden uit de markt worden genomen door ze te vernietigen, aan te bieden aan de voedselbank of door het groen- of niet oogsten van de gewassen. Ook telers die niet aangesloten zijn bij een producentenorganisatie konden een EU-vergoeding ontvangen. Begin september werden er ook voor zuivel en kaas extra steunmaatregelen afgekondigd door de EC. Deze maatregelen maakten het mogelijk om naast boter ook magere melkpoeder en kaas particulier op te slaan. Verder werd de aankoopperiode voor openbare interventie van boter en magere melkpoeder verlengd tot en met 31 december 2014 (EZ, 2014b).

Dat de nood in sommige landen hoog was bleek al na enkele weken na de instelling van het Russische importverbod. Op 10 september werd bekend dat de EC met terugwerkende kracht de buitengewone steunmaatregelen voor groente en fruit introk in verband met de overschrijding van het budget van 125 miljoen euro vanwege onrealistisch hoge claims door enkele lidstaten (EZ, 2014c). Met name Polen werd als schuldige aangewezen (NOS, 2014). Om ondernemers in andere landen niet de dupe te laten worden kwam de EC al binnen een week met een vernieuwde regeling waarbij per lidstaat een maximale hoeveelheid product voor interventie kon worden aangeboden. Voor deze nieuwe maatregel was 165 miljoen euro beschikbaar (EZ, 2014c). Deze extra steunmaatregelen, die tot 31 december van kracht waren, zijn daarna verlengd tot en met 30 juni 2015 (EZ, 2014d). De steunmaatregelen voor de zuivelsector, zoals hierboven beschreven, zijn inmiddels verlengd tot 30 september 2015.

Door hoogte marktprijs maken Nederlandse ondernemers beperkt gebruik van interventie

Nederlandse ondernemers maken tot nu toe maar beperkt gebruik van bovenstaande mogelijkheden. In veel gevallen bleek de marktprijs hoger dan de vergoedingen die verkregen konden worden door de steunmaatregelen. Uit gegevens van definitief ingediende verzoeken uit de eerste openstelling van de interventiemogelijkheden blijkt dat er door Nederlands bedrijven 1,37 miljoen euro aan subsidie is ontvangen. Vooral tomaten, appels en peren werden uit de markt genomen. Bij het niet-oogsten of groenoogsten ging het met name om appels, peren en wortelen. Overigens is het vermoeden dat het budget van 125 miljoen euro dat voor de eerste openstelling voor heel Europa beschikbaar was, uiteindelijk toch niet volledig zal worden uitgekeerd. Voor de tweede openstelling is door Nederlandse bedrijven vooralsnog 1,17 miljoen euro aan steun aangevraagd. Wat hier uiteindelijk van wordt uitbetaald is nog niet bekend. In de eerste maanden van 2015 zijn er 64 meldingen van levering van 304 ton appels en peren en 1290 ton aan wortelen aan de voedselbank (EZ, 2015a).

Verkennen van nieuwe markten

Behalve rechtstreekse steun aan ondernemers stelde de EC extra geld (30 miljoen euro) voor promotiedoeleinden beschikbaar (EZ, 2014b). Ook op nationaal niveau werd steun verleend. EZ riep samen met vertegenwoordigers uit de Topsectoren Agro en Food een taskforce in het leven, die de afzet naar alternatieve markten moest faciliteren. Informatie over wetgevingen, toegangseisen, veterinaire en fytosanitaire aangelegenheden en handelsmissies worden beschouwd als belangrijke aandachtgebieden van deze taskforce (EZ, 2014a). Een dergelijke taskforce voor de hele EU werd door de EC ingesteld (EZ, 2014b). Hoewel het openbreken van nieuwe markten altijd enige tijd vergt, waren er in 2014 toch enkele succesjes op dit vlak te melden. Zo mogen er nu Nederlandse peren naar China en Brazilië worden geëxporteerd (AGF, 2014 en 2015).

Daarnaast konden Nederlandse bedrijven werktijdverkorting voor hun werknemers aanvragen, waarbij niet-gewerkte uren als gevolg van de boycot onder voorwaarden konden worden vergoed. Medio november 2014 waren hiervoor 24 aanvragen binnengekomen voor in totaal 129 medewerkers uit de handel en landbouw. Verder kunnen bedrijven afspraken met de belastingdienst maken over uitstel van betaling van omzetbelasting en loonheffingen. Ook introduceerde Nederland eind 2014 een nieuwe garantieregeling voor werkkapitaal voor agrarische ondernemers: de Garantstelling Landbouwondernemingen Werkkapitaal (GLOW). Hierbij kunnen bedrijven die door de boycot tijdelijke liquiditeitstekorten hebben extra werkkapitaal krijgen. De risico’s over deze leningen worden samen gedeeld door de overheid en banken (EZ, 2015a).

Financiële gevolgen boycot niet gemakkelijk te meten

De gevolgen voor de Nederlandse of Europese export zijn vooraf niet gemakkelijk meetbaar. Zo kan het wegvallen van een bepaalde vraag eventueel worden opgevangen door een andere markt buiten de EU. Bovendien zijn weers- en seizoenpatronen van invloed op de marktsituatie en kunnen sommige producten worden bewaard of bewerkt zodat de verkoop ervan kan worden uitgesteld. Naast de kortetermijnschade door een wegvallende vraag, kan de boycot ook effect hebben op de relaties tussen bedrijven. Russische bedrijven gaan immers op zoek naar andere leveranciers uit andere landen. Of de oude relaties na de boycot worden hersteld, moet nog worden bezien. Schattingen over de financiële gevolgen van de Russische boycot die vlak na de afkondiging ervan werden gemaakt liepen dan ook uiteen van 400 miljoen euro (LEI, 2014) tot 1 miljard euro (LTO Nederland, 2014).

Polen is het meest getroffen door boycot

Van alle EU-lidstaten lijkt Polen tot nu toe het meest geraakt als het gaat om het wegvallen van rechtstreekse export naar Rusland: hun exportinkomsten tussen 2013 en 2014 liepen met bijna 400 miljoen euro terug (tabel 2.8). Voor Nederland kwam de daling op ruim 200 miljoen euro uit. De grootste daling heeft zich voorgedaan bij de export van vlees, waarvoor al voor de afkondiging van de boycot in augustus 2014 restricties golden. Dat lidstaten ongelijk worden geraakt door de boycot hangt samen met het moment waarop de boycot ingaat. Terwijl het glastuinbouwseizoen in Nederland werd afgebouwd kwam dat van Spanje juist op gang. Hierdoor kon Nederland nog een plus noteren voor de export van groente, mede door een stijgende export voorafgaand aan de maand augustus, en ging de export van groente van Spanje sterk omlaag. Gezien het seizoenspatroon moeten Spaanse groentetelers dus tot eind 2014 meer last hebben gehad van de boycot dan de Nederlandse collega’s. De gehele export naar Rusland werd ook nog eens extra bemoeilijkt door de roebelcrisis die zich tussen oktober en december 2014 voordeed.

Tabel 2.8

Mutatie tussen 2013 en 2014 van de export van geboycotte producten
(inclusief doorvoer) van enkele EU-lidstaten naar Rusland (in mln. euro)

Fruit

Groente

Zuivel

Vis

Vlees

Overig

Totaal verschil 2013/2014

Polen

-154

-69

-51

0

-114

-6

-393

Duitsland

-10

0

-100

0

-216

-13

-340

Litouwen

-111

-133

-56

0

-27

-10

-336

Nederland

9

5

-152

-4

-76

11

-206

Denemarken

0

0

-12

0

-194

15

-192

Spanje

-52

-26

-1

-12

-85

-3

-178

België

-60

-20

-18

0

-41

-1

-141

Frankrijk

0

-7

-51

-5

-69

-1

-133

Finland

0

-1

-89

-4

-12

0

-106

Italië

-25

-3

-20

0

-14

-6

-68

Rusland heeft de boycot voor een jaar afgekondigd maar kan die verlengen als de geopolitieke verhoudingen niet veranderen. Bij verlenging is het niet uitgesloten dat de gevolgen voor de Nederlandse boeren en tuinders groter worden omdat het teeltseizoen van glasgroentegewassen weer in volle gang komt en bewaarde producten zoals appels uiteindelijk toch de markt op moeten worden gebracht voordat het nieuwe oogstseizoen in het najaar aanbreekt.

2.3.2  Nanotechnologie: mogelijkheden voor landbouw en voedsel

Volgens voedseltechnologen is nanotechnologie in staat onze landbouw en ons voedsel in revolutionaire zin te veranderen (Chaudry et al., 2010; Cushen et al., 2012). Hoewel dit potentieel van nanotechnologie zich nog moet waarmaken lijken de ontwikkelingen de laatste jaren hard te gaan. Vooral in de VS groeit de lijst met producten waarbij nanotechnologie wordt gebruikt. Nanotechnologie gaat om toepassingen van technieken op moleculair niveau met een schaal van 1 tot 100 nanometer. Ter vergelijking: een menselijke haar is zo’n 80.000 nanometer dik. Mogelijke toepassingen van nanotechnologie in het domein van landbouw en voedsel zijn onder meer:

hele kleine sensoren die de groei van landbouwgewassen monitoren waardoor het gebruik van pesticiden, kunstmest en water efficiënt kan worden afgestemd;

het nanofiltreren van melk waarbij bacteriën zonder verhitting worden verwijderd en melk lang houdbaar wordt;

‘intelligente’ stickers op basis van temperatuurgevoelige inkt (OnVU) die verkleuren als producten voorbij hun houdbaarheid zijn en zo bijdragen aan de veiligheid van voedsel;

petflessen die door een nano-coating aan de binnenkant geen zuurstof doorlaten, waardoor ze voor alle soorten drank kunnen worden gebruikt en glazen flessen kunnen vervangen;

vetarme zuivelproducten zoals melk, kaas en ijs die dezelfde smaak hebben als volvette producten, en die kunnen bijdragen aan een gezonder dieet met minder vet.

Deze kleine greep uit mogelijke toepassingen illustreert hoe nanotechnologie kan bijdragen aan maatschappelijke doelen zoals duurzaamheid en volksgezondheid. Binnen de EU wordt nanotechnologie dan ook gezien als een sleuteltechnologie voor verdere innovatie van producten (EC 2012a en 2013c). Belangrijk is wel dat nanotechnologie maatschappelijk moet worden geaccepteerd en de toepassingen economisch levensvatbaar zijn.

Onzekerheden en zorgen over toepassingen van nanotechnologie

Naast kansen bestaan er ook onzekerheden en zorgen over de toepassingen van nanotechnologie, die te maken hebben met vragen als ‘hoe veilig zijn ze’, ‘zijn ze wel ‘natuurlijk’’, en ‘zijn ze ethisch verantwoord’ (Boom, 2011). Vooral de vraag of de minuscule nano-deeltjes (nano-partikels) in het menselijk lichaam door kunnen dringen en daar mogelijk schade veroorzaken, ligt gevoelig bij consumenten (Frewer en Fischer 2010). Daarom wordt er zowel op Europees als nationaal niveau aandacht besteed aan de mogelijke risico’s van nanotechnologie. Zo moeten toepassingen van nanotechnologie worden getoetst aan de EU-richtlijn ‘Registratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen’ (REACH) voordat ze op de markt kunnen worden gebracht. Deze richtlijn gaat uit van het principe no data no market: bedrijven moeten alle risico’s kennen, benoemen en beheersen voordat een toepassing wordt toegelaten.

In Nederland is in 2008 bij het RIVM het onderdeel Kennis en Informatiepunt Risico’s van nanotechnologie (KIR-nano) opgericht. Dat houdt zich bezig met het signaleren van nanorisico’s, het participeren in internationale nanorisicowerkgroepen en het informeren van het publiek over nanorisico’s. Wat de regulering van nanotechnologie gecompliceerd maakt, is dat het vanwege de immense toepassingsmogelijkheden lastig te definiëren en te bepalen is wat hier nu precies onder valt. Gaat het bij nanotechnologie om ‘nieuwe stoffen’ die met het oog op mogelijke risico’s speciale beoordelingscriteria en -methoden vereisen of voldoet hier het bestaande toetsingssysteem voor chemische stoffen? Na een lange discussie heeft de EC in 2011 een definitie van nanotechnologie opgesteld (EC, 2012a en 2012b). Kenmerkend voor de onzekerheden rond nanotechnologie is de expliciete vermelding dat die definitie na enkele jaren evaluatie en mogelijk revisie behoeft.

Maatschappelijke dialoog om acceptatie nanotechnologie te bevorderen

Naast de risico-aspecten baart de ambivalente houding van veel consumenten jegens nanotechnologie bedrijven en beleidmakers zorgen (Stijnen et al., 2011; Ronteltap et al., 2012; Fischer et al., 2012). Nieuwe technologieën dienen niet alleen veilig te zijn maar ook maatschappelijk ingebed. Wanneer toepassingen van nanotechnologie uiteindelijk niet door de eindgebruikers of de samenleving worden geaccepteerd - ook als ze op alle veiligheidsaspecten goed zijn getoetst - is er uiteindelijk maatschappelijk weinig gewonnen en economisch veel verloren. De laatste jaren heeft het concept van Responsible Research and Innovation (RRI) opgang gemaakt in het technologiebeleid op EU-niveau (EC, 2013c). Daarbij moeten het bedrijfsleven en onderzoekers - gefaciliteerd door overheden - de dialoog aangaan met consumenten en andere maatschappelijke stakeholders om ervoor te zorgen dat hun vindingen en toepassingen op acceptatie van de samenleving kunnen rekenen. In het veld van nanotechnologie zijn het laatste decennium ook tal van activiteiten waar te nemen gericht op public engagement. De maatschappelijke dialoog over nanotechnologie in Nederland in 2009-201, is hiervoor exemplarisch te noemen (Commissie Maatschappelijke Dialoog Nanotechnologie, 2011). Op die manier wordt gehoopt dat de dramatische ervaring met biotechnologie in de jaren negentig, die in Europa op veel maatschappelijke weerstand stuitte, en waar nog altijd veel discussie over is, wordt voorkomen.

Meer recent kunnen we spreken van een bescheiden beleidslijn op het gebied van RRI die ertoe bijdraagt dat de maatschappij in meer brede zin in beeld komt. Niet alleen als een passieve actor die moet worden behoed voor onveilige voedselproducten, maar als een gesprekspartner die men nodig heeft om nieuwe technologieën tot een succes te maken. Nanotechnologische toepassingen in landbouw en voedsel, met name nanofood, zijn hier te beschouwen als een belangrijke casus voor RRI dat op termijn het bestaande beleid voor voedselveiligheid volwaardig kan completeren. De worsteling op EU-niveau met het complexe toepassingsgebied van nanotechnologie zou in deze zin mooie vruchten kunnen afwerpen in de vorm van technologische toepassingen die niet alleen veilig zijn maar ook maatschappelijk ingebed.

Literatuur

AGF (2014). Export Conference-peren naar China alleen voor absolute top mogelijk. 21 februari; Via website: http://www.agf.nl/artikel/107927/Export-Conference-peren-naar-China-alleen-voor-absolute-top-mogelijk


AGF (2015). Dubbele gevoelens bij markttoegang Nederlandse peren in Brazilië. 21 januari; Via website: http://www.agf.nl/artikel/120896/Dubbele-gevoelens-bij-markttoegang-Nederlandse-peren-in-Brazili%EB

Agra Europe (2014). ‘Farmers to be reimbursed for 2013 CAP subsidy cuts’. In: Agra Europe Weekly, 28 november

Agra Europe (2015a). ‘Six EU countries “cap” direct aid payments at €150.000’. In: Agra Europe Weekly, 6 februari

Agra Europe (2015b). ‘French equivalence scheme for “greening” crop diversification approved’. In: Agra Europe Weekly, 27 februari

Agra Europe (2015c). ‘Milk quotas: A new era for the CAP and the EU dairy sector’. In: Agra Europe Weekly, 13 maart

Agra Europe (2015d). ‘Commission proposes 1.39% cuts to 2015 P1 payments to fund Crisis Reserve’. In: Agra Europe Weekly, 2 april

Agra Europe (2015e). ‘Hogan confirms EU dairy “superlevy” concession for 2014/2015’. In: Agra Europe Weekly, 27 februari

Agra Europe (2015f). ‘Commission adopts 24 CAP rural development programs’. In: Agra Europe Weekly, 29 mei

Agra Europe (2015g). ‘Analysis: Are member states being unadventurous in their P2 spending choices for 2015-2020?’. In: Agra Europe Weekly, 20 maart

Berkum, S. van en G. Jukema (2014). Marktsituatie voor groenten en fruit vier maanden na de afkondiging van de Russische boycot. Den Haag, LEI-notitie 17 december 2014; Via website: http://www.wageningenur.nl/upload_mm/7/c/b/2bfe2518-b678-4af0-a2f8-46023c0a0f0a_Marktsituatie_GF_vier_maanden_na_afkondiging_Russische_boycot.pdf

Boerderij Vandaag (2015a). ‘Akkerbouwers laten kansen op natuurgeld liggen’. 21 april

Boom, R.M. (2011). Nanotechnology in Food Production. In: L.J. Frewer, W. Norde, A. Fischer en F. Kampers (red.), Nanotechnology in the Agri-Food Sector – Implications for the Future. Weinheim WILEY-VCH Verlag GmbH & Co, , p. 39-57

Chaudry, Q, L. Castle en R. Watkins (2010). Nanotechnologies in food. Cambridge, Royal Society of Chemistry

Commissie Maatschappelijke Dialoog Nanotechnologie (2011). Verantwoord verder met nanotechnologie; Bevindingen maart 2009. Amsterdam

Cushen, M., J. Kerry, M. Morris, M. Cruz-Romero en E. Cummins (2012). ‘Nanotechnologies in the food industry – recent developments, risks and regulation’. Trends in Food Science & Technology 24: 30-46

Fischer, A. R. H., H. van Dijk, , J. de Jonge, G. Rowe en L. J. Frewer (2012) ‘Attitudes and attitudinal ambivalence change towards nanotechnology applied to food production’. Public Understanding of Science, 22: 817–31

EC (Europese Commissie) (2010). Milk: three Member States face levies worth € 19 million for exceeding milk quota. Persbericht 29 oktober; Via website: http://europa.eu/rapid/press-release_IP-10-1454_en.htm

EC (2012a). Second Regulatory Review on Nanomaterials. Brussel, Communication from the Commission to the European Parliament, The Council and the European Economic and Social Committee, 3.10.2012

EC (2012b). Types and uses of nanomaterials, including safety aspects. Brussel, Commission Staff Working Paper Accompanying the Communication from the Commission to the European Parliament, The Council and the European Economic and Social Committee on. Second Regulatory Review on Nanomaterials Second Regulatory Review on Nanomaterials, 3.10.2012

EC (2013a). Voornaamste elementen van de hervorming van het GLB. Brussel, Memo/13/621, 26 juni

EC (2013b). Hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB): politiek akkoord over de laatste resterende punten. Brussel, Persbericht, 24 september

EC (2013c). Options for Strengthening Responsible Research and Innovation. Brussel, Directorate-General for Research and Innovation in Society, European Commission, Report of the Expert Group on the State of Art in Europe on Responsible Research and Innovation


EC (2014a). Eight Member States exceeded their 2013/14 milk quota. Persbericht 3 oktober; Via website: http://europa.eu/rapid/press-release_IP-14-1086_en.htm


EC (2014b). 7th financial report from the Commission to the European Parliament and the Council on the European Agricultural Guarantee Fund; 2013 Financial Year. Brussel, COM(2014) 561 final, 10 september

EC (2015a). The CAP towards 2020; Implementation of the new system of direct payments; MS notifications. Brussel, DG Agriculture and rural development; Via website: http://ec.europa.eu/agriculture/direct-support/direct-payments/docs/implementation-ms-notifications-slides_en.pdf

EC (2015b). The CAP towards 2020; Implementation of Rural Development Policy; State of Play of RDPs. Brussel, DG Agriculture and rural development; Via website: http://ec.europa.eu/agriculture/rural-development-2014-2020/country-files/common/implementation-state-of-play_en.pdf

EC (2015c). Rural development 2014-2020: Country files. Brussel, DG Agriculture and rural development; Via website: http://ec.europa.eu/agriculture/rural-development-2014-2020/country-files/index_en.htm

EZ (2014a). Geannoteerde agenda extra Landbouw- en Visserijraad naar aanleiding van boycot Rusland. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/14139800, 26 augustus

EZ (2014b). Verslag extra Landbouw- en Visserijraad 5 september 2014. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/14147415, 15 september

EZ (2014c). Feitenrelaas buitengewone steunmaatregelen groenten en fruit. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/14162433, 7 oktober

EZ (2014d). Verslag Landbouw- en Visserijraad 15-16 december 2014. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/14205789, 19 december

EZ (2014e). Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Tweede Kamer vergaderjaar 2013-2014, 28 625, nr. 194, 5 juni

EZ (2014f). Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Tweede Kamer vergaderjaar 2013-2014, 28 625, nr. 216, 29 juli

EZ (2015a). Verslag Landbouw- en Visserijraad 16 maart 2015. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro en Natuur, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/15036875, 20 maart

EZ (2015b). Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 20 april 2015. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro en Natuur, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/15044855, 10 april

EZ (2015c). Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 16 maart 2015. Den Haag, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, Directoraat-generaal Agro en Natuur, Directie Europees Landbouwbeleid en Voedselzekerheid, DGA-ELV/15027504, 6 maart

Frewer, L. en A. Fischer (2010). Nanotechnology in foods: Understanding public response to its risks and benefits. In: K.L. Kjølberg en F. Wickson (red.), Nano meets macro. Social perspectives on nanoscale sciences and technologies. Singapore, Pan Stanford, p. 225-243

Jongeneel, R. en S. van Berkum (2015). What will happen after the EU dairy quota system expires in 2015? An assessment of the Dutch dairy sector. Den Haag, LEI-rapport 2015-041

Laperre, R., H. Snijders en H. Silvis (2013). Landbouw- en inkomensbeleid. In: Meester, G., P. Berkhout en L. Dries (red.), EU-beleid voor landbouw, voedsel en groen; Van politiek naar praktijk; Wageningen, Wageningen Academic Publishers

LEI (2014). Dossier FAQ boycot Rusland. Via website: http://www.wageningenur.nl/nl/Dossiers/dossier/Dossier-boycot-Rusland.htm

LTO Nederland (2014). Importstop Rusland kost groente- en fruitsector één miljard euro; 30 Procent Russische import van Nederlandse handelsbedrijven. 15 augustus 2014; Via website: http://www.lto.nl/actueel/Nieuws/10849684/Importstop-Rusland-kost-groente-en-fruitsector-een-miljard-euro

NOS (2014). EU krijgt verdachte claims tuinders. 10 september; Via website: http://nos.nl/artikel/696834-eu-krijgt-verdachte-claims-tuinders.html

Ronteltap, A., van R. Veggel, J. Voordouw, A. Fischer en D. Stijnen (2012). Consumentenperceptie van nanotechnologieën in voedsel en landbouw: een verdieping richting communicatie. Wageningen, Wageningen UR Food and Biobased Research

Stijnen, D., R. van Veggel, A. Fischer en A. Ronteltap (2011). Consumentenperceptie van nanotechnologieën in voedsel en landbouw: een eerste verkenning. Wageningen, Wageningen UR Food and Biobased Research

Zevenbergen, J. (2014). Biodiversiteits+label is vooral een verdienmodel. Via website: http://www.toekomstglb.nl/biodiversiteit-label-is-vooral-verdienmodel-1269.html