Resultaten en investeringen land- en tuinbouw

7.1 Sectorresultaten

De bruto productiewaarde van de land- en tuinbouw in Nederland kwam in 2013 uit op 27 miljard euro, bijna 4% meer dan in 2012 (tabel 7.1). Evenals in de twee voorgaande jaren is de groei vooral te danken aan hogere prijzen. Het volume van de productie nam licht toe, vooral door een grotere productie in de rundveehouderij. De melkproductie was met een stijging van 4% fors hoger dan een jaar eerder. Deze grotere productie kon door een goede vraag worden afgezet tegen een 15% hogere prijs. Wel zal het hogere volume leiden tot een heffing op te veel geproduceerde melk. Hoewel deze heffing pas in 2014 wordt toegepast, is voor 2013 een superheffingsbedrag van 70 miljoen euro gekort op de productiewaarde. De gemiddelde prijs in de landbouw nam, mede door de hogere melkprijs met 3% toe. De prijzen in de intensieve veehouderij daalden na het hoge niveau van 2012. Het aandeel van de veehouderij in de totale productiewaarde groeide tot ruim 41%, die van de tuinbouw daalde licht tot 34%.

De waarde van de aangekochte goederen en diensten nam, vooral door een lichte verbetering van de ruilvoet, minder sterk toe dan de productiewaarde. De productiviteit bleef vrijwel op hetzelfde niveau. Vooral de prijzen voor energie waren in 2013 hoger dan in 2012. De prijzen van veevoer namen licht toe, na forse stijgingen in de twee voorafgaande jaren. De prijzen voor de overige kostenposten daalden licht. De bruto toegevoegde waarde nam met bijna 8% toe ten opzichte van 2012. Door een daling van de afschrijvingen en een marginale toename van de subsidies, ging de netto toegevoegde waarde met 12% omhoog tot 6,1 miljard euro. Door een vermindering van het aantal arbeidskrachten in de land- en tuinbouw daalden de betaalde loonkosten, waardoor ook het totaal aan betaalde factorkosten (loon, rente en pacht) afnam. Het resterend inkomen nam daardoor met ongeveer een derde toe tot bijna 2,7 miljard euro. Hiermee behoort dit jaar samen met 2006 en 2007 qua sectorinkomen tot de betere van deze eeuw (www.agrimatie.nl).

Het Nederlandse inkomen in EU-perspectief

De netto toegevoegde waarde per arbeidskracht bedroeg in 2013 in Nederland ruim 36.500 euro, een toename van 13% ten opzichte van 2012. Dankzij het systeem van de landbouwrekeningen in de Europese Unie kan er een vergelijking gemaakt worden met andere landen. Qua niveau liggen de inkomens in Nederland in 2013 boven die in Duitsland en Frankrijk (figuur 7.1). In de EU-27 daalde de netto toegevoegde waarde per arbeidskracht in 2013 met een half procent tot gemiddeld 14.500 euro. De verschillen tussen de lidstaten zijn erg groot. Vooral in de nieuw toegetreden landen blijven de inkomens, ondanks een toename in 2013, achter bij die van de oude EU-15. Ter vergelijking is de netto toegevoegde waarde per arbeidskracht in Polen toegevoegd. Deze ligt met een krappe 5.000 euro op een derde van het gemiddelde van de EU-landbouw.

De Deense inkomens laten vanaf 2010 een fors herstel zien, dankzij goede prijzen voor een aantal producten die juist in Denemarken een groot deel van de productie uitmaken. Graan, varkensvlees en melk dragen hier voor 60% bij aan de productiewaarde. In 2013 steeg vooral de prijs voor melk opnieuw. Tegenover de daling van de prijzen voor graan en varkens, stond een flinke prijsstijging voor rundvlees en pluimvee (samen ook goed voor 15% van de Deense productie). De slechte situatie op de graanmarkt zorgde er mede voor dat in landen met een groot aandeel in het areaal graan, zoals Frankrijk en Duitsland (in beide landen 16% van de productiewaarde) de ontwikkeling van de inkomens in 2013 achter bleef. Voor deze lidstaten geldt dat in 2013 de ruilvoet, de verhouding tussen de prijzen voor opbrengsten en kosten, flink verslechterde. In de andere landen stabiliseerde deze of verbeterde zelfs. In Nederland en België namen de inkomens in 2013 toe in vergelijking met 2012, vooral dankzij hogere prijzen (vooral voor melk) en relatief lagere kosten in de veehouderijsector.

7.2 Bedrijfsresultaten in het algemeen

Inleiding

De resultaten van land- en tuinbouwbedrijven in deze en volgende paragrafen zijn gebaseerd op de gegevens van steekproefbedrijven uit het Informatienet, uitgezonderd de resultaten van 2013 (zie bijlage Begripsomschrijvingen). Die zijn geraamd op basis van ontwikkelingen van prijzen, productiehoeveelheden en dergelijke. De steekproefpopulatie bestond in 2013 uit ongeveer 49.600 bedrijven. De overige ongeveer 18.000 door de Landbouwtelling geregistreerde bedrijven zitten onder de minimumgrens van 25.000 euro SO (Standaardopbrengst) die voor het Informatienet wordt gehanteerd. In tegenstelling tot de berekening van de sectorresultaten, vindt de waardering van een aantal plantaardige producten (aardappelen, uien, appelen en peren) tegen oogstjaarprijzen plaats in plaats van kalenderjaarprijzen. De oogstjaarprijzen voor 2013 liggen voor het merendeel van de gewassen flink lager. Dit verklaart voor een belangrijk deel het verschil tussen het geraamde totaalbeeld van de sector (zie §7.1) en het lagere gemiddelde inkomensbeeld van de land- en tuinbouwbedrijven in Nederland (zie §7.2).

Inkomensvorming

Het voor 2013 geraamde inkomen is licht gedaald ten opzichte van 2012, toen een relatief hoog inkomen werd behaald. Voor de totale land- en tuinbouw is het gemiddelde inkomen uit bedrijf geraamd op 58.000 euro (tabel 7.2), hoger dan de vijfjarige gemiddelden voor de periode 2001-2005 en 2006-2010. Het inkomen van melkveehouders herstelde fors. Dit was vooral te danken aan de veel hogere melkprijs als gevolg van een wereldwijde toename in de vraag naar zuivel. De combinatie van lagere eierprijzen en gestegen voerkosten zorgden voor een zeer teleurstellend jaar voor leghennenhouders, nadat in 2012 een goed resultaat was geboekt. Lagere prijzen van vrijwel alle belangrijke akkerbouwgewassen, uien uitgezonderd, zorgden voor een lager inkomen op de akkerbouwbedrijven. Dit is het gevolg van het grotere mondiale aanbod van granen, importbeperkingen door bijvoorbeeld Rusland en lagere prijzen van suiker en consumptieaardappelen op de wereldmarkt. Desondanks blijven de inkomens in de akkerbouw op een hoog niveau. Slechte prijsvorming van tomaten en gestegen energiekosten zorgden voor gemiddeld negatieve inkomens op glasgroentebedrijven. Het sombere voorjaar en de zeer warme zomer van 2013 waren hierop van invloed. In de varkenshouderij daalden de inkomens door lagere biggenprijzen en gestegen voerkosten (www.agrimatie.nl).

Het inkomen uit bedrijf wordt vooral bepaald door de opbrengsten van land- en tuinbouwproducten en de aan die productie verbonden kosten. Een deel van de opbrengsten, ruim 8%, komt uit de opbrengsten van niet-agrarische activiteiten en uit subsidies (tabel 7.2). Bij de subsidies gaat het vooral om de bedrijfstoeslagen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, deze dragen direct bij aan het inkomen. Dat geldt niet voor de opbrengsten uit niet-agrarische activiteiten, waarop de bijbehorende kosten in mindering gebracht moeten worden. Gemiddeld bedragen de opbrengsten uit toeslagen en subsidies de laatste jaren ongeveer 22.000 euro. Voor melkvee- en akkerbouwbedrijven gaat het om substantieel hogere bedragen. In 2012 was voor deze bedrijfstypen respectievelijk 30.000 euro en 33.500 euro afkomstig uit toeslagen en subsidies.

Ondanks de daling van het inkomen in de land- en tuinbouw, lag het inkomensniveau, net als in 2012, boven het inkomen van zelfstandigen in het midden- en kleinbedrijf. Ondernemers in het mkb zagen de winst verder dalen door de krimpende afzet als gevolg van achterblijvende binnenlandse bestedingen. Bovendien staan de tarieven en prijzen die ondernemers in rekening kunnen brengen sterk onder druk (www.agrimatie.nl).

Inkomensspreiding

De spreiding in inkomen uit bedrijf is groot, onder meer door verschillen in bedrijfsomvang, -opzet, arbeidsefficiency en ondernemerschap. Om de bedrijfsresultaten van in omvang verschillende bedrijven beter te kunnen vergelijken, wordt het inkomen veelal uitgedrukt in euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Gemiddeld zijn er per bedrijf 1,4 onbetaalde aje; dit aantal is door de jaren heen vrij constant. Het gaat hier om de ondernemers, hun partners en andere niet-betaalde gezinsleden. Op kleinere bedrijven kan de arbeidsinzet kleiner zijn dan 1 aje.

Uit figuur 7.2 blijkt dat er grote verschillen zijn in inkomen per onbetaalde aje tussen bedrijven. De figuur geeft zowel het gemiddelde weer (de lijn) als de spreiding (het vlak). Per jaar geldt dat 60% van de bedrijven een inkomen haalt dat in het gekleurde vlak ligt. Twintig procent van de bedrijven scoort lager dan de ondergrens van dat vlak (2013 (r): lager dan -3.000 euro) en een even grote groep scoort hoger dan de bovengrens van het vlak (2013 (r): hoger dan 65.000 euro). In de groep van 20% met de laagste inkomens waren in 2013 leghennenhouders en glasgroentetelers, met name tomatentelers, relatief sterk vertegenwoordigd. In de groep van 20% bedrijven met de hoogste inkomens waren akkerbouwers en in de glastuinbouw de potplantentelers relatief sterk vertegenwoordigd. Dat de inkomens binnen een bedrijfstype tussen de jaren sterk kunnen fluctueren is te zien in de pluimveesector, in 2012 waren de leghennenhouders nog sterk vertegenwoordigd in de groep met de hoogste inkomens (Berkhout et al., 2013).

Om te corrigeren voor jaarlijkse fluctuaties is met data uit het Informatienet op basis van een vierjaarlijks gemiddelde (2009-2012) gekeken welke bedrijfstypen relatief sterk vertegenwoordigd waren in de 20% hoogste en 20% laagste inkomensgroepen. De goede bedrijfsresultaten van de akkerbouwbedrijven zorgden ervoor dat ruim 40% van alle akkerbouwbedrijven in die periode tot de groep met 20% hoogste inkomens behoorde. Deze bedrijven waren in hectares gemeten beduidend groter dan het sector gemiddelde. Ook de grotere pluimveebedrijven, zowel leghennen als vleeskuikens, waren relatief sterk vertegenwoordigd in deze groep. Binnen de glastuinbouw deden potplantenbedrijven het relatief goed. De inkomensschommelingen in de melkveehouderij waren ten opzichte van andere sectoren beperkt. Hierdoor waren er relatief weinig melkveebedrijven vertegenwoordigd in zowel de groep met de ‘hoogste’ en ‘laagste’ inkomens. In de glasgroentesector lieten tomatenbedrijven juist het tegenovergestelde zien. In de groep van 20% met de laagste inkomens waren in de periode 2009-2012 glastuinbouwbedrijven met snijbloemen en groenten en de varkensbedrijven relatief sterk vertegenwoordigd. Deze bedrijven waren qua bedrijfsomvang groter dan gemiddeld.

Lage inkomensproblematiek

In 2013 lag het gemiddelde inkomen per huishouden net zoals het jaar ervoor boven de 70.000 euro (figuur 7.3). De spreiding in bedrijfsresultaten tussen bedrijven in de land- en tuinbouw is groot. Een kleine 30% van de bedrijven behaalde een inkomen dat lager is dan de lage inkomensgrens (zo’n 22.000 euro). De lage inkomensgrens is een, voor inflatie gecorrigeerd, vast koopkrachtbedrag. In de periode 2001-2012 viel minimaal 20% van de bedrijven in de categorie met een laag inkomen. In de periode 2008-2012 realiseerde 4% van de huishoudens in al die jaren een inkomen onder de lage inkomensgrens, voor 11% gold dat in drie van de vijf jaar. In laatstgenoemde groep vallen relatief veel huishoudens uit de glastuinbouw en varkenshouderij (zie ook §7.3). Dit is niet verwonderlijk gezien de inkomensontwikkeling in deze sectoren. De akkerbouwbedrijven zitten aan de goede kant van de streep. Ongeveer de helft van de akkerbouw-huishoudens beschikte alle jaren over een inkomen boven de lage inkomensgrens. Voor de land- en tuinbouw totaal geldt dat ruim een derde van de huishoudens nooit onder de lage inkomensgrens is gezakt in de periode 2008-2012. Er blijkt geen duidelijke relatie te zijn tussen de bedrijfsomvang en het aantal jaren dat een bedrijf onder de lage inkomensgrens zakt.

7.3 Bedrijfsresultaten naar type

7.3.1 Vergelijking van typen 2008-2012

In tabel 7.3 is de inkomensvorming per bedrijfstype in 2008-2012 weergegeven. Het gemiddelde inkomen kwam in deze periode uit op bijna 43.000 euro per bedrijf en op ruim 29.000 euro per onbetaalde aje. Op de varkens- en glastuinbouwbedrijven was dat inkomen over deze periode veel lager. De varkensbedrijven kampen al jaren met lage inkomens. Na vier opeenvolgende jaren met inkomens per onbetaalde aje rond de nullijn, steeg in 2012 het inkomen ondanks toegenomen voerkosten door hogere opbrengstprijzen tot een aanvaardbaar niveau (www.agrimatie.nl). De slechte bedrijfsresultaten dragen eraan bij dat het aantal bedrijven met varkens onverminderd afneemt (zie §6.1.1). Voor de glastuinbouw drukten de negatieve inkomens in 2008 en 2009 het vijfjaarsgemiddelde en resteerde een inkomen van 18.000 euro per onbetaalde aje.

Binnen de glastuinbouwsector zijn de inkomensverschillen groot. De pot- en perkplantenbedrijven behalen al jaren achtereen goede resultaten, gemiddeld over de periode 2008-2012 circa 60.000 euro per onbetaalde aje. De gemiddelde resultaten van de glasgroentebedrijven zijn veel slechter. Deze sector is sinds het begin van deze eeuw in areaal met circa 10 procentpunten gegroeid tot bijna de helft van het areaal glastuinbouw. De tegenvallende prijsontwikkeling van groenten in 2008, 2009 en 2011 zorgde voor een licht negatief resultaat. De snijbloemenbedrijven deden het vooral in 2011 en 2012 qua inkomen een stuk beter door een betere prijsvorming, maar blijven gemiddeld voor de periode 2008-2012 nog wel onder het niveau van de totale sector. Als gevolg van de slechte economische situatie in de glastuinbouw, zijn de laatste jaren vrij veel bedrijven in de glasgroenteteelt failliet gegaan (zie §6.1.1). De Rabobank, veruit de grootste financier, moest hierdoor zowel in 2012 als 2013 miljoenen afboeken op kredieten in de glastuinbouw.

De leghennen-, vleeskuiken-, boomteelt-, en vooral de akkerbouwbedrijven lieten gemiddeld veel betere resultaten zien. Voor de akkerbouwbedrijven is dat onder meer te danken aan een aantal jaren van redelijke bedrijfsresultaten met positieve uitschieters door hoge opbrengstprijzen in 2010 en 2012. De leghennenbedrijven hebben vanaf 2008 te maken met een zeer grillig verloop van de gemiddelde inkomens met hoogtepunten (2010 en 2012) en dieptepunten (2011). De onevenwichtigheden zijn mede veroorzaakt door de verplichte omschakeling van traditionele kooihuisvesting naar alternatieve huisvesting (Van der Meulen et al., 2013). De resultaten van de melkveebedrijven kwamen voor deze vijf jaren gemiddeld wat lager uit (38.300 euro per bedrijf) dan het gemiddelde van alle land- en tuinbouwbedrijven. Dit wordt veroorzaakt door het voor de melkveehouders ongekend slechte resultaat in 2009.

Het kengetal inkomen uit bedrijf per 100 euro opbrengsten is gemiddeld 9 euro, maar heeft een grote spreiding (tabel 7.3). Bedrijfstypen met veel betaalde kosten, zoals de intensieve veehouderijbedrijven met aangekocht veevoer en de glastuinbouw met personeel, komen hier in de regel relatief laag uit. De meer grondgebonden bedrijven komen bij dit kengetal in de regel hoger uit. Dit geldt in deze periode bij uitstek voor de akkerbouwbedrijven. Deze bedrijven realiseren een goed inkomen op basis van gemiddeld veel lagere bedragen aan opbrengsten (290.000 euro) dan onder meer intensieve veehouderijbedrijven (variërend van 600.000 tot 1.300.000 euro) en glastuinbouwbedrijven (1.350.000 euro). Deze laatste categorie bedrijven moet dus veel meer omzet genereren voor een vergelijkbaar inkomen.

De inkomsten van buiten het bedrijf, onder meer uit arbeid buitenshuis, premies en uitkeringen, bedragen gemiddeld voor alle bedrijven ongeveer 19.000 euro. Met een aandeel van bijna een derde op het totale inkomen is het een belangrijke aanvulling op het bedrijfsinkomen in 2008-2012. Ook nu zijn de verschillen tussen de bedrijfstypen groot, met name tussen de typen die in de jaren 2008-2012 met hun bedrijfsresultaten het laagst uit de bus komen - de glastuinbouw en de varkenshouderij. In de varkenshouderij is het gemiddelde inkomen van buiten het bedrijf meer dan 20.000 euro en daarmee een belangrijke aanvulling.

7.3.2 Strategiekeuze

Deelnemers aan de Innovatiemonitor van het LEI zijn in 2012 gevraagd naar belangrijke succesfactoren voor hun bedrijf. De meest genoemde succesfactoren zijn in figuur 7.4 opgenomen. Kostenreductie werd het vaakst als belangrijk of heel belangrijk gezien (90% van de respondenten). Verbeteringen aan productkwaliteit en – veiligheid en dierenwelzijn scoorden ook hoog (Van der Meer en Van Galen, 2013).

Bijna de helft van de respondenten vindt groei en uitbreiding een belangrijke succesfactor voor het bedrijf (figuur 7.4). Hierbij is er geen verschil tussen de diverse sectoren in de land- en tuinbouw. Ten opzichte van de respondenten die groei als onbelangrijk bestempelen, zijn ze vaak groter in omvang (gemeten in euro Standaardopbrengst) en is de jongste ondernemer op het bedrijf jonger. De solvabiliteit is lager, wat er op kan wijzen dat deze bedrijven in het verleden al meer investeerden dan de groep die groei onbelangrijk vindt of recenter zijn overgenomen. Het economische resultaat (rentabiliteit) van de groeiers is beter dan van de andere groep, zodat de bedrijven waarschijnlijk ook meer financiële armslag hebben om te investeren.

Voor andere succesfactoren zoals ‘zelf experimenteren, ‘toetreding tot nieuwe markten’ en ‘productvernieuwing’ zijn de verschillen tussen de groep ‘belangrijk’ en ‘onbelangrijk’ ongeveer hetzelfde als hierboven omschreven voor groei en uitbreiding.

7.4 Investeringen en innovatie

7.4.1 Duurzame investeringen

Ter stimulering van duurzame investeringen zijn door het ministerie van EZ subsidies en/of fiscale regelingen voor agrarische ondernemers beschikbaar gesteld (onder andere MIA, VAMIL, EIA, Subsidieregeling Investeringen in integraal duurzame stallen). Om de beleidsinspanning te monitoren wordt elk jaar het aandeel duurzame investeringen - investeringen die gebruik maken van regelingen en subsidies ter bevordering en stimulering van duurzaamheid - berekend ten opzichte van de totale investeringen in stallen, kassen, machines en installaties.

Het aandeel duurzame investeringen is gestegen van 20% in 2011 naar 27% in 2012 (figuur 7.5). De streefwaarde voor het aandeel duurzame investeringen is 20% in 2014. In 2013 was de streefwaarde nog 36%. De neerwaartse bijstelling houdt verband met lagere investeringen in duurzame varkens- en pluimveestallen; met de slechte economische situatie in de glastuinbouw en in de varkens- en leghennenhouderij; en met de afschaffing in 2011 van de in 2009 ingestelde crisismaatregelen, zoals de tijdelijke verhoging van het afschrijvingspercentage. Het investeringsniveau is gevoelig voor de economische situatie in de betreffende sectoren, welke per jaar sterk kan verschillen. Daarnaast is tevens de inzet van subsidies en fiscale regelingen bepalend voor de investeringen in duurzame productie middelen.

De totale investeringen in productiemiddelen zijn in 2012 met 12% gedaald tot 3,3 miljard euro. Vooral aan installaties en machines/werktuigen werd minder geld uitgegeven. De investeringen in bedrijfsgebouwen en inventaris stegen wel. Relatief was de daling van de investeringen in glasopstanden en de visserij het grootst. De totale investeringen in duurzame productiemiddelen zijn met 20% gestegen naar 886 miljoen euro. In de glastuinbouw werd meer geïnvesteerd in Groen Label Kassen, dit ondanks een daling van de investeringen in glasopstanden.

De duurzame investeringen in de landbouw zijn ook toegenomen. Vooral de investeringen in duurzame stallen zijn van groot belang. Deze zijn met name bij pluimveestallen gestegen doordat een aantal ondernemers investeerde in schaalvergroting. De investeringen in duurzame melkveestallen zijn na de hoge investeringen in de periode 2008-2011 gedaald in 2012.

7.4.2 Innovatie

Om de concurrentie het hoofd te blijven bieden is en blijft innovatie belangrijk. Het percentage ‘innoverende’ agrarische bedrijven wordt als beleidsindicator in de begroting van het ministerie van EZ gebruikt. De streefwaarde die het ministerie hanteert is 15% innovatoren en vroege volgers in 2013.

De land- en tuinbouwbedrijven waren in 2012 meer vernieuwend dan in 2011. Het percentage dat een vernieuwing doorvoerde op het bedrijf steeg tot bijna 14% (figuur 7.6). Hiermee is de streefwaarde echter nog niet gehaald.

Van de groep wordt een klein deel, bijna 2%, aangemerkt als innovator. Een innovator is een ondernemer die als eerste in de sector een vernieuwing doorvoert. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen product- en procesinnovaties. Productinnovaties zijn vooral in de glastuinbouw doorgevoerd. Het gaat dan om nieuwe rassen van groenten of bloemen. Voorbeelden van procesinnovaties zijn vernieuwingen aan stallen en /of voersystemen, nieuwe verpakkingslijnen of een nieuw systeem voor het broeien van bloembollen. Als de innovaties een succes blijken te zijn, worden ze overgenomen door zogenoemde volgers. In de pluimveehouderij daalde het aandeel volgers in 2012 sterk (figuur 7.7). In 2011 werd er nog veel vernieuwd als gevolg van de wettelijke eisen aan stallen op het gebied van dierenwelzijn en milieu. De implementatie van de nieuwe regelgeving moest uiterlijk in 2011 rond zijn.

De groep vernieuwers (innovatoren plus volgers) is in de akkerbouw het grootste van alle sectoren (figuur 7.7). Dit is mede mogelijk doordat de sector een aantal financieel goede jaren kende. Echte innovaties werden er in 2012 niet doorgevoerd. Dit geldt ook voor de melkveehouderij. De glastuinbouw kende de grootste groep innovatoren. De groep glastuinbouwbedrijven die een procesinnovatie doorvoerde is ongeveer even groot als de groep die een vernieuwend product ontwikkelde.

Literatuur