Structuur land- en tuinbouw

6.1 Bedrijfsstructuur

6.1.1 Aantal bedrijven

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven is het afgelopen jaar met ruim 1.300 afgenomen tot 67.500 (tabel 6.1). Dat is met 1,9% opnieuw een beperkte daling. Van 2000 tot 2007 verminderde het aantal bedrijven jaarlijks met 3,3%, vanaf 2007 met 2,1%. Tussen de sectoren loopt de ontwikkeling van het aantal bedrijven na de eeuwwisseling behoorlijk uiteen, wat voor een belangrijk deel samenhangt met de mate van grondgebondenheid. Tot de niet of minder sterk grondgebonden sectoren worden de (glas)tuinbouw en de intensieve veehouderij gerekend. Tot de grondgebonden sectoren de akkerbouw en de graasdierhouderij, inclusief de melkveehouderij. De bedrijven met een gemengd karakter zijn niet bij een van beide groepen ingedeeld.

In de niet of minder sterk grondgebonden sectoren kromp het aantal bedrijven in totaal met 45%; in de grondgebonden sectoren bleef de afname beperkt tot 20%. Als gevolg van de specialisatie is het aantal gecombineerde (gemengde) bedrijven vanaf 2000 zelfs met bijna 60% verminderd. De vrij sterke teruggang van het aantal minder sterk grondgebonden bedrijven vanaf de eeuwwisseling heeft onder meer te maken met beleid op het gebied van milieu en dierenwelzijn (opkoopregelingen, vereiste investeringen) en de marktontwikkelingen (afzetmogelijkheden en prijzen).

In de grondgebonden sectoren is na 2007 het aantal bedrijven met slechts 0,8% per jaar afgenomen. Het aantal akkerbouwbedrijven is in deze periode per saldo gelijk gebleven. In de melkveehouderij nam het aantal gespecialiseerde bedrijven in het afgelopen jaar heel licht toe; deels kwam dit door de hogere SO-normen voor melk, waardoor overige rundvee- en gemengde bedrijven verschoven naar de categorie melkveebedrijven. De stijgende lijn in de bedrijfsresultaten van de akkerbouw, en de goede perspectieven voor de melkveehouderij in combinatie met de afschaffing van de melkquotering zullen ook hebben bijgedragen.

Overigens is het grote verschil in tempo van ‘sanering’ tussen de grondgebonden en minder grondgebonden sectoren ontstaan na de eeuwwisseling; daarvoor was het verschil veel minder groot, en nam het aantal bedrijven in de grondgebonden sectoren juist iets sterker af dan in de minder sterk grondgebonden sectoren.

Faillissementen geconcentreerd in plantaardige sectoren

De daling van het aantal land- en tuinbouwbedrijven bestaat in hoofdzaak uit de min of meer vrijwillige bedrijfsbeëindiging bij generatiewisseling. Gedwongen beëindiging in de vorm van een faillissement komt weinig voor. Vanaf 2000 tot en met het eerste kwartaal van 2014 zijn ongeveer 950 faillissementen in de land- en tuinbouw uitgesproken, bijna 3% van de totale netto daling van het aantal bedrijven. Veruit de meeste faillissementen worden uitgesproken in de plantaardige sectoren (bijna 90%); in genoemde periode was de afname van het aantal bedrijven in de plantaardige sectoren in 1 op de 10 gevallen het gevolg van een faillissement. De sterke toename van het aantal faillissementen in de gehele Nederlandse economie na het uitbreken van de economische crisis in 2008 is ook terug te zien in de land- en tuinbouw (figuur 6.1), en dan vooral in de (glas)tuinbouw. In het eerste kwartaal 2014 is het aantal faillissementen in de agrarische sector overigens sterk gedaald.

Toenemend belang niet-grondgebonden sector

De ontwikkelingen binnen de verschillende sectoren van de land- en tuinbouw leiden tot lichte verschuivingen in het belang van die sectoren, wat meestal pas echt zichtbaar is op de langere termijn. In een periode van meer dan dertig jaar is het aandeel van de bedrijven in de grondgebonden sector gestegen van circa 60 naar 70% (figuur 6.2), en bleef het aandeel in het areaal cultuurgrond constant op ruim 80%. De niet-grondgebonden sector herbergt nu circa een kwart van de bedrijven, iets minder dan in 1980. In andere opzichten is de betekenis van de niet-grondgebonden sector wel gegroeid. Het aandeel in het areaal cultuurgrond steeg van 6% naar 11%; in werkgelegenheid en economische omvang ging het aandeel van ongeveer een derde in 1980 naar 50% in 2013. Hierbij is de werkgelegenheid gemeten in arbeidsjaareenheden (aje), een maat voor het arbeidsvolume en de economische omvang in de Nederlandse grootte-eenheid (nge), een maat voor de toegevoegde waarde. Overigens is deze verschuiving al voor de eeuwwisseling voltrokken. Daarna is zoals hiervoor aangehaald, het aantal bedrijven in de niet-grondgebonden sector fors gekrompen. Deze sanering ging samen met een sterke schaalvergroting en intensivering, waardoor het aandeel van de sector in werkgelegenheid en toegevoegde waarde wel op peil is gebleven.

De betekenis van de gemengde bedrijven is de afgelopen dertig jaar ongeveer gehalveerd, van iets meer dan 10% in 1980 tot rond de 5% in 2013. Dat gold voor alle vier de aspecten (bedrijven, grond, werk en omvang).

6.1.2 Aantal dieren

De omvang van de rundveestapel is in het afgelopen jaar toegenomen tot 4 mln. stuks (tabel 6.2). Dat is geheel te danken aan de ontwikkelingen in de melkveehouderij.

Na 2007 is het aantal melkkoeien met een tiende gestegen, waarvan de helft zelfs in het afgelopen jaar (tot april 2013). De groei heeft zich verder doorgezet met 3% tot ruim 1,5 mln. melkkoeien in december 2013. Vanaf 2007 is, vooruitlopend op de afschaffing van de quotering in 2015, het melkquotum jaarlijks verruimd met in totaal zo’n 8 à 9%. De gemiddelde melkproductie per koe is in die periode minder snel gestegen, waardoor het aantal melkkoeien vanaf 2007 is toegenomen. De afschaffing van het melkquotum in 2015 en de goede perspectieven van de melkveehouderij hebben de uitbreiding verder aangejaagd.

Het totaal aantal overige graasdieren is tussen 2000 en 2013 per saldo met 1,4% verminderd. Tegenover de forse vermindering van het aantal schapen (met een vijfde) stond een ruime verdubbeling van het aantal geiten. De groei werd tussen 2009 en 2010 onderbroken door de uitbraak van Q-koorts en de daarop volgende ruimingen van geiten. Tussen mei 2009 en mei 2010 nam hierdoor het aantal geiten met circa 6% af.

De totale varkensstapel is vanaf de eeuwwisseling met 7% gedaald tot ruim 12 mln. stuks in 2012. De twee opkoopregelingen ter vermindering van het mestoverschot (Regeling beëindiging veehouderijtakken) leidden in de periode 2001-2004 tot een inkrimping van 15%. Daarna trad een gedeeltelijk herstel op, met de laatste jaren een vrij stabiel aantal dieren mede dankzij de begrenzing in de vorm van varkensrechten. Het totaal aantal kippen is tussen 2000 en 2013 per saldo met 6% afgenomen. De opkoopregelingen maar vooral de vogelpest in 2003 zorgden voor een forse inkrimping van het aantal kippen, van ruim 100 mln. tot circa 80 mln. in 2003. Ook in deze sector wordt de omvang van het aantal dieren begrensd door dierrechten (pluimveerechten).

6.1.3 Ruimtelijke inpassing grootschalige veehouderij

In juni 2013 heeft het kabinet zich uitgesproken tegen ongebreidelde groei van de veehouderij in Nederland (EZ, 2013). De aanleiding hiervoor is mede het advies van de Gezondheidsraad uit november 2012, waarin werd gesteld dat de intensieve veehouderij verschillende risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt (Gezondheidsraad, 2012). De kennis over die risico’s is onvoldoende om onderbouwde normen vast te kunnen stellen voor bijvoorbeeld de afstand tussen intensieve veehouderijbedrijven en woningen. De huidige begrenzing van de (intensieve) veehouderij gebeurt op basis van regionale milieu- en of ruimtelijke overwegingen. Het kabinet wil een wettelijk kader opstellen dat provincies in staat stelt ook gezondheidsoverwegingen in te zetten voor het beperken van het aantal dieren of de omvang van stallen in bepaalde gebieden, omdat “het huidige instrumentarium voor de decentrale overheden niet altijd voldoende basis vormt om in specifieke situaties, vanwege ongewenste effecten op de volksgezondheid, grenzen aan de omvang van veehouderijen te kunnen stellen” (EZ, 2013:6). Dit wettelijk kader zal worden opgenomen in de Wet dieren. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting na de zomer naar de Tweede Kamer gestuurd.

Provincies aan zet

Het aantal bedrijven in de intensieve veehouderij daalt nog altijd, wat gevolgen heeft voor het ruimtelijk beleid. Zo is er uiteindelijk veel minder behoefte geweest aan nieuwvestiging c.q. verplaatsing van bedrijven, omdat blijvende bedrijven op de eigen locatie konden uitbreiden. De met de Reconstructiewet zandgebieden (RCW) in gang gezette zonering - landbouwontwikkelingsgebieden (LOG), verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden - en concentratie van bedrijven in bij voorkeur landbouw-ontwikkelingsgebieden, verloor daardoor deels zijn relevantie. In tabel 6.3 is voor de provincies het vigerende ruimtelijke beleid anno 2014 aangegeven.

De Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij

De provincie Noord-Brabant heeft de zonering uit de RCW losgelaten, vanuit de gedachte dat het enkel toepassen van harde grenzen aan de omvang van een bedrijf niet per se bevorderlijk is voor een duurzame ontwikkeling van de veehouderij. In plaats daarvan heeft de provincie het concept “Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd” ontwikkeld en omgezet in provinciaal beleid. In de Verordening Ruimte is vastgelegd dat alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan een veehouderijbedrijf, zowel grondgebonden als intensief, mits dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming. De provincie heeft daartoe de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) ontwikkeld, waarmee een bedrijf punten kan verdienen voor (bovenwettelijke) maatregelen op het gebied van volksgezondheid, dierenwelzijn en fysieke leefomgeving. Als een bedrijf zeven of meer punten behaalt, op een totaal van tien, kan het ontwikkelen (NB, 2013). Wel blijft de hoofdregel dat bedrijven niet groter mogen groeien dan een bouwblok van 1,5 ha, wat overeenkomt met een bedrijf van circa 300 nge. Voor de meeste bedrijven geeft de grens nog aanzienlijke mogelijkheden voor groei (zie ook Van Os en Gies, 2011). Slechts in speciale gevallen wordt van de grens van 1,5 ha afgeweken. De BZV zal ten minste eens in de vier jaar worden geactualiseerd, zodat deze de verduurzaming van de intensieve veehouderij kan blijven aanjagen. Naast de BZV zijn er normen voor de belasting van de omgeving met geur en fijn stof, moet een bedrijf een goede dialoog met zijn omgeving hebben gevoerd en landschappelijk goed zijn ingepast.

Overige reconstructieprovincies

Ook de provincie Overijssel wil op termijn de zonering uit de RCW laten vervallen en sturen op kwaliteit, met inbegrip van gezondheidsaspecten. Tijdens het debat over deze aanpak in 2013 in de Provinciale Staten is echter besloten hiermee te wachten tot de RCW definitief is ingetrokken én er meer duidelijkheid is over de wijze waarop te sturen is op gezondheidsaspecten. In Overijssel geldt daarom het vigerende beleid, vastgelegd in de Omgevingsvisie; deze wordt in 2015 herijkt.

In Gelderland wordt naar verwachting najaar 2014 de Omgevingsvisie vastgesteld, waarbij de zonering uit de RCW is aangehouden. De Omgevingsvisie wil een ontwikkelingsgericht beleid, waarbij goede ruimtelijke kwaliteit centraal staat. Bedrijven kunnen groeien, mits dit op duurzame wijze gebeurt. Uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven is daarom enkel mogelijk als deze uitbreiding bijdraagt aan de verbetering van het dierenwelzijn, een vermindering van de milieubelasting of een verbetering van de volksgezondheid en niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. Gemeenten bepalen welke maatregelen nodig zijn voor een bedrijf om een groter bouwblok te verkrijgen. Er is geen provinciaal maximum aan de bouwblokmaat. In de conceptvisie is verder vastgelegd dat nieuwvestiging van veehouderijbedrijven, zowel grondgebonden als intensief, niet is toegestaan.

In de provincie Limburg is het ruimtelijk beleid het afgelopen jaar gelijk gebleven. Er is geen intentie om de weg op te gaan van de provincie Noord-Brabant. Naast de zonering geldt in Limburg sinds 2010 het Limburgs Kwaliteitsmenu. Uitgangspunt hiervan is dat ontwikkelingen in het buitengebied moeten leiden tot kwaliteitsverbetering. Het voornemen is om in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014 de zonering uit de reconstructiewet te vereenvoudigen. De herziening van het POL zal leiden tot een vermindering van het aantal zoekgebieden voor landbouwontwikkelingsgebieden. Er waren 46 zoekgebieden, waarvan er uiteindelijk 20 zijn opgenomen in bestemmingsplannen; de overige zoekgebieden zullen vermoedelijk opgeheven worden.

In Utrecht zijn er geen plannen om veranderingen aan te brengen in het ruimtelijk beleid voor de veehouderij.

Ten slotte

De ontwikkeling van het ruimtelijke beleid voor de intensieve veehouderij lijkt steeds meer uiteen te gaan lopen in de provincies die waren opgenomen in de RCW. Dit hangt deels samen met de uiteenlopende omvang van de intensieve veehouderij en de daarmee samenhangende problemen/uitdagingen. Waar voorheen het provinciale ruimtelijk beleid werd ingegeven door overwegingen inzake het gewenste - in termen van functies - ruimtegebruik, gaan aspecten als duurzaamheid, daarbij inbegrepen dierenwelzijn en volksgezondheid, een steeds grotere rol spelen. Deze ontwikkeling hoeft geenszins slecht uit te pakken voor de sector; provinciale en/of lokale overheden kunnen zo immers de verdere verduurzaming van de intensieve veehouderij aanjagen en daarmee het bestaansrecht van en het maatschappelijk draagvlak voor de bedrijven en de sector vergroten.

6.1.4 Biologische landbouw

In de biologische landbouw wordt geen gebruik gemaakt van kunstmest en chemische gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er voorschriften voor het gebruik van krachtvoer en diergeneesmiddelen en voor de mogelijkheid voor dieren om naar buiten te gaan. Een landbouwbedrijf mag de producten pas als biologisch verkopen als het een omschakelingsperiode van één tot twee jaar heeft ondergaan en aan de normen van een biologisch certificeringsinstantie heeft voldaan. Het toezicht op de biologische productie in Nederland berust bij SKAL Biocontrole. Het specifieke beleid voor de biologische sector is vanaf 2011 omgezet in regulier beleid. De sector kan, net als andere sectoren, aanspraak maken op generieke middelen van de overheid (CBS, PBL, Wageningen UR, 2014).

Zowel het biologisch gecertificeerde areaal als het aantal gecertificeerde biologische landbouwbedrijven is in 2013 nog iets toegenomen (tabel 6.4). De provincies Flevoland (16%), Gelderland en Friesland (beide 13%) hebben in 2013 het grootste aandeel in het areaal biologische landbouwgrond in Nederland. Limburg (2%), Zeeland (3%), Zuid-Holland en Utrecht (beide 5%) hebben relatief weinig grond met biologische landbouw. De andere vijf provincies dragen elk zo’n 7 à 10% aan het totale areaal biologische landbouw bij.

Op ruim 40% procent van de biologische bedrijven worden graasdieren gehouden: runderen, schapen en geiten. Op het totaal aantal biologische bedrijven hebben het combinatiebedrijf (gemengd bedrijf), het akkerbouwbedrijf en het tuinbouwbedrijf een aandeel van bijna 15%; 12% is een hokdierbedrijf en 6% een blijvende teeltbedrijf. In de biologische land- en tuinbouw komen het combinatiebedrijf en blijvende teeltbedrijf ongeveer driemaal zo vaak voor als in de gangbare land- en tuinbouw.

6.2 Arbeid

6.2.1 Werkgelegenheid

Het aantal regelmatig werkzame arbeidskrachten in de primaire land- en tuinbouw is het afgelopen jaar met 2,3% afgenomen tot 193.000. Dat is iets minder dan de gemiddelde jaarlijkse krimp met 2,8% vanaf 2000. In deze cijfers zijn de flexibele arbeidskrachten (uitzendkrachten en personeel met tijdelijke contracten) niet opgenomen, deze nemen binnen de tuinbouw een steeds groter aandeel in. Naar schatting is hun aandeel op het totaal aantal arbeidskrachten gestegen van 37% in 2000 tot 66% in 2011 (De Wit et al., 2012). Maar de vaste arbeidskrachten hebben meestal volledige jaarrond banen, terwijl de inzet van flexibele arbeidskrachten met name in de opengrondssectoren beperkt is tot de piekperioden. Hierdoor is de totale omvang van de flexibele arbeid lastig vast te stellen.

Een andere maat voor de werkgelegenheid is het arbeidsvolume, de werkgelegenheid uitgedrukt in voltijdbanen. Hiervoor wordt binnen de land- en tuinbouw de term arbeidsjaareenheid (aje) gebruikt. Een volledige jaarrond baan staat dan gelijk aan één aje. In 2013 is de omvang met 2,2% gedaald tot 161.000 aje. In dit kengetal is wel een deel van de flexibele arbeid opgenomen.

Een belangrijk deel (43%) van de werkgelegenheid is anno 2013 geconcentreerd binnen de tuinbouw, tegen ruim een kwart in 1980 (tabel 6.5). Van het personeel (buiten het gezin) werkt nu bijna 80% op tuinbouwbedrijven, tegen bijna 70% dertig jaar geleden.

De vermindering van het aantal bedrijven in combinatie met een sterke schaalvergroting in de tuinbouw - vooral de glastuinbouw - heeft gezorgd voor een verschuiving van gezinsarbeid naar personeel van buiten het gezin. Het aandeel van het gezin nam tussen 1980-2013 af van 84 naar 58% (tabel 6.5, zie ook Katern gezinsbedrijf). In die periode nam de arbeidsbezetting op de tuinbouwbedrijven behoorlijk toe, terwijl dat in de grondgebonden sectoren niet of nauwelijks het geval was.

6.2.2 Technologische ontwikkelingen

Arbeid is voor de intensieve land- en tuinbouwsectoren een grote kostenpost. Zo gaat in de glastuinbouw ongeveer 20% van de kosten op aan betaalde arbeid (agrimatie.nl), en is arbeid in de zeugenhouderij goed voor circa een zesde van de kosten (Agrimonitor, 2012). De land- en tuinbouw in Nederland is voortdurend op zoek naar arbeids-besparende technieken om de kosten te beperken of efficiënter te werken. In zowel de intensieve als de extensieve sectoren speelt tevens mee dat het vinden van geschikt personeel, met name bij hoogconjunctuur, lastig is.

Glastuinbouw zoekt het in product- én procesautomatisering

De glastuinbouw heeft de laatste decennia een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt op het gebied van arbeidsbesparende teelttechnieken. Globaal kunnen enkele fases worden onderscheiden, die in de praktijk geleidelijk in elkaar overlopen. Tussen 1965 en 1980 lag de nadruk op mechanisatie, in de periode 1980-1995 volgde het gebruik van de computer en tussen 1995 en 2005 automatisering. Sinds 2005 doet robotisering voorzichtig zijn intrede. Desondanks worden in de glastuinbouwsector nog steeds veel handelingen handmatig verricht, waarbij een groot beroep wordt gedaan op laaggeschoolde (buitenlandse) arbeidskrachten. Deze mensen worden veelal tijdens piektijden bij het oogsten ingehuurd voor het verrichten van kort cyclische, monotone handelingen. Rond de 40 à 45% van de teeltgebonden arbeid bestaat uit oogsthandelingen (Heijerman-Peppelman, 2010), waarvoor in de praktijk nog geen klant-en-klare machinale oplossingen zijn. Wel zijn er prototypen voor enkele glasgroenteproducten ontwikkeld en bij rozen een oogstrobot. Voor alle verdere werkzaamheden rondom de oogst bestaat veelal een automatiserings- of robotiseringsoplossing, zoals sorterings- en verpakkingslijnen met automatische stapelaars, maar ook stoksteek-, opplant- of tracking- en tracingsystemen, gewasverzorgingssystemen en interne transportsystemen.

Tijdens het daadwerkelijk oogsten wordt steeds meer gebruik gemaakt van padregistratiesystemen. De productiviteit van de verschillende werkzaamheden van de medewerkers wordt hierbij opgeslagen en omgevormd tot managementinformatie. Een managementinformatiesysteem (MIS) verschaft ondernemers inzicht in onder meer arbeidsprestaties, kwaliteitsaspecten van producten, en ziekten en plagen in de kas. Door de arbeidsprestaties terug te koppelen naar medewerkers en het beter plannen van de inzet van arbeidskrachten, kan de ondernemer kosten verlagen. MIS wordt door Man (2014) genoemd als een van de kritische succesfactoren van het huidige ondernemerschap bij verdere groei van de bedrijven.

De keuze voor automatisering wordt niet alleen ingegeven door kostenbesparing door een betere arbeidsplanning. Het biedt ook mogelijkheden om arbeidsomstandigheden te verbeteren of monotoon werk te vervangen. Verder kan beter worden ingespeeld op klantwensen door een grotere flexibiliteit in het afleveren, in het leveren van nauwkeurigere sorteringen (uniformere lengte, rijpheid, kwaliteit of gewicht) en zijn bijvoorbeeld preciezere oogstramingen te maken. Ook geeft het ondernemingen meer rust in het werkproces op het bedrijf.

In de toekomst zal de nadruk komen te liggen op een verdere integratie van de informatiestroom van de diverse geautomatiseerde systemen, die soms afkomstig is van verschillende vestigingen, tot een totaal managementinformatiesysteem. De automatisering en robotisering zullen onverminderd doorgaan, maar de snelheid is echter ongewis. Momenteel worden ontwikkelingen geremd door een beperkte financiële armslag van bedrijven en onzekerheid over prijsontwikkelingen van producten, energie en arbeid. Om grote stappen te zetten op het terrein van arbeidsbesparende technieken en methoden zijn systeeminnovaties gewenst.

Melkveehouders zijn door automatisering flexibeler

De Nederlandse melkveebedrijven zijn continu gegroeid in aantal melkkoeien en grond (agrimatie.nl). Die groei is gepaard gegaan met een beperkte uitbreiding van de arbeidsbezetting en met een lichte toename van het aantal betaalde arbeidskrachten (tabel 6.5) en iets meer uitbesteding van werk. De groei is echter vooral opgevangen door het inpassen van technologische vernieuwingen in het bedrijf, waarvan de melkrobot hét voorbeeld is. Deze robot werkt 24 uur per dag en geeft de ondernemer meer vrijheid, want hij hoeft niet langer ’s ochtends en ’s avonds te melken. Hij is hierdoor flexibeler wat ten goede komt aan de arbeidsproductiviteit. Verder betekent het een verlichting van de arbeidsbelasting; ook het sociale aspect, meer tijd voor het gezin, is voor de ondernemer belangrijk. Tevens komt met de melkrobot veel meer informatie over de koe en melkproductie beschikbaar. Er kleven ook nadelen aan de melkrobot. Naast aanschaf- en onderhoudskosten is een geleidelijke uitbreiding van het bedrijf financieel onaantrekkelijk, immers een robot kan ongeveer 65 tot 70 koeien per dag melken en de ondernemer zal de melkrobot snel op z’n maximale capaciteit willen laten draaien. De arbeidsbesparing en de toegenomen flexibiliteit wegen veelal zwaarder dan de nadelen.

Een andere vinding die steeds meer wordt gebruikt is de voerrobot. Die zorgt ervoor dat de juiste hoeveelheid en het juiste mengsel voer voor de koeien beschikbaar is. Daarbij wordt het voer netjes naar het voerhek geschoven en kan op elk moment het gewenste rantsoen worden verstrekt. De nauwkeurig afgestemde voerhoeveelheden leiden tot besparingen en hogere melkproducties. Het werk van de ondernemer blijft grotendeels beperkt tot controle en aanvulling van de hoeveelheid voer in de buffer/voerkeuken. Dit geeft de ondernemer meer flexibiliteit.

Een derde innovatie die een belangrijke verandering in het dagelijkse werkproces van de melkveehouders teweeg heeft gebracht, is de mestschuifrobot. Hoewel er al langere tijd een mestschuifmachine werd gebruikt, is de mestschuifrobot in opmars met de groei van de stallen; ook kan de robot dwarsgangen reinigen. Dit betekent voor de ondernemer een verlichting in arbeidstijd en -omstandigheden. Veelal zullen deze en andere vernieuwingen op het bedrijf worden geïntroduceerd bij de bouw van een nieuwe stal.

Omdat steeds meer boeren hun koeien niet zelf meer melken, komen er steeds meer instrumenten om het vee in de gaten te houden. Het gaat dan om sensor- en cameratechnieken voor het monitoren van individuele koeien, zoals stappentellers en webcams om het afkalven in de gaten te houden. Al deze instrumenten leveren informatie aan de ondernemer. Deze zal zich meer en meer moeten omvormen naar een manager van informatie. Jonge ondernemers zullen daar over het algemeen het minste problemen mee hebben.

Varkenshouders veranderen werkproces

Waar de glastuinbouw en de melkveehouderij steeds verder automatiseren en arbeidskosten in de hand weten te houden, is het voor de varkenshouderij moeilijker om verdere arbeidsbesparende technieken te ontwikkelen en te adopteren. Dat zal te wijten zijn aan de moeilijke financiële positie, tussen 2007 en 2011 werd er nauwelijks iets verdiend, maar ook aan de kenmerken van de sector. De sector heeft een kort-cyclische aard en er wordt gewerkt met grote aantallen dieren. Dit vergt veel arbeidshandelingen die moeilijk te automatiseren zijn. Een andere rem op de ontwikkeling en introductie van arbeidsbesparende technieken vormen de noodzakelijke investeringen door wettelijke eisen, waardoor er minder ruimte is om in deze technieken te investeren. Verder kunnen of mogen varkensbedrijven soms niet op de bestaande locatie uitbreiden, waardoor er op meer locaties gewerkt moet worden. Een nieuwe stal kan het mogelijk maken grotere koppels te houden, looplijnen te bekorten en makkelijker de biggen te vangen met behulp van balansroosters. Door de verbeterde bedrijfsinrichting kan tijd worden bespaard. Het automatisch voeren is al jaren min of meer standaard. Maar het overstappen naar een drie-weken-schema (managementsysteem waarbij het spenen, insemineren en werpen worden verdeeld over drie weken) maakt het werkproces efficiënter, omdat insemineren, spenen en werpen van grote weekgroepen op één plek is geconcentreerd. Hiervoor moet het arbeidsproces goed zijn ingericht. Het werk bij meer dieren hoeft niet veel meer tijd te kosten (Agrimonitor, 2012). De ontwikkeling van een varkenstoilet geeft aan dat bij arbeidsbesparende technieken niet alleen aan arbeidsbesparing wordt gedacht, maar ook aan het welzijn van het dier en aan vermindering van de emissie naar het milieu.

Veel besparingen hangen ook af van het vakmanschap van de ondernemer: prioriteiten stellen, het opmerken van afwijkingen en daarop actie ondernemen. Dit is met name belangrijk bij diergezondheid. Gezondheidsproblemen betekenen een verstoring van de gangbare werkzaamheden en veroorzaken veelal een arbeidspiek.

Naast de automatiseringstechnieken, wordt de organisatie van het werkproces, de kwaliteit op het gebied van personeelsmanagement en eigen management-competentieontwikkeling steeds belangrijker voor de varkenshouder.

Arbeidsbesparende technieken dienen meerdere doelen

Uit voorgaande is duidelijk dat bij arbeidsbesparende investeringen veelal ook andere overwegingen een rol spelen. In de tuinbouw zijn dat bijvoorbeeld het verbeteren van de kwaliteit van het product en het beter kunnen inspelen op de wensen van de klanten. De melkrobot maakt de ondernemer flexibeler. In de varkenshouderij is door een toenemende bedrijfsgrootte en vernieuwing in de stalinrichting winst te behalen voor zowel dier als mens. Maar hier is vooral ook goed personeelsmanagement van belang bij arbeidsbesparing. Door gebruik te maken van nieuwe technieken krijgt de boer of tuinder steeds meer managementinformatie tot zijn beschikking. Het omzetten van deze informatie in een gerichte koers voor het bedrijf, wordt de komende jaren een belangrijk facet van het modern ondernemerschap in de land- en tuinbouw (De Koeijer, 2014).

De primaire land- en tuinbouw biedt in de toekomst aan minder mensen werk, omdat handmatige, repeterende werkzaamheden zullen worden geautomatiseerd (robotisering). Hierdoor zal de vraag toenemen naar externe dienstverlening voor service en onderhoud aan machines, installaties en robots. Verder neemt de arbeid toe op het gebied van management, analyse en controle. Dit over het algemeen hoogwaardiger werk sluit beter aan bij het snel stijgend opleidingsniveau van jongeren in Nederland.

6.3 Grond

6.3.1 Areaal

Het totaal agrarisch areaal cultuurgrond in gebruik bij de geregistreerde land- en tuinbouwbedrijven bedroeg in 2013 1,85 mln. ha, ongeveer 6% minder dan in 2000 (tabel 6.6). De afname van het areaal akkerbouw - met 114.000 ha tot 521.000 ha in 2012, een daling van 18% - is de grootste verandering in het grondgebruik vanaf de eeuwwisseling. Onder invloed van de goede bedrijfsresultaten in recente jaren en gunstige vooruitzichten, is het areaal weer gestegen met 12.000 ha (2,2%) tot 532.000 ha in 2013. De helft van de groei komt voor rekening van de aardappelteelt. Het areaal grasland en voedergewassen nam met een half procent af. Gezien ontwikkelingen in beleid en markt voor de melkveesector is dit waarschijnlijk een korte, tijdelijke teruggang. De zwaardere graslandeis voor de derogatiebedrijven (80% grasland in plaats van 70%), afschaffing van de melkquotering en strengere mestwetgeving betekenen meer vraag naar grasland (en voedergewassen). Het areaal opengrondtuinbouw is in het afgelopen jaar gelijk gebleven, terwijl het glasareaal opnieuw is gedaald. Sinds 2005 is de oppervlakte glas met ruim 700 ha (bijna 7%) afgenomen tot 9.800 ha in 2013 (tabel 6.6). In deze periode nam het areaal glasgroenten nog met 450 ha toe, terwijl het areaal sierteelt onder glas met 1.200 ha kromp.

Van het totaal areaal cultuurgrond is nu 53% in gebruik als grasland (blijvend, tijdelijk en natuurlijk grasland), 13% voor groenvoedergewassen, 29% voor overig akkerbouwland, 5% voor opengrondstuinbouw en 0,5% voor glastuinbouw.

6.3.2 Grondmarkt

Twee derde van de landoppervlakte van Nederland is in gebruik als landbouwgrond. Zo’n 60% is in het bezit van agrariërs die de grond zelf gebruiken. Daarnaast is een groot areaal in het bezit van particulieren die de grond niet zelf gebruiken maar verpachten. Andere partijen met een substantieel bezit van landbouwgronden zijn het Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf (47.000 ha), gemeenten (20.000 ha), investeringsmaatschappijen (bijv. a.s.r. met 33.000 ha), BBL (32.000 ha), ideële instellingen (met name kerken, naar schatting 30.000-60.000 ha), terreinbeherende organisaties en landgoedeigenaren. In de afgelopen twintig jaar ging jaarlijks gemiddeld 3% van het areaal over in andere handen, waarvan circa twee derde door bedrijfsoverdrachten binnen families. De rest, ongeveer 1% van het areaal, wordt op de markt verhandeld. Particulieren, vooral boeren, zijn veruit de belangrijkste groep kopers en verkopers. Door de vastgoedcrisis en de heroverweging in het natuurbeleid is de vraag naar landbouwgrond voor niet-agrarische doelen, zoals stedenbouw en natuurontwikkeling, sterk teruggelopen.

Sterke stijging agrarische grondprijs vanaf 2005

De nominale grondprijs van onverpachte landbouwgrond is in Nederland vanaf 2005 met ongeveer 80% gestegen, van gemiddeld 29.000 tot 52.000 euro per ha in 2013.

Daarmee ligt de gemiddelde prijs veel hoger dan in de ons omringende landen (figuur 6.3). Maar de verschillen binnen een land kunnen groot zijn. In enkele regio’s van de Duitse buurdeelstaat Noordrijn-Westfalen werden in 2012 gemiddelde prijzen tot 45.000 euro per ha genoteerd, terwijl in de meeste deelstaten die in de voormalige DDR liggen de prijs niet boven de 10.000 euro uitkwam. In Denemarken dalen vanaf 2008 de grondprijzen sterk, na een jarenlange stijging in het kielzog van de algehele prijsstijging van onroerende goederen. De financiële crisis zorgde voor een keerpunt.

Marginaal inkomen bepaalt grondprijs

De agrarische grondprijs is de prijs die boeren onderling voor grond betalen. De prijsontwikkeling laat een trendmatige stijging zien, doorbroken door perioden waarin de prijs eerst sterk stijgt en vervolgens sterk daalt. De grondprijs is niet alleen sterker gestegen dan de inflatie, maar ook duidelijk meer dan het gemiddelde inkomen per ha in de grondgebonden sectoren (figuur 6.4). Deze trendmatige stijging van de grondprijs is sterk bepaald door de doorgaande schaalvergroting in de grondgebonden landbouw. Een andere factor is de sterke verlaging van de rentevoet sinds het eind van de jaren tachtig. De schaalvergroting is nodig om te kunnen profiteren van de kostenreductie die door de technische vooruitgang mogelijk wordt gemaakt. Het gevolg is dat de agrarische grondprijs wordt bepaald door het grondinkomen dat door de uitbreidende bedrijven wordt verdiend met extra hectaren, het zogenaamde marginale grondinkomen. Dit marginale grondinkomen - en daarmee de grondprijs - ligt substantieel hoger dan het gemiddelde grondinkomen.

Vertrouwen in grondgebonden landbouw

De hoge agrarische grondprijs steunt op de biedprijs van groeiende bedrijven. Op dit moment is het niet alleen de melkveesector die de toekomst rooskleurig inziet, maar ook de akkerbouw. Zo wordt verwacht dat de voedselprijzen in de komende jaren gemiddeld hoger liggen dan in de achterliggende decennia. De afschaffing van de melkquotering in 2015 heeft geleid tot een scherpe daling van de melkquotumprijs en een stijging van de grondprijs: de quotumwaarde is ‘overgelopen’ in de grondprijs. Naar verwachting kan de melkproductie de komende jaren met 10 tot 20% worden opgevoerd, afhankelijk van het mestbeleid. De extra productie komt tot stand door een hogere melkproductie per koe en door meer melkvee aan te houden. In beide gevallen groeit de behoefte aan grond voor het ruwvoer.

Al met al lijkt er een stevig fundament te liggen onder de grondprijs. Maar een tijdelijke (forse) daling van de prijs van landbouwgrond is in het verleden vaker voorgekomen en kan niet worden uitgesloten. Een abrupte verandering in de markt van landbouwproducten of een scherp stijgende rente kunnen daartoe aanleiding geven. Dat kan ook gelden voor een aanpassing van het mestbeleid. Maar ontwrichtend voor de agrarische of bancaire sector zal dat naar verwachting niet zijn. De risico’s van een dergelijke grondprijsdaling liggen vooral bij nieuwe investeerders.

6.3.3 Pacht

Pachtarealen en pachtprijzen

Het totale pachtareaal – inclusief ‘zwarte en grijze’ pacht – is in 2013 met ongeveer 7.500 ha (-1%) afgenomen tot 742.000 ha. Het areaal pacht met prijsbeheersing (reguliere pacht en geliberaliseerde pacht langer dan zes jaar) is iets sterker gedaald, met 1,7% tot 328.000 ha. Dat is overigens wel minder dan de afname in de voorgaande jaren, die uitkwam op 3,3% per jaar (tussen 2008-2012). De liberale pacht met een korte looptijd is na de introductie in 2007 snel gegroeid tot 62.000 ha in 2013 (tabel 6.7). De afname van de reguliere pacht vloeit voort uit het substantiële verschil tussen de prijzen van regulier verpachte grond en onverpachte grond. Vanwege het directe vermogensverlies voor de grondeigenaar is het aanbieden van een nieuwe reguliere pachtovereenkomst onaantrekkelijk.

De pachtprijs van pachtovereenkomsten met prijsbeheersing is vanaf 2006 met een derde gestegen tot gemiddeld 560 euro per ha in 2012 (figuur 6.5); de prijs van de ‘vrije’ contracten nam toe met een kwart tot 740 euro per ha. Door de iets sterkere prijsstijging van de pacht met prijsbeheersing is het verschil in prijsniveau tussen beide gedaald van 40% tot 30%.

Tot de pachtvormen zonder prijsbeheersing - pachter en verpachter bepalen zelf de prijs - behoren ook de mondelinge (‘zwarte’ pacht) en schriftelijke overeenkomsten die niet zijn geregistreerd door de grondkamer (‘grijze’ pacht). Ook teeltpacht (pacht voor kortlopende teelten) valt onder de pachtvormen zonder prijsbeheersing. De prijs van deze pachtvorm ligt op zo’n 1.500 euro per ha. In de grijze of zwarte pacht kunnen overigens ook overeenkomsten zijn opgenomen die het karakter van teeltpacht hebben, maar die niet als zodanig zijn geregistreerd.

Pachtnormen 2014

In de pachtprijsgebieden met overwegend akkerbouw stijgt de hoogst toelaatbare pachtprijs van bestaande contracten voor los land in 2014 met maximaal ruim een vijfde (tabel 6.8). In de pachtprijsgebieden met de nadruk op de melkveehouderij daalt de pachtnorm. Deze verschillen zijn het gevolg van uiteenlopende bedrijfsresultaten tussen de sectoren. In de akkerbouw werden in 2012 goede resultaten behaald, terwijl dat jaar voor de melkveehouderij juist minder goed was. De relatief lage rente heeft een drukkend effect op de pachtnormen.

Per 1 januari 2014 zijn twee pachtprijsgebieden gewijzigd. Westelijk Holland is uitgebreid met twee opgeheven gemeenten, Wieringen en Wieringermeer. Deze gemeenten vormen samen met twee andere opgeheven gemeenten - Anna Paulowna en Niedorp - de nieuwe gemeente Hollands Kroon. Het pachtprijsgebied IJsselmeerpolders gaat verder zonder de opgeheven gemeenten Wieringen en Wieringermeer. Door deze wijziging zijn de veertien pachtprijsgebieden niet langer gelijk aan de veertien groepen van landbouwgebieden.

Evaluatie pachtregelgeving

In 2007 is de Pachtwet ingetrokken en is de pachtregelgeving ondergebracht in het Burgerlijk Wetboek. Daarbij zijn enkele wijzigingen doorgevoerd waaronder de invoering van geliberaliseerde pacht (in plaats van eenmalige pacht) en een nieuwe manier voor het berekenen van pachtnormen. In opdracht van de staatssecretaris van Economische Zaken is de pachtregelgeving geëvalueerd. Het evaluatierapport (Bruil, 2014) is april 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden. Staatssecretaris Dijksma wil eerst belanghebbenden spreken voordat zij op de evaluatie reageert.

In een bijlage van het rapport beoordeelt Bruil de huidige pachtregelgeving, met name de aanpassingen van 2007, en doet hij suggesties voor verbeteringen. Zowel vanuit pachters als verpachters is er kritiek op de grote fluctuaties die van jaar op jaar in de pachtnormen kunnen optreden. Deze worden nu berekend op basis van de grondbeloning per groep van landbouwgebieden (zie tabel 6.8). In plaats hiervan zou een perceelsclassificatiesysteem ontwikkeld kunnen worden waaraan een rendementsberekening per perceel is gekoppeld.

Het rapport stelt ook nieuwe pachtregels voor, omdat de huidige regels tweeslachtig zijn: enerzijds reguliere pacht met veel bescherming voor de pachter, anderzijds geliberaliseerde pacht met nauwelijks bescherming. Als uitgangspunt voor de nieuwe regelgeving geldt dat pachter en verpachter hun verhouding onderling regelen, maar wel met enkele restricties: waar nodig bescherming van de pachter en waar mogelijk stimuleren van duurzaam grondgebruik. Het stelsel maakt onderscheid in pachtovereenkomsten voor hoeven (complex van grond, bedrijfsgebouwen en woningen) en voor los land en gebouwen. Voor hoeven is de wettelijk minimumduur 25 jaar, en voor andere pachtobjecten zes jaar. In bijzondere omstandigheden zou daarvan kunnen worden afgeweken, zoals een duur van een of twee jaar in verband met de vruchtwisseling. In het voorstel worden de huidige pachtprijsbeheersing en de grondkamers afgeschaft. In plaats daarvan zou er een systeem moeten komen dat tot redelijke pachtprijzen leidt. Bij een geschil over de pachtprijs zou een arbitragecommissie uitspraak moeten kunnen doen met behulp van een ‘perceelsclassificatiesysteem’ met daaraan gekoppelde overeengekomen pachtprijzen.

Eerste reacties van pachters en verpachters

De Federatie Particulier Grondbezit (FPG) ziet in het evaluatierapport voldoende aanknopingspunten voor een toekomstbestendig stelsel. Ze tekent erbij aan dat in de praktijk een grote behoefte blijft bestaan aan pacht met een duur van minder dan zes jaar, die in het voorstel voor een nieuwe regeling alleen in bijzondere omstandigheden mogelijk is. Verder is het voor de federatie de vraag of de voorstellen leiden tot minder grijze of zwarte pacht.

De BLHB - Bond van Landpachters en Eigen Grondgebruikers - noemt het evaluatierapport echter ‘teleurstellend’. De bond is vooral bezorgd over de voorgestelde liberalisering van de pachtregelgeving. Volgens de bond moeten bestaande (reguliere) pachtovereenkomsten onbeperkt blijven bestaan en kan een vorm van pachtprijsbeheersing niet worden gemist.

6.4 Kapitaal

6.4.1 Algemeen

De gemiddelde waarde van de Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven is gestegen van 2,1 mln. euro in 2009 tot 2,6 mln. euro in 2013 (figuur 6.6). De toename is vooral te danken aan de groei van de gemiddelde bedrijfsomvang en de hogere waarde van grond. Hierdoor is het aandeel van de grond op de balans gestegen van bijna 40% in 2009 tot de helft in 2013. Het aandeel van de overige materiële activa, zoals machines, installaties en de woning, is gedaald van 18% naar 15%. De waarde van de immateriële activa, vooral quota en dierrechten, is in vier jaar tijd bijna gehalveerd; het aandeel van deze post kromp van 15 naar 7%.

Zowel het balanstotaal als de samenstelling ervan verschilt sterk tussen bedrijven en bedrijfstypen. De gemiddelde waarde van de akkerbouwbedrijven is in vier jaar tijd met 1,5 mln. euro gestegen tot 3,7 mln. euro, waarmee ze het hoogste gemiddelde balanstotaal hebben (figuur 6.6). De stijging van de grondprijs, in combinatie met een toename van de gemiddelde oppervlakte (met 6 ha tot 68 ha), is hier grotendeels voor verantwoordelijk. De grond maakt nu twee derde van het balanstotaal uit. De melkvee-bedrijven zagen hun gemiddelde balanstotaal stijgen tot bijna 3 mln. euro, vooral dankzij de toename van de balansposten grond en bedrijfsgebouwen, onder meer door investeringen in uitbreiding vooruitlopend op de afschaffing van de melkquotering in 2015. De gemiddelde waarde van de glastuinbouwbedrijven is ondanks de waardedaling van de grond met 0,5 mln. gestegen tot 3,2 mln. euro door groei in omvang; hierin zit ook het effect van het loslaten van de bovengrens van de steekproefbedrijven in het Informatienet per 2010, waardoor de zeer grote bedrijven ook worden meegenomen. Met 2 mln. euro is de balanswaarde van varkensbedrijven het laagst. Een belangrijk deel van het kapitaal op deze bedrijven is vastgelegd in bedrijfsgebouwen (zie ook agrimatie.nl).

6.4.2 Immateriële activa

De immateriële activa bestaan vooral uit de productierechten (quota) die in EU-verband zijn vastgesteld ter beperking van de productie van melk en van suiker, de dierrechten voor varkens en voor pluimvee en de toeslagrechten in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Al deze rechten zijn in Nederland onder voorwaarden verhandelbaar; de prijzen van de rechten fluctueren op basis van aanbod en vraag. De waarde ervan wordt mede bepaald door beleidswijzigingen. De waarde en de samenstelling van deze rechten verschillen sterk tussen bedrijven en bedrijfstypen.

De waarde van productierechten (quota) op de balans is sinds 2006 gestaag aan het dalen. Het melkquotum wordt op 1 april 2015 afgeschaft. Vanaf dat moment vervalt de superheffing op melk die boven het quotum wordt geproduceerd. Het suikerquotum verdwijnt in 2017. Vanaf dan is de teelt van suikerbieten vrij.

De balanswaarde van dierrechten op varkensbedrijven is in vier jaar tijd met gemiddeld bijna 60% gedaald, het grote aanbod van varkensrechten heeft geleid tot een forse prijsdaling (-70%). Voor varkens en pluimvee blijven dierrechten voorlopig bestaan. In 2016 zal worden bekeken of de dierrechten voor varkens en voor pluimvee met ingang van 2018 kunnen komen te vervallen. Vooralsnog komen er geen dierrechten voor koeien. Melkveebedrijven kunnen blijven groeien, mits het bedrijf beschikt over voldoende grond voor de mest, of de extra mestproductie laat verwerken.

De toeslagrechten, die recht geven op de jaarlijkse bedrijfstoeslag, komen per 31 december 2014 te vervallen. Ze worden vervangen door betalingsrechten. Waarschijnlijk krijgt iedereen in Nederland in 2019 dezelfde waarde per hectare uitgekeerd. De betalingsrechten worden in 2015 toegekend. Er komt een overgangsperiode tot 1 januari 2019. Het aantal betalingsrechten wordt hoogstwaarschijnlijk bepaald op basis van het aantal hectares subsidiabele landbouwgrond dat gebruikt wordt op 15 mei 2015. De waarde van het betalingsrecht in de overgangsperiode wordt gebaseerd op de waarde van de toeslagrechten in eigendom op 15 mei 2014. De waarde van de verhuurde toeslagrechten telt hierbij mee. Het bedrag voor de betaling voor de vergroening bedraagt 30% van de totale betaling. Verwacht wordt dat in 2019 de basisbetaling 270 euro per hectare zal zijn en dat de betaling voor de vergroening uitkomt op 120 euro per hectare (zie ook §2.1.2).

6.4.3 Ontwikkeling eigen vermogen

In 2013 werd gemiddeld twee derde van het balanstotaal van de Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven gefinancierd met eigen vermogen (figuur 6.6). De grondgebonden bedrijven werken gemiddeld met een grotere inzet van eigen kapitaal dan de niet-grondgebonden bedrijven. De solvabiliteit is het hoogst op de akkerbouwbedrijven (80% in 2013) en het laagst op de glastuinbouwbedrijven (36%). Overigens is er ook een grote spreiding in solvabiliteit binnen de verschillende bedrijfstypen (agrimatie.nl).

Herwaardering grond belangrijk voor ontwikkeling eigen vermogen

De vorming van eigen vermogen op land- en tuinbouwbedrijven vindt enerzijds plaats door herwaardering van aanwezige activa en anderzijds door mutaties van de liquide middelen afkomstig uit besparingen, ontvangen erfenissen en overige vermogensmutaties.

Op de akkerbouwbedrijven droegen met name herwaardering maar ook mutaties van liquide middelen door goede bedrijfsresultaten bij aan een toename van het eigen vermogen (figuur 6.7). Vooral de herwaardering van grond, met name vanaf 2009, heeft daaraan bijgedragen. De sterkste jaarlijkse mutatie van eigen vermogen uit zowel herwaardering als liquide middelen vond plaats op de grootste akkerbouwbedrijven.

De ontwikkeling van het eigen vermogen in de glastuinbouw laat een tegenovergesteld beeld zien. Vanaf het tijdvak 2005-2008 is het eigen vermogen gedaald, in hoofdzaak door de slechte bedrijfsresultaten die hebben geleid tot ontsparingen. Daarnaast is de laatste jaren de waarde van de grond voor de glastuinbouw afgenomen, waardoor in de periode 2009-2012 het eigen vermogen met gemiddeld 8% is verminderd. De grondprijzen staan nog steeds onder druk, omdat de vraag naar grond zowel binnen (nieuwbouw van kassen) als buiten (bouwkavels voor huizen) de tuinbouw afnam (agrimatie.nl). Door de afname van het eigen vermogen ondervindt een groot aantal glastuinbouwbedrijven problemen, zowel bij bestaande financiering alsook bij het verkrijgen van nieuwe financieringen, doordat lastig aan solvabiliteitseisen vanuit de bank kan worden voldaan. Op de grotere glastuinbouwbedrijven is de jaarlijkse mutatie van eigen vermogen uit zowel herwaardering als liquide middelen groter dan gemiddeld.

De bijdrage van herwaardering en mutaties van liquide middelen aan het eigen vermogen in de melkveehouderij wisselt in de loop van de onderscheiden perioden (figuur 6.7). In het tijdvak 2009-2012 zorgde de herwaardering van de activa voor een toename van het eigen vermogen. Dat is te danken aan de stijging van de grondwaarde, die de waardevermindering van de melkquota ruimschoots overtrof. Het gemiddeld negatieve inkomen uit 2009 zorgde ervoor dat de mutatie vanuit liquide middelen in het laatste tijdvak licht negatief was. De grootste melkveebedrijven realiseerden wel een positieve mutatie van liquide middelen.

In de varkenshouderij is het eigen vermogen in alle drie de gepresenteerde tijdvakken door mutaties van de liquide middelen verminderd. Alleen in de periode 2005-2008 is het eigen vermogen gestegen door herwaardering van grond en gebouwen. De laatste vier jaar is de gemiddelde herwaardering nihil: de positieve herwaardering van grond en de negatieve herwaardering van productierechten hielden elkaar in evenwicht. Alleen de grootste varkensbedrijven schreven gemiddeld zwarte cijfers.

Literatuur