De land- en tuinbouw in algemeen-economisch perspectief


1.1  
Algemene economie en politiek

1.1.1  Wereldeconomie

Het herstel van de wereldeconomie krijgt een flinke stimulans door de lage olieprijzen, aldus het IMF in zijn nieuwste World Economic Outlook (IMF, 2015). Deze groei zal zowel plaatsvinden in de hoog ontwikkelde economieën als in de opkomende. In de groep hoog ontwikkelde landen zijn de VS de grootste trekker (tabel 1.1). In Japan blijft de groei achter met verwachte percentages van 1,0 tot 1,2% in 2015 en 2016. In zowel de hoogontwikkelde als de opkomende economieën wordt de groei geremd door achterblijvende investeringen.

In de opkomende economieën blijft de economie groeien, hoewel in Azië en Latijns-Amerika wat minder hard dan de afgelopen jaren. In Brazilië is de economische groei tot stilstand gekomen, terwijl Rusland in een recessie is beland. De boycotacties van de westerse wereld in verband met de oorlog in Oekraïne hebben hieraan bijgedragen. Daarnaast is de Russische economie sterk afhankelijk van de olieprijs. De olieprijs is gezakt door de beslissing van de OPEC om de hogere productie van niet-OPEC-landen, waaronder de VS, niet te compenseren met een lagere productie. Dankzij de lagere olieprijs groeit de economie van ontwikkelde olie-importerende landen harder dan eerder werd verwacht. In olie-exporterende landen als Saoedi-Arabië, Rusland en de VS wordt de economische groei de komende jaren juist afgeremd.

Tabel 1.1

Ontwikkeling van het BBP-volume (in % per jaar) naar regio, 2013-2016

Gebied

2013

2014

2015(p)

2016(p)

Wereld

3,4

3,4

3,5

3,8

Hoogontwikkelde economieën

1,4

1,8

2,4

2,4

w.o. eurogebied

-0,5

0,9

1,5

1,6

Japan

1,6

-0,1

1,0

1,2

Verenigde Staten

2,2

2,4

3,1

3,1

Opkomende economieën

5,0

4,6

4,3

4,7

w.o. Rusland

1,3

0,6

-3,8

-1,1

Azië (exclusief Japan)

7,0

6,8

6,6

6,4

w.o. China

7,8

7,4

6,8

6,3

India

6,9

7,2

7,5

7,5

Latijns-Amerika

2,9

1,3

0,9

2,0

w.o. Brazilië

2,7

0,1

-1,0

1,0

Sub-Sahara Afrika

5,2

5,0

4,5

5,1

Midden-Oosten en Noord-Afrika

2,4

2,6

2.9 

3,8

Volgens het IMF zijn de macro-economische risico’s die van invloed zijn op de economische groei licht afgenomen. Zo lijken de belangrijkste risico’s van 2014, namelijk recessie en deflatie in de eurozone, geweken. Aan de andere kant zijn de financiële en geopolitieke risico’s toegenomen (Oekraïne, Midden-Oosten). Grote schommelingen in de relatieve prijzen, van wisselkoersen en de prijs van olie scheppen verliezers en winnaars. Energiebedrijven en olieproducerende landen worden geconfronteerd met zwaardere omstandigheden en hogere risico’s. Als grote wisselkoersschommelingen aanhouden, kunnen verdere financiële risico’s tot internationale spanningen leiden. Een Griekse crisis zou de financiële markten kunnen ontregelen.

1.1.2  Economie van de Europese Unie

Volgens de winterprognoses van de Europese Commissie zullen de economieën van alle lidstaten van de EU in 2015 voor het eerst sinds 2007 weer groeien. In de loop van 2015 zal de bedrijvigheid in de EU en de eurozone naar verwachting nog in een gematigd tempo toenemen, om in 2016 aan te trekken. Hoewel de groeivooruitzichten in heel Europa als gevolg van een zwak investeringsklimaat en een hoge werkloosheid nog te wensen overlaten, zijn deze op korte termijn wel verbeterd. De olieprijzen zijn sneller gedaald dan voorheen, de euro is fors in waarde gedaald en de ECB heeft een kwantitatieve verruiming aangekondigd. De economische prestaties in de EU blijven van lidstaat tot lidstaat vermoedelijk uiteenlopen. Dit komt volgens de Europese Commissie deels doordat de ene lidstaat meer vooruitgang heeft geboekt bij de schuldvermindering in de publieke sector, de particuliere sector en de bankensector dan de andere. Ook varieert het positieve effect van de lage olieprijzen op de groei naargelang de nationale energiemix. De mate waarin de uitvoer zal profiteren van de waardedaling van de euro, hangt af van de handelsoriëntatie en specialisatiepatronen van de verschillende landen. Al met al zullen de groeicijfers in 2015 volgens de ramingen per lidstaat nog sterk uiteenlopen, van 0,2% in Kroatië tot 3,5% in Ierland.

Inflatie omlaag, werkloosheid blijft hoog

De trend in de richting van een lage inflatie heeft zich voorgezet. Mede door de sterke daling van de energieprijzen is de inflatie in december in de meeste lidstaten zelfs tijdelijk omgeslagen in deflatie. Door het dempende effect van de lage grondstoffenprijzen blijft de nominale inflatie in 2015 naar verwachting gering. Vanaf medio 2015 en in 2016 zou de inflatie weer moeten aantrekken naarmate de bedrijvigheid aan kracht wint, de lonen stijgen en de onderbenutting in de economie afneemt. Voor de EU wordt gerekend op een inflatie van 0,2% in 2015 en 1,4% in 2016. Voor de eurozone zijn de ramingen -0,1% dit jaar en 1,3% in 2016. De zeer lage inflatie in het eurogebied vloeit voort uit de daling van de olieprijs. Om de inflatie in het eurogebied omhoog te brengen wordt door de ECB per maand 60 mrd. euro aan private en publieke waardepapieren aangekocht. Het doel daarvan is om in de EU een inflatie te realiseren van onder, maar nabij de 2% (CPB, 2015). De economische groei is vermoedelijk niet voldoende voor een duidelijke verbetering van de werkloosheidsituatie. In 2015 zal de werkloosheid volgens de prognoses licht teruglopen tot 9,8% in de EU en 11,2% in de eurozone.

Vooruitzichten onzeker

Over het geheel genomen is de onzekerheid waarmee de bestaande economische vooruitzichten zijn omgeven, toegenomen. De neerwaartse risico’s zijn uitgebreid, maar er hebben zich ook nieuwe gunstige factoren aangediend. De neerwaartse risico’s houden verband met geopolitieke spanningen (Oekraïne, Midden-Oosten), met de volatiliteit op de financiële markten terwijl de grote economieën divergeren op het vlak van monetair beleid, en met het niet volledig doorvoeren van structurele financieel-economische hervormingen. Een langdurige periode van zeer lage of negatieve inflatie zou ook schadelijk zijn voor de groeivooruitzichten. Daar staat tegenover dat de mondiale en de EU-groei dankzij de lage energieprijzen een krachtigere impuls zouden kunnen krijgen dan verwacht.

1.1.3  Nederlandse economie

De voor Nederland relevante wereldhandel stijgt dit jaar naar verwachting met 4,3% en volgend jaar zelfs met 4,9% (tabel 1.2). Dat is een flinke groei ten opzichte van de afgelopen vier jaren toen de relevante wereldhandel gemiddeld met 2,2% groeide. De stijging van de wereldhandel hangt samen met de stijging van de dollarkoers en de depreciatie van de euro en de yen met 2 en 8% eind 2014 (IMF, 2015). Het herstel van de mondiale economie lijkt onder invloed van de lage energieprijzen wat aan kracht te winnen. In combinatie met de daling van de euro ten opzichte van de dollar, is dit herstel gunstig voor de Nederlandse economie. Naar verwachting groeit de Nederlandse economie dit jaar met 1,7% en volgend jaar met 1,8% (tabel 1.3).

Tabel 1.2

Kerngegevens wereldmarkt, 2013-2016

2013

2014

2015(p)

2016(p)

Mutaties per jaar in %

Wereldhandelsvolume goederen

2,9

3,0

4,9

5,4

Relevante wereldhandel voor Nederland

2,5

2,4

4,3

4,9

Wereldhandelsprijs (in euro), gemiddeld

-5,3

-1,6

12,5

2,7

Prijs grondstoffen, exclusief energie

-8,4

-4,1

1,9

0,0

Voedings- en genotmiddelen

-13,9

-2,9

2,5

0,0

Industriële grondstoffen van agrarische oorsprong

-1,4

-0,9

3,8

0,1

Niveaus

Eurokoers (dollar per euro)

1,33

1,33

1,13

1,13

Ruwe olieprijs (Brent, US dollar per vat)

108,7

99,0

53,4

62,1

Lange rente Duitsland (%)

1,6

1,2

0,3

0,3

Korte rente eurogebied (%)

0,2

0,2

0,0

0,0

Korte rente Verenigde Staten (%)

0,3

0,2

0,4

1,1

De uitvoer, consumptie en investeringen dragen alle bij aan het herstel van de financiële crisis. Net als in voorgaande jaren is daarbij de uitvoer, met een jaarlijkse toename van ruim 5%, de belangrijkste motor (CPB, 2015). De sterk verbeterde prijsconcurrentie in 2015 is de grote stimulans achter de stijging van de uitvoer. Na jaren van dalende consumptie neemt deze in 2015 en 2016 naar verwachting weer toe met 1,5-1,7%. In 2015 is sprake van deflatie door de lage invoerprijzen voor energie. Door de aantrekkende economie is de verwachting dat de inflatie in 2016 uit zal komen op 0,9%. Volgens de prognose stijgt de werkgelegenheid, zodat de werkloosheid tussen 2014 en 2016 afneemt van 7,4% naar 7,0%. Het overheidstekort daalt volgens de prognose naar 1,8% bbp dit jaar en 1,2% bbp volgend jaar.

Tabel 1.3

Kerngegevens voor Nederland, 2013-2016

2013

2014

2015(p)

2016(p)

Volume bestedingen en buitenlandse handel (mutaties per jaar in %)

Bruto binnenlands product

-0,7

0,8

1,7

1,8

Consumptie huishoudens

-1,6

0,1

1,5

1,7

Consumptie overheid

-0,3

-0,1

0,2

0,1

Investeringen (incl. voorraden)

-5,3

1,5

3,8

4,5

Uitvoer goederen en diensten

2,0

4,0

4,6

4,8

Invoer van goederen en diensten

0,8

3,8

4,9

5,3

Prijzen (mutaties per jaar in %)

Inflatie, geharmoniseerde consumentenprijsindex (hicp)

2,6

0,3

-0,1

0,9

Contractloon marktsector

1,2

1,1

1,1

1,4

Uitvoerprijs goederen en diensten, exclusief energie

0,3

-0,2

1,3

1,3

Arbeidsmarkt

Beroepsbevolking (mutatie per jaar in %)

0,8

-0,5

0,9

0,9

Werkloze beroepsbevolking (in duizend personen)

647

656

645

635

Werkloze beroepsbevolking (in % beroepsbevolking)

7,3

7,4

7,2

7,0

Collectieve sector (niveau in % bbp)

Collectieve lasten

37,2

37,9

37,6

38,1

EMU-saldo collectieve sector

-2,3

-2,6

-1,8

-1,2

EMU-schuld collectieve sector (ultimo jaar)

68,6

69,0

68,8

67,8

1.1.4  Organisaties in de Nederlandse agrarische sector

De Wet opheffing bedrijfslichamen is ingegaan per 1 januari 2015. Per 1 januari 2014 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van het ministerie van Economische Zaken al medebewindstaken van de bedrijfslichamen overgenomen en zijn de activiteiten van de product- en bedrijfschappen grotendeels stilgelegd of overgedragen aan private partijen. Het agrarische bedrijfsleven heeft ingespeeld op de mogelijkheden van alternatieve organisatievormen.

In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is het mogelijk om samenwerkingsverbanden in de landbouwsector te vormen en deze van overheidswege te laten erkennen (Verordening (EU) nr. 1308/2013). In de nationale regelgeving van de lidstaten kunnen binnen de grenzen van deze verordening nadere regels worden gesteld.

Er worden drie vormen onderscheiden:

Een producentenorganisatie (PO) is een samenwerkingsverband van producenten in de landbouwsector met als doel de positie van deze producenten in de voedselketen te versterken. Producentenorganisaties zijn toegestaan zolang de doelstellingen vooral zijn gericht op de kwaliteit en kwantiteit van het productaanbod, de stabilisering van de prijzen en de kennis van de markt. Alleen producenten van primaire landbouwproducten kunnen een PO oprichten;

Meerdere erkende PO’s kunnen het initiatief nemen om samen te werken in een Unie van PO’s (UPO) en hiervoor een erkenning aan te vragen. UPO’s kunnen dezelfde activiteiten en taken uitvoeren als PO’s;

Een brancheorganisatie (BO) is een samenwerkingsverband van producenten in de landbouwsector en vertegenwoordigers van andere schakels verderop in de agrofoodketen, bijvoorbeeld verwerkers en distributeurs. Brancheorganisaties zijn toegestaan zolang de activiteiten zijn gericht op (onder andere) het verbeteren van de kennis van en het inzicht in de markt, bijdragen tot een betere coördinatie en het beter benutten van het potentieel.

Deze samenwerkingsverbanden waren al mogelijk in de sector groenten en fruit en in de sector melk en zuivelproducten. Met ingang van 1 januari 2014 kunnen dergelijke samenwerkingsverbanden in alle landbouwsectoren worden opgericht. Een bijzonder kenmerk van een erkende PO is dat deze bij de minister een Verbindend Verklaring (VV) van bepaalde voorschriften kan aanvragen. Mits goedgekeurd, worden de niet aangesloten producenten of marktdeelnemers aan bepaalde voorschriften van een erkende organisatie gebonden. Dat middel vertoont overeenkomsten met de verordeningen van de bedrijfslichamen.

Op grond van de Nederlandse Regeling producenten- en brancheorganisaties hebben in 2014 negen organisaties een aanvraag voor erkenning ingediend, waarvan één organisatie als producentenorganisatie en de overige acht als brancheorganisatie. Van die acht heeft één organisatie de aanvraag ingetrokken. Als producentenorganisatie is de POV (Producenten Organisatie Varkenshouderij) per 1 januari 2015 erkend.

Verder zijn per 1 januari 2015 vier brancheorganisaties erkend:

Zuivel: ZuivelNL, gevormd door LTO, NMV (Nederlandse Melkveehouders Vakbond) en NZO (Nederlandse Zuivel Organisatie);

Eieren: Stichting OVONED, gevormd door LTO, NOP (Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders), NVP (Nederlandse Vakbond Pluimveehouders) en ANEVEI (Algemene Nederlandse Vereniging van Eierhandelaren);

Pluimveevlees: Stichting PLUIMNED, gevormd door LTO, NOP, NVP en NEPLUVI (Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie);

Kalveren: Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK), gevormd door LTO, Nevedi en COV (Centrale Organisatie voor de Vleessector).

Aanvankelijk streefde de akkerbouwsector naar erkenning van de overkoepelende Brancheorganisatie Akkerbouw. Omdat deze niet aan voorwaarden voor erkenning kon voldoen, hebben de leden van de overkoepelende organisatie drie aparte organisaties gevormd. Deze brancheorganisaties zijn in februari 2015 erkend:

Brancheorganisatie Granen;

Brancheorganisatie Suiker;

Brancheorganisatie Aardappelen & overige producten.

De organisaties streven doelen na die in de Europese verordening zijn opgenomen en die de positie van primaire producenten moeten versterken. De erkenning is geldig tot en met 31 december 2020.

Stichting AVINED heeft de aanvraag voor erkenning ingetrokken omdat bleek dat de vertegenwoordiging van twee specifieke sectoren, de sector eieren en de pluimveevleessector, niet past bij de Europese voorwaarden voor erkenning. AVINED heeft besloten om OVONED en PLUIMNED te ondersteunen en als platform te fungeren voor aangelegenheden die zowel de pluimveevleessector als de sector eieren aangaan.

Voor de PO’s in de sector groenten en fruit, die al langer bestaan, wijken de regels sterk af van die van de overige sectoren. Zo gelden zwaardere erkenningseisen omdat PO’s in deze sector in aanmerking kunnen komen voor Europese subsidieregelingen. Het ministerie van Economische Zaken is belast met de erkenning van PO’s, UPO’s, BO’s en het Verbindend Verklaren van voorschriften (VV’s). RVO voert deze taken (deels) voor het ministerie uit.

1.1.5  Strategisch plan Wageningen UR

Meer in gesprek met de samenleving, onderwijs dat past bij levenslang leren, en meer samenhang tussen universiteit en onderzoeksinstituten. Dit zijn enkele kernpunten uit het nieuwe strategisch plan van Wageningen UR. Minister Kamp van Economische Zaken heeft het Strategisch Plan 2015-2018 in mei 2015 goedgekeurd. Met het strategisch plan wil Wageningen UR bijdragen aan oplossingen voor mondiale en maatschappelijke vraagstukken als voldoende en veilig voedsel, klimaatverandering, ontwikkeling van een circulaire economie, versterking van natuur en biodiversiteit en vermindering van armoede, en haar internationale positie verstevigen.

Het onderzoek wil Wageningen UR op vijf terreinen versterken: gezondheid voor mens, dier en plant; duurzamer en efficiënter systemen voor productie en consumptie; onderzoek naar veerkracht van ecosystemen en economische en sociale systemen; oplossingen voor kwaliteit van leven in metropolen; en synthetische biologie ofwel het ontwikkelen van nieuwe biologische systemen. In deze thema’s moet de geïntegreerde benadering met de combinatie van wetenschap en toepassing tot zijn recht komen.

Wageningen UR wil meer in gesprek gaan met de samenleving. Door het inbrengen van kennis wil Wageningen een brug vormen tussen bedrijven, overheden en burgers, en richting helpen geven aan maatschappelijke ontwikkelingen. Om waardecreatie en innovatie te bevorderen maakt Wageningen UR kennis, apparatuur en onderzoeksfaciliteiten makkelijker toegankelijk voor het MKB en voor R&D-afdelingen van bedrijven en andere kennisintensieve organisaties in binnen- en buitenland. Verder investeert Wageningen UR in samenwerking met partners van lokaal tot mondiaal niveau.

Nederland - het productieland voorbij?

Met de in augustus 2014 door Rusland ingestelde boycot voor de import van EU-producten is geopolitiek weer terug op de politieke agenda. De Nederlandse agrosector is sterk gericht op export. Vanwege de overheersende kostprijsstrategie zijn de marges klein. Dalingen in de omzet als gevolg van een exportstop kunnen daardoor flink doorwerken in de bedrijfsresultaten.


Vooralsnog is circa 80% van de Nederlandse agrarische export gericht op de EU-markt. Om verschillende redenen kan de afzet naar buiten de EU toenemen. Terwijl de EU-markt steeds meer verzadigd raakt, neemt de consumptie in derde landen - met name vanwege groei van het inkomen - nog toe. Ook de voortschrijdende handelsliberalisatie maakt handel met derde landen steeds eenvoudiger; het mogelijke TTIP-akkoord bijvoorbeeld zal een impuls kunnen geven aan de handel met de Verenigde Staten, nu al de belangrijkste exportmarkt buiten de EU voor Nederlandse agroproducten (Van Berkum et al., 2014). Voortschrijdende techniek op het gebied van transport maakt het ook steeds eenvoudiger en daarmee goedkoper om producten - ook kwetsbare - te vervoeren naar verre oorden.

Daar staan ontwikkelingen tegenover die remmend kunnen werken op een verdere groei van de export. Zo is voor China - de derde afzetmarkt voor Nederlandse producten buiten de EU - zelfvoorziening op het gebied van voedsel een centraal doel in het landbouwbeleid (USDA, 2015). Intern in de EU zijn er bewegingen als de hang naar lokale productie, authenticiteit en duurzaamheid; het laatste wordt vaak geassocieerd met lokale productie, wat niet zo hoeft te zijn. In Nederland vindt met regelmaat discussie plaats over de invloed die de landbouw heeft op de omgeving en zijn er krachten in de samenleving die hieraan strengere grenzen willen stellen.

Bovenstaande overwegingen waren voor het LEI aanleiding in een Agrodebat de vraag op te werpen of Nederland het productieland voorbij is. Anders geformuleerd, moet de Nederlandse agrosector het vooral hebben van exportvolumes van eigen bodem? Of zou de agrosector zich meer dan nu al het geval is vooral moeten richten op het exporteren van kennis en de middelen om elders productiecapaciteit op te bouwen? Of gaan beide strategieën prima samen - met de Nederlandse primaire productie als innovatielaboratorium en showroom?

Over goede buren en verre vrienden

De Nederlandse export van agrarische producten naar buiten de EU (circa een vijfde van de totale agrarische export) is behoorlijk divers. De grootste afzetmarkten zijn de VS, China, Rusland en het Midden-Oosten, met aandelen tussen de 1,5 en 2% van de totale agrarische export. Over de export van productiemiddelen zijn minder gedetailleerde cijfers beschikbaar. In totaal werd er in 2013 voor 3,1 mrd. euro aan productiemiddelen geëxporteerd, waarvan zo’n 55% binnen de EU werd afgezet en zo’n 45% daarbuiten. Het gaat dan om machines, onderdelen voor kassen et cetera. De export van zaaizaad- en pootgoed - goed voor naar schatting zo’n 1,5 mrd. euro - zit overigens inbegrepen bij de export van producten en gaat voor ongeveer 50% naar de EU en daar buiten.

Interessanter dan de exportwaarde is natuurlijk wat eraan wordt verdiend. De uitspraak dat Nederland de 2e exporteur is van de wereld zegt uiteindelijk weinig over de toegevoegde waarde. Op basis van input-outputtabellen weten we dat per euro netto toegevoegde waarde (NTW) in de agrosector 70 cent is te danken aan de export. Uit diezelfde input-outputanalyse komt naar voren dat circa een kwart van de NTW is toe te schrijven aan de verwerking van buitenlandse grondstoffen, die ook meer oplevert dan de verwaarding van binnenlandse grondstoffen. In 2012 scheelde het 20.000 euro per arbeidskracht; anders gezegd, een eenheid arbeid ingezet in het deel van het agrocomplex dat draait op buitenlandse grondstoffen leverde 20.000 euro meer op dan een eenheid arbeid ingezet in het deel van het agrocomplex dat draait op binnenlandse grondstoffen. Het verschil wordt voor een belangrijk deel verklaard door de lagere toegevoegde waarde die de primaire sector genereert; neem je deze schakel niet mee in de berekening van de toegevoegde waarde, dan daalt het verschil naar circa 10.000 euro.

Showroom Nederland?

Wat betekent voorgaande? Allereerst dat de exportstromen naar niet-EU-landen gering zijn in verhouding tot de uitvoer naar de EU. Het effect van een boycot moet daarom - op het niveau van de totale Nederlandse agrarische export - niet overdreven worden. Op productniveau kunnen de gevolgen echter wél groot zijn, zoals bleek bij de Russische boycot (zie hoofdstuk 2.3.1). Ook blijkt de

exportwaarde van productiemiddelen slechts een fractie te zijn van de exportwaarde van agroproducten. Omzetcijfers zeggen echter niets over wat er aan wordt verdiend.

Als we kijken naar hoe het inkomen in de Nederlandse agrosector wordt verdiend, dan blijkt de verwaarding van binnenlandse grondstoffen het grootste aandeel te leveren (circa twee derde ) van de bijdrage die de agrosector levert aan de nationale toegevoegde waarde (in totaal 8,3%, zie tabel 3.1). De groei zit echter in de verwaarding van buitenlandse grondstoffen, waar per ingezette arbeidskracht de NTW ook hoger is. Ook wordt aan de export van kennisintensieve uitgangsmaterialen en machines meer verdiend dan aan de export van primaire producten. Een verdere verschuiving naar de export van kennisintensieve productiemiddelen kan zo gezien worden als een gunstige ontwikkeling, een strategie die al wordt toegepast door de Nederlandse topsectoren.

De toeleverende en verwerkende schakels in het agrocomplex hangen (ten dele) onlosmakelijk samen met de primaire productie in Nederland. Het omgekeerde geldt overigens eveneens. Daarnaast speelt de primaire sector in Nederland een niet te onderschatten rol van belang als aanjager van innovaties; door de nabijheid van de primaire sector, kunnen product(ontwikkelingen) worden getest op primaire bedrijven. Enige kritische omvang van de primaire sector is daarbij noodzakelijk, maar deze omvang is moeilijk te kwantificeren (Berkhout et al., 2015).

Kortom, terugkomend op de vraag waarmee het begon - moet de Nederlandse agrosector zich vooral richten op export van producten of op het exporteren van kennis en productiemiddelen - is het antwoord niet of-of, maar en-en. Mogelijk dat op termijn primaire productie in Nederland die geen innovatiefunctie heeft voor de export van uitgangsmateriaal of machines, zijn functie verliest in de Nederlandse economie. En misschien wordt het ook tijd om Europa als thuismarkt te gaan zien. Producten die in Nederland minder toegevoegde waarde hebben, kunnen op de langere termijn wellicht elders binnen de EU rendabeler worden geproduceerd, bij voorkeur onder Nederlandse regie met Nederlands uitgangsmateriaal en Nederlandse kennis. De toenemende ICT-mogelijkheden zullen dit soort ontwikkelingen kunnen bevorderen, omdat regie op afstand van productie en processen steeds eenvoudiger wordt.

1.2  Productie, verbruik en prijzen

1.2.1  Algemeen

De reële FAO voedselprijsindex is in april 2015 uitgekomen op 128 punten, een afname van meer dan 30 punten (20%) ten opzichte van de overeenkomstige periode in 2014 (figuur 1.1). De voedselprijsindex staat hiermee op het laagste niveau sinds mei 2009. Van de sub-indexen zijn die voor suiker en zuivel het meest gedaald, gevolgd door granen en oliezaden. De vleesprijs liep nog op tot in augustus 2014, maar is daarna ook sterk gezakt. De dalingen houden verband met de waardestijging van de Amerikaanse dollar, maar ook met relatief hoge producties. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de wereldmarkten voor akkerbouwproducten, zuivel en vlees.

1.2.2  Akkerbouwproducten

Granen

De wereldmarkt voor granen is in 2014/15 geraamd op bijna 14% van de wereldproductie. Voor tarwe ligt dit aandeel met meer dan 20% duidelijk hoger, en voor rijst met minder dan 10% duidelijk lager dan het gemiddelde voor granen. Hoewel een daling van de tarweproductie in 2015 is geraamd, zijn de wereldvoorraden op hoog niveau dankzij de recordoogsten van de twee voorgaande jaren. Gekoppeld aan een minder sterke groei in de vraag naar voedertarwe, worden voor het seizoen 2015/16 vrij stabiele marktomstandigheden verwacht. Voor voergranen (vooral mais) wordt een scherpere daling van de productie voorzien dan voor tarwe, maar ook hier is sprake van hoge voorraden zodat geen aanbodproblemen worden verwacht. Voor rijst is een verdere groei van de handel voorspeld (tabel 1.4).

Oliezaden

De oliezadenmarkt is nog internationaler dan de tarwemarkt. In 2014/15 werd bijna 37% van de productie verhandeld in de vorm van olie en sojameel. De recordoogsten van sojabonen hebben tot een ruime beschikbaarheid van deze grondstoffen geleid. In combinatie met een naar verwachting geringe vraag lopen de voorraden sterk op. Als gevolg hiervan staan de prijzen van oliën en veekoeken onder grote druk.

Suiker

Ook de suikermarkt kent een internationaal karakter. In 2014/15 bedraagt de internationale handel in suiker naar verwachting meer dan 30% van de wereldproductie. De suikerproductie is de laatste jaren voortdurend gestegen. Doordat deze groter is dan het verwachte verbruik wordt een verdere toename van de wereldvoorraden verwacht. Medio 2015 is de suikerprijs gedaald tot het niveau van begin 2009.

Tabel 1.4

Kengetallen van de wereldmarkt voor akkerbouwproducten, 2013/14 - 2015/16

2013/14

2014/15(v)

2015/16(p)

% verandering 2015/16-2014/15

Productie (mln. ton)

Totaal granen

2.526 ,1

2.548 ,3

2.509 ,2

-1,5

w.v. tarwe

717,2

729,5

719,1

-1,4

voedergranen

1.312 ,3

1.324 ,4

1.290 ,0

-2,6

rijst

496,6

494,4

500,1

1,2

Oliezaden

482,9

513,0

542,3

5,7

Suiker (ruw)

182,3

180,6

181,0

0,2

Handel (mln. ton)

Totaal granen

357,8

351,4

394,4

-0,6

w.v. tarwe

156,7

153,0

151,0

-1,3

voedergranen

158,7

157,0

156,0

-0,6

rijst

42,4

41,4

42,4

2,4

Oliezaden

175,5

188,6

193,2

2,4

Suiker (ruw)

54,7

55,4

55,3

-0,2

Prijzen (2002-2004=100), nominaal

Granen

219

192

172

-15,0

w.v. tarwe

194

181

157

-16,9

voedergranen

246

183

165

-18,3

rijst

233

235

220

-6,3

Oliezaden

207

184

154

-24,5

Suiker (ISA)

251

241

199

-17,1


1.2.3  
Zuivel

In relatieve termen komt de internationale handel in zuivelproducten overeen met de rijstmarkt: minder dan 10% van de wereldproductie wordt internationaal verhandeld. De wereldmarkt is dus van een beperktere omvang dan bij granen en oliezaden. De melkproductie zal in 2015 naar verwachting met 2% groeien ten opzichte van 2014, een vergelijkbare toename als in voorgaande jaren (tabel 1.5). Hiermee komt de productie op ruim 804 mln. ton. Azië neemt het grootste deel van de productieverhoging voor zijn rekening, maar de productie loopt in alle regio’s op.

Tabel 1.5

Kengetallen van de wereldzuivelmarkt, 2013-2015

2013

2014

2015 (v)

% verandering 2015-2014

Productie (mln. ton)

Melk

765,1

788,5

804,5

2,0

Handel (mln. ton)

Zuivelproducten

68,3

72,2

74,1

2,7

Idem, in % van de productie

8,9

9,2

9,2

0,6

Prijzen (2002-2004=100), nominaal

Zuivel

243

224

178

-32,9 a

In 2014 begon de FAO zuivelprijsindex op een historisch hoogtepunt, maar deze is daarna voortdurend gedaald. In april 2015 bedroeg die minder dan 173 punten, een niveau dat voor het laatst in 2009 is genoteerd. De noteringen van alle zuivelproducten zijn gekelderd. De daling weerspiegelt zowel overvloedige exportbeschikbaarheid als verminderde groei van de importbehoefte.

De wereldhandel in zuivelproducten wordt voor 2015 geraamd op 74 mln. ton melkequivalent, 2,7% meer dan in 2014. De belangrijkste exporteurs zijn Nieuw-Zeeland en de EU, die samen iets meer dan 50% van de handel voor hun rekening nemen. Voor beide wordt een hogere afzet verwacht. Ook de afzet van de Verenigde Staten neemt verder toe, bovenop de forse groei die in 2013 is gerealiseerd. Azië zal naar verwachting het belangrijkste afzetgebied blijven voor de internationale handel, met verhoogde aankopen door China, Indonesië, Maleisië en Thailand. Ook Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Japan, de Filippijnen en Singapore blijven belangrijke afzetmarkten; hier wordt geen groei voorzien en in sommige gevallen zelfs een daling. De lagere prijzen zijn een stimulans voor de afzet in Afrika. Algerije, Egypte en Ghana zijn de belangrijkste importeurs, hun vraag groeit. Daartegenover staat een lagere afzet in de Russische Federatie als gevolg van de economische recessie.

1.2.4  Vlees

De wereldvleesproductie groeit in 2015 naar verwachting met 1,3%, vooral door varkens- en pluimveevlees (tabel 1.6). De uitbreiding is geconcentreerd in de ontwikkelingslanden, waar de consumptie ook het meeste toeneemt. De internationale handel groeit naar verwachting 1,7%, maar blijft onder de 10% van de mondiale vleesproductie. Hierbij moet worden aangetekend dat de aandelen voor rundvlees (14%) en pluimveevlees (12%) duidelijk hoger liggen en het aandeel voor varkensvlees (6%) veel lager.

Tabel 1.6

Kengetallen van de wereldvleesmarkt, 2013-2015

2013

2014

2015(v)

% verandering 2015-2014

Productie (mln. ton)

Totaal

311,1

314,7

318,7

1,3

Rundvlees

67,8

67,8

67,9

0,2

Pluimveevlees

108,6

110,2

111,8

1,4

Varkensvlees

115,0

117,2

119,4

1,9

Schapen- en geitenvlees

13,9

13,9

14,0

0,8

Handel (mln. ton)

Totaal handel

29,7

30,6

31,2

1,7

Rundvlees

8,9

9,6

9,8

1,9

Pluimveevlees

12,5

12,7

13,1

2,6

Varkensvlees

7,1

7,0

7,1

1,6

Schapen- en geitenvlees

1,0

1,0

0,9

-8,5

Prijzen (2002-2004=100)

Vlees

184

198

178

-3,6

De ramingen voor de handel van de verschillende soorten vlees lopen uiteen; naar verwachting zal de handel in rundvlees, varkensvlees en pluimvee aantrekken, en de handel in schapenvlees afnemen. Pluimvee blijft het voornaamste product met 42% van de totale handel, gevolgd door respectievelijk rundvlees, varkensvlees en schapenvlees.

De wereldmarktprijzen zijn in 2014 hoog opgelopen, zeker in vergelijking met voorgaande jaren. De FAO vleesprijsindex schommelde tot april 2014 rond 185 punten, waarna een opwaartse ontwikkeling volgde tot 208 punten in september. Daarna zijn de prijzen echter voor alle categorieën flink gedaald, om pas in april 2015 weer iets te herstellen.

1.3  Handel en handelsbeleid

1.3.1  Agrarische handel

Op de wereldmarkt van agrarische producten en voedingsmiddelen is Azië in het afgelopen decennium de belangrijkste regio geworden (figuur 1.2). Het gaat dan zowel om de invoer als de uitvoer. Terwijl Azië het grootste importsaldo heeft, is Latijns-Amerika de belangrijkste netto-exporteur. Vooral de EU (exclusief intrahandel) en de NAFTA (de Noord-Amerikaanse vrijhandelszone) hebben hun aandelen in de agrarische wereldhandel zien dalen. Qua import- en exportwaarde liggen de beide blokken overigens minder ver uit elkaar dan tien jaar geleden.

De landen met de grootste export van agrarische producten zijn de Verenigde Staten, Nederland, Duitsland, Brazilië en Frankrijk. Duitsland is een grote exporteur, maar een nog grotere importeur van agrarische producten. De andere vier landen zijn allemaal netto-exporteur (grotere exportwaarde dan importwaarde). In 2012/13 waren er maar twee landen met een grotere netto-export van agrarische producten dan Nederland, namelijk Brazilië en Argentinië. De agrarische import van deze landen is slechts een fractie van de exportwaarde van landbouwproducten. Waar Brazilië en Argentinië de groeiers zijn op exportgebied, zijn Japan en China dat op importgebied.

Agrarische handel van de EU

De agrarische handel van de EU is voor het overgrote deel intrahandel. Ongeveer een kwart is handel met derde landen. In de totale handel met derde landen schommelde het aandeel van agrarische producten rond de 7,5% in de periode 2009-2013. Dit aandeel geldt zowel voor de invoer- als de uitvoer.

De agrarische in- en uitvoer van de EU met derde landen is weergegeven in tabel 1.7, uitgesplitst naar productcategorieën. Hieruit blijkt dat de EU een bescheiden netto-importeur is van agrarische producten. In totaal voerde de EU gemiddeld in 2012 en 2013 voor bijna 117 mrd. euro in, terwijl de gemiddelde uitvoer uitkwam op bijna 115 mrd. euro. De belangrijkste importproducten zijn vis, fruit en noten, veevoer en koffie, thee en specerijen. Aan de uitvoerkant gaat het om dranken, zuivel en vlees.

Tabel 1.7

Agrarische extrahandel (mrd. euro) van de EU, 2013 a

Import

Export

Waarde

%

Waarde

%

Totaal

116.865 

100

Totaal

114.780 

100

w.o.

w.o.

Vis

14.804 

12,7

Dranken

25.056 

21,8

Fruit, noten

14.494 

12,4

Zuivel

9.548 

8,3

Residuen (veevoer)

10.481 

9,0

Vlees

8.298 

7,2

Koffie, thee en specerijen

9.883 

8,8

Graanbereidingen

8.293 

7,2

Oliehoudende zaden

10.281 

8,8

Voedselbereidingen

7.121 

6,2

Oliën en vetten

9.135 

7,8

Granen

7.108 

6,2

Agrarische handel van Nederland

De EU heeft een aandeel van circa 80% in de Nederlandse agrarische export en bijna 60% in de agrarische import van Nederland. De totale Nederlandse goederenuitvoer (inclusief agrarische producten) en goedereninvoer bedroegen in 2014 respectievelijk 432 mrd. euro en 385 mrd. euro. De agrarische export steeg licht naar 80,7 mrd. euro (19% van de totale export), terwijl de agrarische import licht daalde naar 52,4 mrd. euro (14% van de totale import). Het agrarische handelsoverschot komt voort uit de handel met EU-landen. Met landen buiten de EU heeft Nederland een handelstekort voor agrarische producten. De in- en uitvoer zijn veelzijdig samengesteld. Enkele belangrijke producten in de invoer zijn oliehoudende zaden, vetten en oliën en veevoer. Bij de uitvoer springen sierteeltproducten en vlees eruit.

De Nederlandse agrarische handel speelt zich vooral af met de buurlanden: Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Zowel bij de invoer als bij de uitvoer is Duitsland de belangrijkste handelspartner. Van de Nederlandse agrarische export ging in 2014 bijna 26% naar Duitsland, terwijl rond de 19% van de agrarische importen uit Duitsland kwam. Bij de export naar Duitsland gaat het vooral om groenten en fruit, sierteelt, zuivelproducten, eieren en vlees. De belangrijkste producten bij de invoer uit Duitsland zijn zuivel, vlees, granen en graanbereidingen. De zuivelinvoer bestaat vooral uit onverwerkte melk, wei en mager melkpoeder. Deze producten worden gebruikt als grondstof in de voedings- en genotmiddelenindustrie.

Doorvoer en wederuitvoer als onderdeel van de Nederlandse handel in
agro-producten

Doorvoer maakt een bescheiden onderdeel uit van de totale export van Nederlandse agroproducten. In totaal is in 2013 slechts 3% van de uitvoer een product dat in Nederland is binnengekomen, op weg van het ene land (bijvoorbeeld Brazilië) naar het andere land (bijvoorbeeld Duitsland). Voor een enkele categorie is het percentage wel aanzienlijk, namelijk voor de productcategorieën Vis (15%), Fruit (11%) en Vleesproducten (13%).

Wederuitvoer is daarentegen wel een belangrijk onderdeel van de totale uitvoer van Nederland: 24% van alle export heeft een buitenlandse oorsprong en is na een kleine bewerking (wederom) bestemd voor de buitenlandse markt. Bij de ‘grote’ exportproducten (uitvoer is meer dan 2 mrd. euro) is het aandeel wederuitvoer het hoogst bij de productcategorieën Fruit (68%) en Oliezaden (61%).

1.3.2  WTO na Bali

In december 2013 werd op Bali (Indonesië) een akkoord gesloten in het kader van de Doha-onderhandelingen die al sinds 2001 lopen. De 160 WTO-leden kwamen op Bali in beginsel een regeling overeen over het aanhouden van voedselvoorraden, verbetering van markttoegang voor ontwikkelingslanden en handelsfacilitatie (WTO, 2014). De afspraken hadden echter enkele open einden die tot moeizaam verlopende vervolgonderhandelingen leidden.

De Bali-deal hield in dat de overheden van ontwikkelingslanden voedselvoorraden mogen aanhouden ter waarborging van hun voedselzekerheid, zonder dat de aankopen van voedsel tot handelsverstorende marktsteun worden gerekend. Om de kans op marktverstoring zoveel mogelijk te beperken, zou de regeling van tijdelijke aard zijn en in 2017 eindigen. Dit leidde onder meer tot grote ontevredenheid bij India. Dat land koppelde het verzet tegen de beperkte periode van een food stockholding scheme aan het tegenhouden van de overeenkomst over handelsfacilitatie - afspraken waarbij grensprocedures worden afgestemd en versoepeld. Uiteindelijk werd de impasse over de uitwerking van ‘Bali’ in november 2014 doorbroken. Dankzij de toezegging dat er een permanente regeling komt voor een food reserve scheme voor ontwikkelingslanden, stemde India in en kon de afspraak over handelsfacilitatie als onderdeel van het WTO-verdrag ter ratificering aan de leden worden voorgelegd. Met deze stap en het besluit om het werkprogramma van de Doha-ronde in juli 2015 te beëindigen, werd het nieuwe jaar ingeluid.

In 2015 doemden al snel weer nieuwe complicaties op die uitzicht op een definitieve afronding van de Doha-ronde deze zomer toch weer kunnen benemen. Voor die afronding is consensus nodig over de drie hoofddossiers: landbouw, niet-landbouw (NAMA, Non Agricultural Market Access) en diensten. In het landbouwdossier wordt gesproken over de hoogte van binnenlandse steun aan de agrarische sector, markttoegang en exportsubsidies. Het voorstel van 2008 (bekend als Rev.4) ligt nog altijd op tafel. Het is niet duidelijk hoe dat voorstel van ruim zes jaar geleden uitgangspunt moet zijn voor de verdere besprekingen. Zo willen de VS dat de grote ontwikkelingslanden (onder andere Brazilië, China, India) hun marktbescherming van en steun aan de agrarische sector sneller verminderen dan ze gezien hun status van ontwikkelingsland volgens het voorstel van 2008 zouden hoeven doen. Het argument is dat deze landen een steeds grotere rol spelen op de wereldmarkten voor agrarische producten en daarom een bijdrage zouden moeten leveren aan de onderhandelingen. China lijkt echter niet bereid te zijn tot verdere stappen dan volgens het voorstel van 2008. Het land wil zijn landbouwsector juist verder moderniseren met financiële steun van de overheid (Bridges Weekly, 2015).

1.3.3  Bilaterale handelsbesprekingen en -overeenkomsten

Naast de inzet in WTO-verband streeft de EU via bilaterale onderhandelingen naar betere toegang tot internationale markten. Met Canada werd in september 2014 een Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) gesloten, dat nu nog wacht op ratificering door de EU-lidstaten. Dankzij de verruiming van importquota zal de EU naar verwachting meer zuivel (kaas) exporteren naar en meer vlees importeren uit Canada (Development Solutions, 2011).

De besprekingen met de VS over een Transatlantic Tade and Investment Partnership (TTIP), dat in februari 2015 al de 8ste onderhandelingsronde kende, hebben nog niet geleid tot concrete resultaten. Er zijn diverse studies die, op basis van aannames over hoe het akkoord eruit zal zien, een inschatting geven van de mogelijke effecten voor de twee grootste economieën van de wereld (onder andere ECORYS, 2009; CEPR, 2013) en meer specifiek voor de agrarische sector (onder andere Bureau et al., 2014; Van Berkum et al., 2014). Rode draad van de studies is dat de (speculatieve) welvaarts­effecten voor beide partijen positief zijn, ook voor de Europese agro-industrie (zie ook Berkhout et al., 2014).

Consumentenorganisaties zijn bezorgd over de mogelijke gevolgen voor voedselveiligheid, milieu en dierenwelzijn, verwijzend naar de Amerikaanse regels ten aanzien van het gebruik van groeihormonen, vleesontsmettingsmiddelen en genetisch gemodificeerde gewassen. De Europese Commissie stelt echter dat niet wordt ingestemd met de Amerikaanse standaarden. Het Nederlandse kabinet heeft dit in een brief aan de Tweede Kamer bevestigd (BZ, 2015).

Daarnaast is de procedure voor geschillenbeslechting tussen investeerders en overheden (Investor to State Dispute Settlement) dat onderdeel van het partnerschap zou moeten worden, onderwerp van een intensief debat in Europa. De zorg is dat nationale rechtssystemen omzeild kunnen worden door multinationale ondernemingen, als beleid op bijvoorbeeld het gebied van milieu of gezondheid ingaat tegen hun investeringsbelangen. Die zorg zou weggenomen kunnen worden door af te spreken dat bedrijven alleen overheden kunnen aanklagen als die het handelsakkoord niet nakomen. De reikwijdte van een ISDS is dan niet breder dan het handelsakkoord: staat in het handelsakkoord dat de milieuwetgeving van de EU gerespecteerd moet worden, dan kan een buitenlands bedrijf op dat punt het rechtssysteem niet ondermijnen door een ISDS-procedure te starten.

Sinds maart 2013 lopen ook onderhandelingen met Japan over een vrijhandelsakkoord. In april 2015 is een 10e bijeenkomst voorzien. De Europese Commissie verwacht dat de Europese landbouw en voedingsmiddelenindustrie baat zullen hebben bij een betere toegang tot de Japanse markt. De huidige tarieven, transportkosten en non-tarifaire maatregelen (onder andere sanitaire en veterinaire eisen) belemmeren de Europese export naar Japan sterk (EC, 2012).

Begin 2014 leek het erop dat de EU de onderhandelingen met Mercosur (Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay) weer zou oppakken, nadat deze in 2004 en 2012 waren vastgelopen. Van een werkelijke herstart is echter nog geen sprake, laat staan van een uitwisseling van voorstellen. Export naar Brazilië en Argentinië gaat vaak gepaard met hoge kosten, die voortkomen uit verschillen in non-tarifaire maatregelen (bijvoorbeeld procedures om plantziekterisico’s te voorkomen, of etiketteringseisen). Indien een handelsakkoord die kosten terugdringt, biedt dat de Nederlandse voedingstuinbouw en zuivelsector kansen (Van Berkum, 2015). Een verruiming van de toegang tot de EU-markt zou betekenen dat de Nederlandse vleessector door het aanbod van rund- en pluimveevlees uit Mercosur meer concurrentie krijgt op haar belangrijkste afzetmarkten (Van Horne en Bondt, 2014).

Met ASEAN landen en India ligt het onderhandelingsproces vrijwel stil. In haar strategie wat betreft handelsrelaties lijkt de EU prioriteit te geven aan de onderhandelingen met de Amerikanen over TTIP.

Literatuur

Berkhout, P., H.J. Silvis en I.J. Terluin (red.) (2014). Landbouw-Economisch Bericht 2014. LEI Wageningen UR, LEI-rapport 2014-013. Den Haag

Berkhout, Petra, Marcel van Asseldonk, Jan Benninga, Lan Gé, Robert Hoste, Bert Smit

(2015). De kracht van het agrocluster. Het belang van de primaire landbouw voor het totale agrocomplex. LEI Wageningen UR, LEI Report 2015-032. Den Haag

Berkum, S. van, M. Rutten, J.H. Wijnands and D. Verhoog (2014). Effects of an EU-US trade agreement on the Dutch agro-food sector. LEI Wageningen UR, LEI Report 2014-021. Den Haag

Berkum, S. van (2015). Prospects of an EU-Mercosur trade agreement for the Dutch agro-food sector. LEI Wageningen UR. LEI-report 2015-036. Den Haag

Bridges Weekly (2015). WTO Chief Urges Members to Focus on Solutions as July Deadline Looms. Volume 19, Issue 7, 26 February 2015, pp. 7-10


Bureau, J.C., A.C. Disdier, C. Emlinger, J. Fouré and S. Jean (2014). Risks and opportunities for the EU agri-food sector in a possible EU-US trade agreement. Study for the European Parliament’s Committee on Agriculture and Rural Development. http://www.europarl.europa.eu/studies.

BZ (Ministerie van Buitenlandse Zaken) (2015). Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken. Handel op 25 maart. Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. Minbuza 2015.88790. Den Haag

CEPR (2013). Reducing Transatlantic barriers to trade and investment. An economic assessment. Final project report, March 2013. Prepared for the European Commission, under implementing Framework contract Trade 10/A2/A16.

CPB (2015). Centraal Economisch Plan 2015. Den Haag

Development Solutions (2011). A trade SIA relating to the negotiation of a Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) between the EU and Canada. 10/B3/B06 Final report June 2011. Report commissioned and financed by the European Commission.

EC (2012). Commission staff working document impact assessment report on EU-JAPAN trade relations. Accompanying the document Recommendation for a Council Decision authorising the opening of negotiations on a Free Trade Agreement between the European Union and Japan. Brussel, 18.07.2012.

ECORYS (2009). Non-tariff Measures in EU-US Trade and Investment - An Economic Analysis. Report prepared by K. Berden, J.F: Francois, S. Tamminen, M. Thelle and P. Wymenga for the European Commission, Reference OJ 2007-S 180-219493.

Europese Commissie (2015). Economische winterprognoses

http://ec.europa.eu/economy_finance/eu/forecasts/2015_winter_forecast_en.htm

FAO (2015). Food Outlook (May 2015). Via www.fao.org

Horne, P.L.M. van and N. Bondt (2014). Competitiveness of the EU poultry meat sector; International comparisonbase year 2013. LEI Wageningen UR, LEI Report 2014-038. Den Haag

IMF (2015). World Economic Outlook. April 2015. Via www.imf.org


USDA (2015). http://www.ers.usda.gov/topics/international-markets-trade/countries-regions/china/policy.aspx. 13/5/2015

Wageningen UR (2015). Strategisch Plan 2015-2018. Via www.wageningenur.nl

WTO (2014). http://wto.org/english/thewto_e/minist_e/mc9_e/balipackage_e.htm.