Landbouw, milieu en dierenwelzijn

5.1 Gewasbescherming en plantgezondheid

5.1.1 Verbruik gewasbeschermingsmiddelen

Het totale verbruik aan gewasbeschermingsmiddelen is in 2012 gestegen naar 11,4 mln. kg werkzame stof (tabel 5.1). Het voorjaar van 2012 was relatief nat, waardoor er bijna 10% meer voor schimmelbestrijding is verbruikt dan in 2011. Het gebruik voor insectenbestrijding en grondontsmetting is wel afgenomen. Een nat voorjaar remt de populatiegroei van insecten.

5.1.2 Beleid

De 2e Nota Duurzame Gewasbescherming (“Gezonde Groei, Duurzame Oogst”) heeft een kanteling teweeg gebracht in de verhoudingen binnen de productieketen. Die kanteling is voortgekomen uit de beleidsmatige overstap van vermindering van de milieubelasting (2001-2010) naar vermindering van het aantal normoverschrijdingen (2013-2023).

In de 1e Nota Duurzame Gewasbescherming (2001-2010) stond een vermindering van de milieubelasting van oppervlaktewater met 95% centraal. De belangrijkste instrumenten om die 95% te bereiken, waren regelgeving om emissies te beperken en regelgeving voor de herbeoordeling van ‘bestaande stoffen’. Via deze herbeoordeling zijn milieubelastende stoffen vervangen door milieuvriendelijke stoffen. Door de inzet van deze instrumenten verminderde de milieubelasting van het oppervlaktewater met 85% (Van Eerdt, 2012). De dynamiek voor deze vermindering was afkomstig uit regelgeving van de overheid. De verantwoordelijkheid lag bij de gebruikers (boeren, tuinders, loonwerkers) van de middelen.

In de 2e Nota Duurzame Gewasbescherming (2013-2023) staat een vermindering van het aantal overschrijdingen van waterkwaliteitsnormen met 90% centraal. De overschrijdingen worden per stof vastgesteld via een systematische bemonstering van het oppervlaktewater door waterbeheerders. Bemonstering en analyse worden bekostigd uit waterschapslasten en subsidies van het Rijk. De uitkomsten worden verzameld in de Bestrijdings-Middelen-Atlas van het CLM. Via koppeling aan de perceelsregistratie van de CBS-Landbouwtelling, worden de normoverschrijdingen van afzonderlijke stoffen op landelijk niveau herleid tot gewassen of gewasgroepen. Zo is een gerichte aanpak van normoverschrijdingen door specifieke gewasbeschermingsmiddelen mogelijk.

In de 2e Nota is afgesproken, dat de betrokken toelatingshouder (= fabrikant) een Emissie-Reductie-Plan (ERP) moet opstellen als de toepassing van een middel in de periode en regio van toepassing tot normoverschrijdingen leidt. Als het ERP na invoering onvoldoende effect sorteert, dan kan de toelating worden ingetrokken. Op deze manier is de verantwoordelijkheid voor het juiste gebruik van middelen bij de toelatingshouders komen liggen. Zij worden voortaan aangesproken op normoverschrijdingen die voortvloeien uit een slechte naleving van de gebruiksvoorschriften door hun afnemers. Het effect zal zijn, dat de toelatingshouders ketenverantwoordelijkheid gaan nemen en hun afnemers gaan aanspreken op onjuist gebruik. Bij aanhoudende normoverschrijdingen zullen zij halsstarrige afnemers, na herleiding tot gewassen en individuele gebruikers in een bepaald stroomgebied, uitsluiten van levering. De dynamiek voor deze vermindering komt voort uit de ketenaansprakelijkheid van de toelatingshouders. Zij willen voorkomen dat hun toelatingen en hun reputatie worden ondermijnd door aanhoudende normoverschrijdingen.

Door verschuiving van de verantwoordelijkheid van groepen gebruikers (boeren, tuinders, loonwerkers) naar toelatingshouders ontstaat een nieuwe dynamiek. Waar regelgeving vanuit de overheid centraal stond in de 1e Nota, daar staat rentmeesterschap van toelatingshouders centraal in de 2e Nota. Deze nieuwe benadering biedt goede perspectieven voor een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de komende jaren.

Implementatie 2e Nota Duurzame Gewasbescherming

Bij de evaluatie van de 1e Nota Duurzame Gewasbescherming bleek dat het oppervlaktewater in Nederland nog te hoge concentraties aan gewasbeschermings-middelen bevat (Van Eerdt et al., 2012). Aan het eind van de beleidsperiode (2010) werden de Maximaal Toelaatbare Risico’s (MTR-normen) op de helft van de meetlocaties nog regelmatig overschreden. Met de 2e Nota Duurzame Gewasbescherming probeert men dit probleem op te lossen. Kleine overschrijdingen zijn aan te pakken met emissiereductie door bijvoorbeeld spuitdoppen met een zeer hoge driftreductie te gebruiken en spuitvrije zones te verbreden. Voor grote overschrijdingen zijn doelgerichte acties nodig. Zo bleek condenswater in bloembollenopslag een probleem te zijn. In dit water lossen bewaarmiddelen op, die via de condenswaterafvoer in het oppervlaktewater terechtkomen. De oplossing hiervoor is het opvangen en zuiveren van het condenswater. Dit vergt uiteraard een forse investering in filtersystemen en operationele kosten zoals energie en filtervervanging.

Ter voorbereiding op de 2e Nota zijn maatregelen voor het halen van de voorgestelde doelen geïnventariseerd en doorgerekend (Buurma et al., 2013). Er ontstond vervolgens discussie over een aantal voorgestelde maatregelen. Afhankelijk van het belang dat men heeft, werden zorgen geuit over de (soms hoge) kosten of over de effectiviteit van de maatregelen, bijvoorbeeld of uitspoeling en afspoeling van middelen richting het oppervlaktewater voldoende beperkt zouden worden. Deze discussie woedt nog voort en kan tot aanvullende maatregelen op de 2e Nota leiden.

Her-etikettering (integratie wettelijk gebruiksvoorschrift en gebruiksaanwijzing)

Er is besloten tot her-etikettering van gewasbeschermingsmiddelen, die het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) momenteel uitvoert. De oude etiketten gaven de toepasser relatief veel ruimte, bijvoorbeeld bij de keuze van het aantal bespuitingen gedurende een teeltseizoen. Die ruimte wil men inperken en daarmee het middelgebruik verder terugdringen (Akkerwijzer, 2014). Voor elk middel wordt opnieuw beoordeeld onder welke voorwaarden het in welk gewas mag worden ingezet. Hierbij worden het oude Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG) en de Gebruiksaanwijzing (GA) gewijzigd in een nieuw gestandaardiseerd WG.

De her-etikettering betekent naar verwachting een beperking van de flexibiliteit en slagkracht bij de gewasbescherming. Met name in de akkerbouw, de sierteelt en de groenteteelt onder glas zou hierdoor een averechts effect kunnen optreden, namelijk een toename van het totale gebruik per ha per jaar en eventueel ook van de risico’s op drift en uitspoeling. De reden hiervoor is dat – nu het aantal bespuitingen is beperkt - het risico bestaat dat per bespuiting aanzienlijk meer middel gebruikt gaat worden. In de meeste gevallen is de hoeveelheid benodigde werkzame stof bij een beginnende ziekte, plaag of onkruidbezetting gering. Bij beperking van het aantal bespuitingen moet de teler noodgedwongen bijvoorbeeld volwassen onkruidplanten bespuiten in plaats van kiemplanten; dat vraagt een veel hogere dosering. De totale hoeveelheid per teeltseizoen kan hierdoor toenemen (Akkerwijzer, 2014; LTO, 2014). De tuinbouwsector krijgt hiernaast vanuit de retail te maken met strengere residu-eisen voor sierteeltproducten.

Zonale toelating

Toelating van nieuwe gewasbeschermingsmiddelen kost veel geld door alle tests die gedaan moeten worden om de effectiviteit en toxiciteit van deze middelen goed in beeld te krijgen. In het verleden moest deze toelating bovendien in iedere Europese lidstaat aangevraagd worden, alvorens het middel kon worden verkocht. Met name voor zogenaamde ‘kleine’ toepassingen, dat wil zeggen gewassen met een klein areaal en/of een relatief klein onkruid- of aantasterprobleem (ziekte of plaag), werd het onaantrekkelijk om middelen te ontwikkelen voor specifieke problemen of om reeds ontwikkelde middelen naar meerdere lidstaten ‘uit te rollen’. Het Europese antwoord hierop is de zogenaamde ‘zonale procedure’, die is bedoeld om dubbel werk te voorkomen en toelatingsaanvragen sneller af te handelen (EU, 2011). Hiervoor is Europa verdeeld in drie zones: centraal, noordelijk en zuidelijk. Nederland ligt in de centrale zone, die zich uitstrekt van Ierland tot Roemenië. Als één van de landen in een zone een stof beoordeelt, dan nemen alle andere landen in die zone dat oordeel over (Nefyto, 2014).

In de praktijk blijkt de nieuwe procedure overgangsproblemen met zich mee te brengen. Verder is nog harmonisatie van de eisen in de verschillende lidstaten noodzakelijk en een betere wetenschappelijk onderbouwing ervan (Nefyto, 2014).

Gewasbescherming buiten de landbouw

In de 2e Nota Duurzame Gewasbescherming is niet alleen aandacht voor gewasbescherming in de primaire sector, maar ook voor ander professioneel gebruik op verhardingen, sport- en recreatieterreinen en overige terreinen, zoals parken in het openbaar groen. Het huidige kabinet wil dit beleid aanscherpen door voor al deze categorieën verboden in te stellen. Dit heeft tot veel discussie in de sector en de Tweede Kamer geleid, die nog niet is afgerond.

In het beleid is nu ook aandacht voor een derde groep gebruikers, de particulieren met hun privégrond, zoals sier- en groentetuinen, gazons en terrassen. Het kabinet stelt voor om ook het gebruik van bepaalde middelen door consumenten te verbieden. Zo wil de overheid vanaf 2015 graag af van het middel Round Up (werkzame stof: glyfosaat) als consumentenproduct, een middel dat lange tijd als milieuvriendelijk bekend stond. Recente studies wijzen echter op grotere gevaren dan voorheen werd aangenomen.

5.1.3 Discussie over risico’s gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Risico’s voor volksgezondheid hebben momenteel brede aandacht. In de dierlijke sector gaat de discussie onder andere over de risico’s van insleep van dierziekten via kalverimport (Vermaas, 2014), Q-koorts en het gebruik van antibiotica. In de plantaardige sector blijft niet alleen de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen de gemoederen bezig houden, maar ook de kans op residuen.

De overeenkomst tussen de dierlijke en plantaardige sectoren is dat ‘omwonenden’ een risicogroep vormen voor bepaalde vormen van veehouderij en plantenteelt. Die risico’s worden niet meer voor lief genomen. Daarnaast was al bekend dat dierziektes zoals vogelgriep kunnen muteren tot varianten die voor de mens gevaarlijk kunnen zijn. Inmiddels is duidelijk dat er ook zogenaamde cross-kingdom jumpers zijn, ziektekiemen die van het plantenrijk over kunnen springen naar het dierenrijk of naar mensen. Dit fenomeen neemt toe, maar is lastig aan te pakken omdat er twee verschillende sectoren bij betrokken zijn: de medische en de agrarische. Een probleem is bijvoorbeeld dat de medische sector voor dezelfde ziekteverwekker een andere naam hanteert dan de agrarische. Zo kan de aardappelbacterie Erwinia bij mensen tot problemen leiden; in de medische wereld heet de bacterie ‘Enterobacter’. Het Platform LIS (Landbouw, Innovatie en Samenleving) heeft hierover advies aan het Kabinet uitgebracht, dat heeft toegezegd voor de zomer met een reactie te komen.

Risico’s voor omwonenden

In het kielzog van de 2e Nota heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de Gezondheidsraad (GR) verzocht advies uit te brengen over de vraag of omwonenden van landbouwpercelen gezondheidsrisico’s lopen door toepassing van gewas-beschermingsmiddelen (I&M, 2014). Het RIVM is inmiddels in opdracht van de GR met dit onderzoek begonnen.

Met name in de bloembollenteelt wordt relatief veel gespoten. Inwoners van de Bollenstreek, maar ook de Actiegroep Bollenboos in Drenthe, waarschuwen tegen de ‘chronische’ blootstelling van burgers in de nabijheid van bollenvelden aan gewasbeschermingsmiddelen: ‘onvrijwillig, onbeschermd en onwetend’ (Fournell, 2014). In het bijzonder zijn er zorgen over het risico op kanker, hormoonverstoring, en zenuwafwijkingen, speciaal in de (spuit-intensieve) lelieteelt en door grondontsmetting. Die zorgen worden bevestigd door onderzoek in binnen- en buitenland (I&M, 2014).

Als het ‘omwonendenonderzoek’ daartoe aanleiding geeft, zouden (extra) brede spuitvrije zones tussen bollenvelden en niet-agrarische terreinen verplicht kunnen worden gesteld. Ook kunnen bepaalde middelen met een hoog risicoprofiel verboden worden in bijvoorbeeld de bollenteelt.

5.1.4 Plantgezondheid

In het dossier ‘Plantgezondheid‘ spelen met name Q(uarantaine)-organismen een belangrijke rol. Dit zijn ziekteverwekkers die ieder land en iedere teler graag wil weren. Niet alleen vanwege de directe gewasschade, maar ook omdat ze niet meer weg te krijgen zijn als ze zich eenmaal in het land of op het bedrijf gevestigd hebben. Als een Q-organisme op een exportproduct aangetroffen wordt, wordt de partij afgekeurd zodat de indirecte schade, het verlies van een deel van de export, groot kan zijn. In de Europese Fytorichtlijn zijn circa 300 organismen opgenomen als Q-organisme (NVWA, 2014). Het LEI heeft een zogenaamde ‘Fytoketencheck’ ontwikkeld waarmee telers, vermeerderaars, handelaren en exporteurs fytosanitaire risico’s voor hun product of productenportfolio kunnen minimaliseren (Breukers en Bremmer, LEI, pers. med., 2014).

Fytosanitaire richtlijnen worden ook wel gebruikt om politieke en/of handelsbelangen van het importerende land veilig te stellen. Een bekend voorbeeld is Rusland, dat met enige regelmaat een boycot tegen Nederlandse producten instelt. Zo heeft in de winter van 2013/2014 de export van Nederlands aardappelpootgoed naar Rusland enige tijd stil gelegen. Deze is half april weer opgestart. Dergelijke boycots, hetzij terecht hetzij onterecht, maken de export van producten als bloembollen, uien en pootaardappelen kwetsbaar.

5.2 Broeikasgassen

Voor de periode 1990-2010 gold voor Nederland in het kader van het Kyotoprotocol een reductiedoelstelling van 6% voor de emissie van broeikasgassen. In het regeerakkoord uit 2010 is de ambitie vastgelegd om de emissie in 2020 met 20% te verminderen ten opzichte van 1990; daarmee wordt aangesloten bij de EU-reductiedoelstelling. Voor de sectoren en bedrijven die deelnemen aan het Europese Emissiehandel Systeem (ETS) geldt een reductieverplichting van 21%, gemeten in CO2-equivalenten. De bedrijven in de primaire land- en tuinbouw vallen onder de sectoren die niet deelnemen aan het ETS, grote tuinbouwbedrijven uitgezonderd. Voor deze groep is het streven de emissie met 16% te verminderen in 2020 ten opzichte van 1990 (I&M, 2011).

Om invulling te geven aan het Kyotoprotocol is in 2008 het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren opgesteld, waarin voor de agrosectoren doelstellingen en acties zijn opgenomen op het gebied van energie en klimaat (Agroconvenant, 2008). Volgens het convenant moet in 2020 de CO2-uitstoot van de gehele agrosector tenminste 3,5 mln. ton en zo mogelijk 4,5 mln. ton kleiner zijn dan in 1990. De uitstoot van de overige broeikasgassen (lachgas en methaan) zou - in CO2-equivalenten gemeten - 4 à 6 mln. ton lager moeten zijn in 2020 dan in 1990 en maximaal 16,0 mln. ton mogen zijn. Per sector zijn voor deze algemene hoofddoelen aanvullende afspraken gemaakt (zie RVO.nl, 2014).

Ontwikkeling emissies

De emissie van de Nederlandse landbouw bedroeg in 2012 25,6 mln CO2-equivalenten (tabel 5.2), op basis van de omrekeningsfactoren van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC) uit 1997 (zie kader Nieuwe inzichten IPCC). Op basis van de meest recente omrekeningsfactoren is de uitstoot 28 mln. CO2-equivalenten. Het aandeel van de primaire landbouw in de nationale uitstoot varieert, voor koolstofdioxide ligt deze rond de 4%, voor methaan rond de 60% en voor lachgas op bijna 70%.

De uitstoot van CO2 in de landbouw is sinds 1990 met 16% toegenomen. Deze uitstoot hangt vooral samen met het energieverbruik in de glastuinbouw, zowel voor de teelt als voor de productie van elektriciteit, maar daalt de afgelopen jaren weer enigszins (zie verder §5.3).

Sinds 1990 is de totale uitstoot van methaan en lachgas samen met 5,6 Mton CO2-equivalenten gedaald. De emissie van lachgas uit de landbouw, dat vooral vrij komt bij ploegen en bemesten (Vellinga, 2011), is met circa 43% afgenomen maar de uitstoot van methaan, vooral afkomstig van herkauwers, slechts met ongeveer 5%. De omvang van de rundveeveestapel is sterk bepalend voor de totale methaanuitstoot; of de uitstoot zal blijven dalen is dan ook afhankelijk van de mogelijke groei in de melkveestapel als gevolg van het opheffen van de melkquotering in 2015. De Nederlandse zuivelsector heeft daarom, via het initiatief Duurzame Zuivelketen, klimaatneutrale groei als doel gesteld. In dit initiatief werken de primaire producenten en de zuivelverwerkende industrie gezamenlijk aan het streven de Nederlandse zuivelsector wereldwijd koploper te maken op het gebied van duurzaamheid (zie Reijs et al., 2013; http://www.duurzamezuivelketen.nl).

Het verloop van de totale uitstoot van broeikasgassen is weergegeven in figuur 5.1, voor verschillende omrekeningsfactoren. De reductie in de totale broeikasgasemissie varieert tussen de 3,8 en 4,5 mln. ton CO2-equivalenten. De omrekeningsfactoren van IPCC-2013 leiden ertoe dat de afname van de totale emissie uit de landbouw over de periode 1990-2012 zo’n 3% kleiner is dan bij het gebruik van de IPCC-2007 factoren.

De uitstoot van broeikasgassen van het totale agrocomplex bedroeg in 2012 40,7 miljard kg CO2-equivalenten. Binnen het totale agrocomplex heeft de primaire land- en tuinbouw met een aandeel van circa 64% de grootste bijdrage (Verhoog, 2014).

Nieuwe inzichten IPPC

In het Kyotoprotocol is afgesproken dat er gerekend wordt met omrekeningsfactoren van het IPCC uit 1997 om het broeikasgaseffect van lachgas, methaan en koolstofdioxide bij elkaar op te tellen (in zogenaamde CO2-equivalenten). Als gevolg van nieuwe inzichten van het IPCC, zijn deze omrekeningsfactoren de laatste jaren gewijzigd (tabel 5.3). Het effect van lachgas is minder zwaar gaan wegen, voor methaan geldt het omgekeerde. Volgens de laatste inzichten wordt bij methaan nu onderscheid gemaakt in niet-fossiel methaan (vooral pens- en darmfermentatie) en fossiel methaan (uit fossiele brandstoffen). Het hoge aandeel van methaan zorgt ervoor dat de totale uitstoot van de broeikasgassen van de landbouw volgens de nieuwste IPCC-inzichten is toegenomen.

5.3 Glastuinbouw en energie

5.3.1 Doelen glastuinbouw op gebied van energie en klimaat

De Nederlandse glastuinbouw is bezig met een energietransitie om het gebruik van fossiele brandstoffen sterk te verminderen. In het Convenant Schone en zuinige agrosectoren (Agroconvenant, 2008) zijn voor de glastuinbouw de volgende doelen en ambities overeengekomen voor 2020:

verbetering energie-efficiëntie met gemiddeld 2% per jaar;

reductie CO2-emissie voor de teelt vanaf 1990 met 1 Mton tot 5,8 Mton; de ambitie is om deze emissie te reduceren tot 4,8 Mton;

reductie van de nationale CO2-emissie met 2,3 Mton via gebruik van warmtekrachtinstallaties;

aandeel duurzame energie van 20%.

In het innovatie- en actieprogramma Kas als Energiebron (KaE) werken glastuinbouw en overheid samen om de doelen van het Agroconvenant te realiseren (Jaarplan, 2014).

CO2-emissieruimte en SER Energieakkoord

De glastuinbouw is een belangrijke elektriciteitsproducent en netto (verkoop minus inkoop) leverancier van elektriciteit (Van der Velden en Smit, 2013). De elektriciteit wordt geproduceerd met warmtekrachtkoppeling, waarbij de vrijkomende warmte wordt benut. Dit in tegenstelling tot elektriciteitscentrales waar meer dan de helft van het brandstofverbruik verloren gaat als afvalwarmte. In het in 2011 afgesloten Convenant CO2-emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem glastuinbouw tussen glastuinbouw en Nederlandse overheid is voor het eindjaar 2020 een totale emissieruimte (voor teelt en verkoop van elektriciteit) overeengekomen van 6,2 Mton CO2. De emissieruimte voor het eerste jaar 2013 is vastgesteld op basis van de werkelijke emissie in de jaren 2010-2012 en bedraagt 7,6 Mton. Met dit convenant is de CO2-emissie meer centraal komen te staan. Bij een hogere werkelijke CO2-emissie t.o.v. de emissieruimte dient de sector aan de overheid te betalen. Op deze wijze worden de kosten voor de milieubelasting geïnternaliseerd.

In het in 2013 tot stand gekomen SER Energieakkoord (SER, 2013) is voor de glastuinbouw een aanvullende inzet afgesproken over energiebesparing (zie ook kader Energiebelasting, CO2-sectorsysteem en Energie Besparingssysteem Glastuinbouw).

5.3.2 Monitoring van de doelen

Energie-efficiëntie

De index van de energie-efficiëntie - de verhouding tussen het verbruik van primaire brandstof en productievolume - was in 2012 44% t.o.v. 1990 (tabel 5.4). Deze verbetering komt zowel door reductie van het primair brandstofverbruik per m2 als door een toename van de fysieke productie per m2, beide met 39%. De energie-efficiëntie is nog 1 procentpunt verwijderd van het doel.

De warmtekracht (wk)-installaties dragen veel bij aan de verbeterde energie-efficiëntie. Zonder de wk-installaties en bij een gelijkblijvende elektriciteitsvraag, was de verbetering van de energie-efficiëntie in 2012 uitgekomen op 37% in plaats van 56%. Of het doel in 2020 haalbaar is, is mede afhankelijk van de vraag of de elektriciteitsverkoop door de wk-installaties de komende jaren op peil blijft.

CO2-emissie

Bij de CO2-emissie dient onderscheid te worden gemaakt tussen de totale emissie en de emissie voor de teelt. Het verschil is de emissie die samengaat met de verkoop van elektriciteit door de glastuinbouw.

In 2012 nam zowel de totale CO2-emissie van de glastuinbouw als de CO2-emissie voor de teelt af (tabel 5.4). Over de gehele periode 1990-2012 daalde de CO2-emissie voor de teelt met 1,7 Mton. Deze afname van 26% is de resultante van een vrijwel gelijk areaal en een daling van het fossiele brandstofverbruik met 10 m3 aardgasequivalenten per m2. De daling was het sterkst in de periode 2004-2006. In de periode 2006-2010 nam het fossiele brandstofverbruik toe. In de laatste twee jaren is wederom een daling zichtbaar.

In heel Nederland kwam de CO2-emissie in 2012 uit op 165,3 Mton, bijna 4% meer dan in 1990. De glastuinbouw loopt bij de CO2-emissie (-26%) dus ver voor op de landelijke ontwikkeling.

Warmtekrachtinstallaties

Het vermogen van de wk-installaties in de glastuinbouw nam in 2012 toe tot ruim 3.000 MWe. De gemiddelde gebruiksduur was met zo’n 4.000 uur ongeveer gelijk aan 2011. De elektriciteitsproductie schommelt de laatste 3 jaar rond de 12 miljard kWh. Dit dekt zo’n 10% van de nationale behoefte. Door benutting van de warmte is in 2012 t.o.v. 1990 de nationale CO2-emissie met 2,2 Mton gereduceerd.

De grootschalige toepassing van wk-installaties heeft invloed op de energiekosten in de glastuinbouw. In 2012 was de gemiddelde inkoopprijs van gas in de glastuinbouw 130% hoger dan in 2004. De netto (inkoop minus verkoop) energiekosten per m2 waren in 2011 slechts 20% hoger dan in 2004. Dit verschil kwam door de verkoop van elektriciteit uit wk-installaties. Tegenover de beperking van de netto- energiekosten stonden wel hogere kapitaalslasten (afschrijving en rente) en onderhoudskosten van de wk-installaties.

Energiebelasting, CO2-sectorsysteem en Energie Besparingssysteem Glastuinbouw

Op aardgas en elektriciteit wordt in Nederland energiebelasting geheven. Het gaat om een heffing op het energiegebruik (EB), sinds 2013 aangevuld met een Opslag Duurzame Energie (ODE) waarvan de opbrengst is bestemd voor de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE+). De ODE neemt de komende jaren substantieel toe. De tariefstructuur van de ODE is gelijk aan die van de EB, namelijk degressief gestaffeld. Dit geeft nauwelijks een prikkel tot verduurzaming van het energiegebruik, omdat de laatste m3 aardgas die worden gebruikt het minst worden belast. De glastuinbouw-sector zou door zijn relatief kleinschalige bedrijfsstructuur, in combinatie met de degressief gestaffelde tariefstructuur, relatief veel energiebelasting betalen (uitgedrukt in euro per GJ energie) (Blom et al., 2010). Hierdoor is destijds voor de glastuinbouw een verlaagde EB op aardgas ingesteld.

Middels het CO2-sectorsysteem rekent de glastuinbouw af met de overheid voor overschrijding van de CO2-emissieruimte op sectorniveau. Bij de afrekening wordt de overschrijding op basis van de marktwaarde voor CO2-emissie omgeslagen over het

aardgasverbruik in de sector. De mogelijke afrekening is hierdoor beperkt per m3 aardgas en daardoor ook de prikkel op de verduurzaming van het energiegebruik.

Naast het sectorsysteem wordt door de glastuinbouw momenteel het Energie Besparingssysteem Glastuinbouw (EBG) ontwikkeld, het is een volledig privaat systeem. In het EBG krijgt een glastuinbouwbedrijf een toekomstige CO2-norm. Als de werkelijke emissie groter is, dan betaalt een bedrijf aan het systeem. Als de werkelijke emissie kleiner is, wordt er niet betaald maar ontvangt het bedrijf ook geen geld. Om alle bedrijven verplicht te kunnen laten deelnemen aan het EBG is een Algemeen Verbindend Verklaring nodig. Hierover beslist de Minister van Economisch Zaken. De afrekening bij het EBG vindt - overeenkomstig het SER Energieakkoord - plaats op basis van een CO2 prijs van minimaal 20 euro per ton; dit is substantieel hoger dan de huidige marktprijs voor CO2 die bij het sectorsysteem wordt gehanteerd. Door de afrekenstructuur en de hogere CO2 prijs brengt het EBG een sterkere prikkel tot energiebesparing en verduurzaming van het energiegebruik met zich mee. Bovendien worden de opbrengsten gebruikt voor Kas als Energiebron.

In 2012 namen de netto-energiekosten toe, terwijl het aardgas juist iets goedkoper werd. De stijging werd veroorzaakt door lagere verkoopprijzen voor elektriciteit, waardoor de spark spread - het verschil tussen de (gerealiseerde) elektriciteitsprijs en de aardgasprijs - kleiner werd. Dit uitte zich echter (nog) niet in een kortere gebruiksduur of een lagere elektriciteitsproductie door de wk-installaties. De algemene verwachting is dat de komende jaren de elektriciteitsprijs verder zal dalen. Hierdoor zullen de warmtekosten voor de glastuinbouw netto verder toenemen. Dit stimuleert een afname van het gebruik van energie en remt het intensiveringsproces. Door de dalende elektriciteitsprijs wordt de belichting - een belangrijk aspect in het intensiveringsproces - gestimuleerd. De vraag die dan overblijft is wat het effect op het totaal energiegebruik zal zijn.

Duurzame energie

Het aandeel duurzame energie steeg in 2012 met 0,4 procentpunt tot 2,3% (tabel 5.4). Dit is een toename van ruim 20% in één jaar. Voor het beoogde doel in 2020 (20%) zijn echter nog bijna 18 procentpunten nodig.

Duurzame energie omvat, in oplopende volgorde van gebruik: duurzaam gas, inkoop van duurzame warmte, aardwarmte, biobrandstoffen, inkoop van duurzame elektriciteit en zonnewarmte. De groei zat in 2012 bij aardwarmte, biobrandstoffen en inkoop van duurzame warmte. Het gebruik van duurzame energie had in 2012 een positief effect op de energie-efficiëntie van bijna 1,5 procentpunt en op de CO2-emissie van ruim 0,1 Mton. In heel Nederland bedroeg het aandeel duurzame energie in 2012 4,4%. In tegenstelling tot de CO2-emissie loopt de glastuinbouw bij duurzame energie dus achter bij de landelijke ontwikkeling. Het gebruik van duurzame energie in de glastuinbouw nam de laatste jaren wel sterker toe dan in heel Nederland.

5.4 Mest en mineralen

5.4.1 Mest- en mineralenproductie

De netto stikstofproductie in dierlijke mest (na aftrek van de gasvormige emissies, zoals ammoniak) daalde tussen 1990 (604 mln. kg) en 2005 (423 mln. kg) met 30% (www.compendiumvoordeleefomgeving.nl). Daarna steeg de stikstofproductie weer, vooral door toename van het aantal dieren. Verlaging van het stikstofgehalte in het voer had, na de afschaffing van het Minasstelsel en het invoeren van het gebruiksnormenstelsel in 2006, aanvankelijk weinig aandacht. In de melkveehouderij begon, onder invloed van de bedrijfsspecifieke excretie (bex), vanaf 2008 het stikstofgehalte in het rantsoen te dalen (Van den Ham et al., 2011). De bex is een methode waarmee de melkveehouder aantoont hoe hij, op andere dan via de forfaitaire methode, voldoet aan de bemestingsnormen van het Gebruiksnormenstelsel (Van den Ham, 2011).

De daling van N-gehalten in het voer en een lagere aanvoer van kunstmest zijn belangrijke oorzaken voor de afname van de stikstofaanvoer na 2010 (tabel 5.5). Het N-overschot per hectare (verschil tussen aan-en afvoer) was in 2011 en 2012 met een derde afgenomen ten opzichte van 1970. Ten opzichte van het topjaar 1986 bedroeg de daling van het N-overschot in 2011 en 2012 bijna 60%. Het door de EU aan Nederland opgelegde stikstofexcretieplafond (de bruto stikstofproductie van 2002 van 504 mln. kg) werd na 2002 nooit overschreden.

De fosfaatproductie in dierlijke mest daalde tussen 1990 (260 mln. kg) en 2005 (170 mln. kg) met 35%. Daarna trad een stijging op die resulteerde in een overschrijding van het fosfaatexcretieplafond (173 mln. kg, zijnde de fosfaatproductie van 2002) met 2 à 3% in de jaren 2008 t/m 2010. De overschrijding is het gevolg van de toename van het aantal dieren en de stijging van het fosforgehalte in het voer in vooral de varkens-houderij. Het niet overschrijden van het excretieplafond is één van de voorwaarden voor derogatie. In 2011 daalde de fosfaatproductie met ruim 9 mln. kg tot 170 mln. kg, waarmee de fosfaatproductie weer beneden het excretieplafond kwam. In 2012 zette de daling voort naar een productie van 161 mln. kg fosfaat, onder meer door lagere mineralengehalten in veevoer (rundvee en varkens) en een betere voederconversie (leghennen en vleeskuikens). Overigens wordt voor 2013 een stijging verwacht naar 164 mln. kg fosfaat door groei van het aantal dieren in met name de melkveehouderij (CBS, 2013).

De aanvoer van mineralen op Nederlandse landbouwgrond daalt doordat steeds meer mest, vooral van pluimvee, wordt geëxporteerd. Van 2006 tot 2012 nam de export met 65% toe van 17 mln. kg fosfaat naar 28 mln. kg fosfaat (De Koeijer et al., 2011; DR loket, 2013a). In 2013 bleef de export nagenoeg op het zelfde niveau als in 2012. Wel vond een verschuiving plaats van pluimvee- naar varkensmest. De export van varkensmest is de laatste twee jaar verdubbeld naar 7 mln. kg fosfaat in 2012 (DR loket, 2014).

5.4.2 Mestbeleid

In 2011 heeft het kabinet aangegeven het mestbeleid via drie sporen vorm te willen geven, namelijk duurzaam evenwicht tussen mestproductie en afzet, via verplichte mestverwerking en gegarandeerde afzet van het resterende overschot; voermaatregelen om onnodig hoge gehalten aan fosfor en stikstof in het voer terug te dringen en de erkenning van hoogwaardige producten uit dierlijke mest als kunstmestvervanger (EL&I, 2011).

Wat betreft het laatste spoor, hier spant het kabinet zich in Europa voor in, tot nu toe zonder succes. Wat betreft het voerspoor geldt dat de fosfaatuitscheiding (fosfaatproductie in mest) in 2012 daalde met 9 mln. kg, waarvan de helft voor rekening van de varkenshouderij komt, een derde voor rekening van de rundveehouderij en de rest voor rekening van de pluimveehouderij. Ten opzichte van 2009 is de fosfaatuitscheiding met 14 mln. kg afgenomen (Bruggen, 2013). De ambitie voor het voerspoor is dat de graasdierhouderij en de varkenshouderij via de voeding ieder 10 mln. kg fosfaat minder produceren, dus in totaal 20 mln. kg. Een deel van de daling met 14 mln. kg is toe te schrijven aan minder dieren. Naar schatting is inmiddels de helft van de via het voerspoor gewenste vermindering van 20 mln. kg gerealiseerd.

Duurzaam evenwicht mestproductie en -afzet

In een ex ante evaluatie van het mestbeleid is ondermeer geconcludeerd dat het risico bestaat dat de mestverwerkingscapaciteit vanaf 2015 niet voldoende zal zijn (PBL, 2013). Dit geldt zowel in een scenario met als zonder dierrechten. Een scenario met dierrechten biedt wel meer zekerheid voor duurzaam evenwicht op de mestmarkt dan een scenario zonder dierrechten. Zonder dierrechten zou het tekort aan mestverwerking 6 mln. kg fosfaat groter kunnen zijn, zodat het gewenste evenwicht op de mestmarkt niet wordt bereikt. Groei van de veestapel wordt vooral verwacht in de melkveehouderij vanwege de beëindiging van de melkquotering in 2015. In de varkenssector wordt tot 2020 geen groei van het aantal varkens verwacht vanwege het slechte economische perspectief. Een situatie waarbij het met de Europese Commissie overeengekomen fosfaatplafond wordt overschreden, wordt niet verwacht. Die verwachting is gebaseerd op het gebruik van fosfaatarmer voer door een convenant tussen het landbouwbedrijfsleven en de veevoersector (PBL, 2013).

De afzetruimte voor fosfaat neemt vanaf 2015 af door de aanscherping van de gebruiksnormen in het kader van het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn. De toename van het mestoverschot wordt de komende jaren meer veroorzaakt door vermindering van de nationale afzetmogelijkheden van mest dan door groei van de veestapel. Mede door de moeizame procedures van vergunningverlening en financiering van mestverwerkingsinitiatieven is de verwachting dat een deel van de benodigde mestverwerkingscapaciteit niet tijdig wordt gerealiseerd (PBL, 2013).

Mestbeleid vanaf 2015

Mede op basis van de ex ante evaluatie heeft de staatssecretaris van Economische Zaken in een brief aan de Tweede Kamer het mestbeleid voor na 2015 uiteengezet (EZ, 2013b). Hoewel volgens de ex ante evaluatie geen uitbreiding van de nationale varkensstapel wordt voorzien, heeft de staatssecretaris er voor gekozen als extra waarborg de dierrechten voor de varkens- en pluimveehouderij voorlopig te handhaven, in ieder geval tot de volgende Evaluatie van de Meststoffenwet in 2016. De dierrechten beperken de omvang van de pluimvee- en varkensstapel. Eén van de argumenten van de Staatssecretaris is de onzekerheid of de Bio Massa Centrale (BMC) in Moerdijk zonder de in 2018 aflopende MEP-subsidie rendabel kan opereren (EZ, 2014b). De Europese Commissie wil de dierrechten voor de hele periode van het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014 t/m 2017) handhaven.

Voor de melkveehouderij worden geen dierrechten ingevoerd. De ex ante evaluatie geeft het vertrouwen dat de groei van de melkproductie niet hoeft te leiden tot een grotere fosfaatproductie, omdat deze groei grotendeels zal worden opgevangen door een verhoogde dierefficiëntie en het voerspoor. Ondernemers die willen groeien, kunnen kiezen voor het verwerven van extra grond en/of voor extra mestverwerking. Het fosfaatoverschot dat een bedrijf in 2013 had, geldt als referentie. Vanaf 2015 zal jaarlijks de feitelijke fosfaatproductie worden vastgesteld en vergeleken met de referentiehoeveelheid. Als de fosfaatproductie is toegenomen, moet de ondernemer kunnen aantonen dat aan de voorwaarden (extra grond en/of mestverwerking) is voldaan. De referentiewaarde is bedrijfsgebonden en niet verhandelbaar. Als melkveehouders kiezen voor het verwerven van extra grond kan dit leiden tot extra druk op de mestmarkt, omdat die grond dan niet meer beschikbaar is voor de afzet van varkensmest. Rundveemest verdringt dan varkensmest van de binnenlandse markt.

5.4.3 Waterkwaliteit, Vijfde Actieprogramma en derogatie

De Europese Commissie heeft Nederland eind 2005 en eind 2009, steeds voor vier jaar, derogatie verleend. Graasdierbedrijven met een bouwplan dat voor minimaal 70% uit grasland bestaat, kunnen daardoor per hectare 250 kg stikstof met graasdiermest toedienen in plaats van 170 kg zoals de Nitraatrichtlijn voorschrijft. Voor de periode 2014 t/m 2017 had de Nederlandse regering weer derogatie aangevraagd. Een probleem hierbij is dat in de Zuidelijke zandregio en in de Lössregio de norm van 50 mg nitraat per liter grondwater onder landbouwgrond nog niet wordt gerealiseerd (Baumann et al., 2012). In de Centrale zandregio (Gelderland en Overijssel) komen op individuele meetpunten overschrijdingen voor (Baumann et al., 2012; Schoumans et al., 2012).

De Nederlandse regering had in het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn, dat bedoeld is voor de periode 2014 t/m 2017, al opgenomen dat de wettelijke werkingscoëfficiënt voor stikstof van varkensmest op zand- en lössgrond per 1 januari 2014 zou worden verhoogd van 70% naar 80%. Een hogere werkingscoëfficiënt leidt ertoe dat minder kunstmest kan worden gegeven vóór de stikstof-totaalgebruiksnorm is bereikt. Bovendien wordt per 1 januari 2015 voor de hele zand- en lössregio een korting doorgevoerd van 20% op de stikstof-totaalgebruiksnorm voor uitspoelinggevoelige akker- en tuinbouwgewassen inclusief mais (EZ, 2013a).

Ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit worden zowel in 2014 als in 2015 de fosfaatgebruiksnormen generiek verlaagd (DR loket, 2009; 2013b). Voor het Nitraatcomité van de EU was dit eind 2013 onvoldoende aanleiding voor een positief besluit met betrekking tot de Nederlandse derogatieaanvraag. Begin 2014 werd bekend dat het Nitraatcomité van de EU aanvullende eisen had (EZ, 2014a):

Het aandeel grasland in het bouwplan wordt voor derogatiebedrijven verhoogd van 70% naar 80%.

Voor de Centrale en de Zuidelijke zandregio en voor de Lössregio geldt een derogatie van 230 kg stikstof uit graasdiermest per hectare in plaats van 250 kg.

Voor de varkens- en pluimveehouderij blijft het dierrechtensysteem t/m 2017 gehandhaafd.

Bedrijven met derogatie mogen geen kunstmestfosfaat gebruiken (Boerderij Vandaag, 2014c).

In april 2014 besloot het comité om, op basis van bovenstaande voorwaarden, Nederland ook voor 2014 t/m 2017 derogatie te verlenen. Van de ruim 21.000 bedrijven met derogatie voldoet ongeveer 60% al aan de 80%-eis (Boerderij Vandaag, 2014a). De rest zit tussen de 70% en 80%. Deze bedrijven (356.000 hectare grond) zullen hun aandeel grasland moeten verhogen wat op deze korte termijn tot knelpunten kan leiden. Staatssecretaris Dijksma heeft toegezegd de knelpunten te zullen bezien (Boerderij Vandaag, 2014b).

Gevolgen van de aanvullende voorwaarden

Het kleinere aandeel maïsland kan gevolgen hebben voor het aandeel snijmaïs in het voerrantsoen, met een eiwitrijker voerrantsoen als gevolg. Als graasdierhouders oplossingen met derden (een deel van de grond verhuren aan loonwerkers bijvoorbeeld) zoeken, zouden de gevolgen beperkt kunnen blijven. Dan blijft ook de vermindering van het maisareaal beperkt, met wel een groter aandeel mais waarop maar 170 kg stikstof met mest kan worden toegediend. Maar de 80%-eis heeft nu al tot gevolg dat melkveehouders terughoudender worden met verhuur of ruiling van grond aan en met akkerbouwers voor de aardappelteelt om te voorkomen dat ze te weinig grasland overhouden (Boerderij Vandaag, 2014d). Voor het zuiden van Nederland, waar melkveehouders graag een zeer groot aandeel mais in het voerrantsoen hebben, zou het gevolg kunnen zijn dat meer bedrijven geen derogatie meer aanvragen. Maar ook daar zullen dan wellicht oplossingen worden gezocht in contracten met derden waardoor voor een groter deel van het maïsland (het areaal op niet-derogatiebedrijven) geen derogatie geldt. Daar kan dan maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest worden toegediend.

De verlaging van de derogatie van 250 naar 230 kg heeft gevolgen voor bedrijven waar voor de mestafzet stikstof in dierlijke mest de bepalende factor is. Het gaat om ongeveer 8.500 bedrijven met 265.000 hectare grond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Door de aanscherping van de fosfaatnormen is op bedrijven met een hoge fosfaattoestand de hoeveelheid fosfaat in de mest veelal de beperkende factor. Op bedrijven met een lage en neutrale fosfaattoestand blijft stikstof meestal de bepalende factor voor de af te zetten hoeveelheid dierlijke mest. Op deze bedrijven zullen zowel de af te zetten hoeveelheid dierlijke mest als de aanvoer van kunstmest kunnen toenemen. De totale stikstofgebruiksnorm verandert namelijk niet. Het is dan ook de vraag in hoeverre verlaging van de hoeveelheid toe te dienen stikstof in mest (van 250 naar 230 kg per hectare) kan bijdragen aan een betere waterkwaliteit (Prins en Daatselaar, 2013).

Kunstmestfosfaat wordt in de melkveehouderij vrijwel uitsluitend gebruikt als startgift bij de snijmaisteelt. De Europese Commissie is van oordeel dat Nederland daarvoor, vanwege het mestoverschot, fosfaat uit dierlijke mest kan gebruiken. Veel boeren hadden, op het moment dat deze aanvullende voorwaarde bekend werd, de mais al gezaaid en de startgift toegediend. Daarom is voor dit jaar een overgangsregeling in het leven geroepen (Rijksoverheid.nl, 2014).

5.5 Ammoniak

5.5.1 Ontwikkeling ammoniakemissie

In 1999 was de ammoniakemissie in de landbouw ten opzichte van 1990 meer dan gehalveerd (143,5 kiloton ammoniak versus 333 kiloton ammoniak). Deze vermindering is vooral toe te schrijven aan het emissiearm toedienen van dierlijke mest en vermindering van het aantal dieren. In 2012 was nog 31% (102 kiloton) over van de ammoniakemissie uit de landbouw van 1990. Dat is vooral te danken aan de afgenomen ammoniakemissie bij het toedienen van dierlijke mest en meer export en verwerking van vooral pluimveemest (Compendium, 2014). De winst zat in het tweede decennium meer bij varkens en pluimvee dan bij rundvee. De afname van de emissie uit stal en opslag kwam bij varkens en pluimvee beter van de grond dan bij rundvee, omdat het beleid voor de vermindering van de ammoniakemissie uit stal en mestopslag vooral op varkens en pluimvee gericht. Daarnaast verminderde de emissie bij het toedienen van varkens- en pluimveemest na 1999 sneller dan bij het toedienen van rundveemest.

Van de 231 kton ammoniak die de landbouw in 2012 minder heeft uitgestoten ten opzichte van 1990 werd 190 kton (82%) al in de eerst 10 jaar gerealiseerd. Om de volgende 41 kton (18%) vermindering te realiseren, was 12 jaar nodig. Dat geeft aan dat het laaghangend fruit is geplukt. Het wordt steeds moeilijker om de uitstoot van ammoniak verder te verminderen.

Samen met de ammoniakemissie uit niet-landbouwbronnen werd in 2012 in Nederland 108 kiloton ammoniak uitgestoten, 20 kiloton minder dan het plafond van de Europese National Emission Ceiling-richtlijn (NEC) van 128 kiloton. Ten opzichte van 2011 is er sprake van een lichte daling (Jimmink, 2014; Van Bruggen et al.,2014; Compendium 2014). Het NEC-plafond wordt in de nabije toekomst waarschijnlijk verlaagd, mogelijk naar 100 kiloton.

5.5.2 Ammoniakemissiearme huisvesting

In het kader van de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) waren eind 2012 ruim 1.500 emissiearme stallen gebouwd en nog 1.250 in aanbouw. Dit gegeven, en het feit dat de berekende ammoniakemissie uit de landbouw in 2012 ten opzichte van 2011 met 5 kton verminderde, geeft aan dat een doelstelling van 100 kton te realiseren moet zijn. Een toename van het aantal dieren in vooral de melkveehouderij (einde melkquotering in 2015) kan realisatie van de doelstelling lastiger maken.

Het afgelopen jaar zijn de berekeningen voor de uitstoot van de ammoniakemissie geactualiseerd. De reeks voor de jaren 2002 t/m 2011 is daardoor herzien. De meeste actualisaties liggen op het gebied van de huisvesting (Bruggen et al.,2014), maar er zijn ook correcties uitgevoerd op de implementatie van luchtwassers. Uit handhavingsonderzoek in de provincie Noord-Brabant bleek dat de implementatie van luchtwassers minder goed is dan werd verondersteld. Luchtwassers bleken niet altijd operationeel zijn en soms ook minder goed te functioneren (Vonk et al., 2012). Door deze actualisatie is de nieuwe jaarreeks totale ammoniakemissies (landbouw en niet-landbouw samen) 1% (2002) tot 6% (2011) hoger. Voor rundvee is dat voor 2011 7%, voor varkens 12%. In totaal gaat het voor 2011 om 6,6 kton ammoniak extra ammoniakuitstoot ten opzichte van de oorspronkelijke reeks (Jimmink, 2014; Bruggen et al., 2014). De actualisatie leidt niet tot overschrijding van het plafond van de NEC-richtlijn.

Vrijstellingsregeling bovengronds mest toedienen 2014

Drijfmest moet emissiearm worden toegediend. Kringloopboeren (meestal melkveehouders) van de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (VBBM) en de Noordelijke Friese Wouden (NFW) beijveren zich al verscheidene jaren om vrijstelling te krijgen voor het bovengronds toedienen van dierlijke mest. Hun bezwaar tegen emissiearm toedienen is, dat het bodemleven daardoor wordt aangetast. Daarnaast zijn hun argumenten dat ze, door beperkt kunstmestgebruik en een eiwitarme en structuurrijke veevoeding, over dierlijke mest beschikken waaruit minder ammoniak vervluchtigt dan uit mest van reguliere melkveebedrijven (Stuiver en Verhoeven, 2010). De mest van deze bedrijven blijkt inderdaad stikstofarmer (Reijs et al., 2007; Boer et al, 2012). Uit een vergelijkend onderzoek van een groep van 29 kringloopbedrijven in de Noordelijke Friese Wouden (NFW) en een referentiegroep van 29 reguliere melkveebedrijven, bleek dat de emissie van ammoniak per ton melk bij bovengronds toedienen van mest een grote spreiding vertoont tussen de kringloopbedrijven en in een aantal gevallen nauwelijks verschilt van die op referentiebedrijven met emissiearme mesttoediening (Sonneveld et al., 2009).

De VBBM was met die conclusie niet erg gelukkig en diende bezwaar in (VBBM, 2009). De Technische Commissie Bodembeheer (TCB) achtte op basis van bovenvermeld onderzoek de effectiviteit van het alternatieve spoor onvoldoende aangetoond en adviseerde daarom negatief op een verzoek om vrijstelling van emissiearm mest toedienen voor een praktijkproef op grotere schaal (TCB, 2010). De staatssecretaris heeft op verzoek van de Tweede Kamer, besloten om, voorlopig voor 2014, onder voorwaarden vrijstelling te verlenen aan maximaal 100 gecertificeerde kringloopboeren. Om redenen van rechtsgelijkheid en omdat het begrip ‘kringloopboeren’ niet kan worden geobjectiveerd, is de vrijstelling niet beperkt tot leden van de VBBM en de NFW (EZ, 2014c).

5.6 Dierenwelzijn en diergezondheid

5.6.1 Verbetering van dierenwelzijn tijdens lange afstandstransporten

Jaarlijks worden in de EU ruim 12 miljoen levende dieren verplaatst in ruim 50.000 lange afstandstransporten. Dit zijn transporten van langer dan 8 uur. Een deel van deze transporten duurt langer dan 24 of 29 uur (tabel 5.6). Tijdens deze laatste transporten moeten dieren rusten bij een zogenaamde halteplaats. Er zijn ongeveer 120 halteplaatsen die, verspreid over Europa, intensief gebruikt worden. Het overgrote deel van de kalvertransporten is naar Nederland; in 2011 werden bijna 900.000 dieren ingevoerd, waarvan bijna twee derde met een lange afstandstransport.

Het transport van levende dieren wordt kritisch gevolgd, o.a. vanwege de welzijnsproblemen die zich voordoen. In de laatste 20 jaar is een groot aantal EU-verordeningen en - richtlijnen ingevoerd om het dierenwelzijn tijdens transport te verbeteren en de risico’s op de verspreiding van dierziekten in te dammen. Twee verordeningen vormen de kern: Verordening (EU) nr. 1/2005 (de transportverordening) die de bescherming en het welzijn regelt tijdens het vervoer van levende dieren zoals koeien, varkens, kippen, schapen, geiten en paarden en de reistijden begrenst; en Verordening (EG) nr. 1255/97, die minimumeisen stelt aan halteplaatsen.

Uit een evaluatie van Verordening (EG) nr.1/2005 is gebleken dat het dierenwelzijn op transport verbeterd is, maar dat de regeling verschillend wordt gehandhaafd in de lidstaten wat tot onduidelijkheid leidt bij transporteurs. Handhaving kan strenger of minder streng zijn, of de interpretatie kan op sommige punten verschillen. De regels hebben geen effect gehad op het aantal dieren dat is vervoerd.

Certificering als stimulans voor verdere verbeteringen

De Europese Commissie streeft verdere verbetering na door de handhaving te uniformeren en door private certificering te stimuleren. Met subsidie van de Europese Commissie zijn in de projecten ‘Control Post’ I en II twee certificatieschema’s ontwikkeld, één voor halteplaatsen, dat afgerond is in 2010 en één schema voor transportbedrijven dat specifiek dierenwelzijn meet tijdens transport. Het laatste schema wordt dit jaar afgerond. De verwachting is dat juist private certificering zal leiden tot meer naleving.

Een kosten-batenanalyse die binnen Control Post II is uitgevoerd, laat zien dat het implementeren van deze certificatie-schema’s in Europa nettobaten op kan leveren van ruim 5 miljoen euro. Een deel van de baten - naar schatting 4,6 mln. euro - ontstaat doordat naleving zal leiden tot welzijnsverbeteringen, bijvoorbeeld minder uitval van dieren en minder verwondingen. Andere baten ontstaan doordat publiek toezicht op de schema’s verminderd kan worden, wanneer private partijen het schema zelf goed borgen en de overheid informeren (3,6 miljoen euro). Goed borgen van het schema houdt in dat er geen free-riding mogelijk is. Publieke inspectie is namelijk kostbaar, want volgens de transportverordening moet elk lange afstandstransport voor aanvang gecontroleerd worden door een officiële keuringsarts.

Kosten bestaan uit certificeringskosten voor halteplaatsen en transportondernemingen (ruim 800 duizend euro), additionele variabele kosten bij de halteplaatsen (100 duizend euro) en investeringen voor verbeteringen van de voorzieningen (2,1 miljoen euro). Bij de berekeningen is ervan uitgegaan dat de participatiegraad hoog is. Dit kan alleen als het schema door handelaren en afnemers van dieren geëist gaat worden als licence to deliver, zodat het breed gedragen wordt, en baten eerlijk verdeeld worden in de keten. Van beide is nog geen sprake.

In verschillende landen in de EU bestaan nationale, private, certificatieschema’s voor kwaliteitstransport (bijvoorbeeld QS in Duitsland en Denemarken, Red Tractor in de VK, QLL in Nederland). De erkenning van QLL is echter per 1 maart 2014 door de staatssecretaris ingetrokken, omdat bij de audit van 2012 te veel onjuistheden werden gevonden. Door deelname aan QLL konden dieren voorafgaand aan transport in de stal gekeurd worden, in plaats van bij het inladen in de vrachtwagen (klepkeuring). Herintroductie van klepkeuring blijkt tot aanzienlijke kosten te leiden. Dit komt omdat stalkeuring minder tijd neemt en beter te plannen is.

5.6.2 Q-koorts bestrijding en beheersing

Q-koorts is een ziekte die kan overgaan van dier op mens, een zogenaamde zoönose. Bij de Q-koorts uitbraak van 2007 heeft die overdracht daadwerkelijk plaatsgevonden van geiten naar mensen, wat 25 mensen het leven heeft gekost. Dit probleem overstijgt het directe belang van de geitensector en vraagt om een geïntegreerde aanpak. Na de Q-koorts-uitbraak eind 2009, werden geitenhouders in 2010 verplicht jaarlijks preventief te vaccineren. Ook gold in 2010 en 2011 een fokverbod.

Om het effect van bestrijdings- en beheersmaatregelen op verspreiding van de ziekte na te kunnen gaan, ontwikkelt het Centraal Veterinair Instituut (CVI) modellen. Het epidemiologische model voor Q-koorts laat zien dat vaccinaties effectief zijn om de prevalentie van Q-koorts bij een besmette kudde geiten terug te dringen. Preventieve vaccinatie in combinatie met een fokverbod na het positief testen in de melktank komt als beste beheersmaatregel naar voren (Bontje et al., 2013). Een aanvullende economische analyse houdt - naast de kosten voor het bedrijf - ook rekening met de kosten voor de ziekte bij mensen, en laat zien dat de preventieve vaccinatie in combinatie met een fokverbod niet alleen een epidemiologisch effectieve strategie is, maar ook kosteneffectief voor besmette bedrijven. De op het ogenblik verplichte preventieve jaarlijkse vaccinatie blijft ook een kosteneffectieve maatregel als het aantal uitbraken eenmaal drastisch is teruggedrongen, zolang de kans op herintroductie van Q-koorts groter is dan eens per 15-20 jaar (ibidem).

De uitkomsten van het onderzoek onderstrepen dat de in 2010 ingevoerde verplichte jaarlijkse vaccinatie zinvol is. Omdat de gemiddelde levensduur van een geit in een Nederlands melkgeitenkudde 2,7 jaar is, zal bij het stoppen van vaccinatie binnen enkele jaren geen enkele geit meer immuun zijn en bestaat groot gevaar voor opnieuw optreden van problemen bij (her)introductie van de kiem op een geitenbedrijf.

Omdat vaccineren een kleine ingreep bij geiten is, die grote gevolgen kan voorkomen voor mens en dier, is de ingreep nauwelijks een maatschappelijk issue.

5.6.3 Welfare Quality en diergerichtmanagement

In de maatschappelijke discussies over het welzijn van landbouwhuisdieren gaat het vaak over hoe fysieke omgevingsfactoren, zoals ruimte in de stal en voeding, een bijdrage kunnen leveren aan een beter welzijn. Het doel van het in 2004-2009 uitgevoerde Welfare Quality-project was om bij het meten en borgen van dierenwelzijn niet meer (alleen) te kijken naar die omgevingsfactoren, maar het feitelijke welzijn vast te stellen door metingen aan de dieren zelf. Het effect van overheidsbeleid of bovenwettelijke maatregelen door marktpartijen ten behoeve van dierenwelzijn is op die manier beter te toetsen. Het project werd grotendeels door de Europese commissie gefinancierd (www.welfarequality.net).

In het Welfare Quality-project is gewerkt aan protocollen om het welzijn aan het dier te meten. De protocollen beslaan vier terreinen: (1) gedrag; (2) gezondheid; (3) voeding, en (4) huisvesting. De protocollen stonden ook aan de basis van het meten van dierenwelzijn in de Control Post-projecten (zie 5.6.1), maar in de praktijk zijn ze voor veehouders te omslachtig. Dit was voor de Nederlandse overheid aanleiding voor aanvullend onderzoek naar vereenvoudiging van de protocollen. Zo wordt op dit moment een vereenvoudigde welzijnsmonitor voor de kalversector in de praktijk getoetst. Het ministerie van EZ, Dierenbescherming, Productschap Vee en Vlees, Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector en Wageningen UR werken daarin samen met 70 kalverhouders (Wqnews, 2013). Op de bedrijven wordt met de vastgelegde welzijnsparameters een zogenaamde sterkte/zwakte-analyse van de koppel gemaakt. Daarnaast worden waarnemingen aan de slachtlijn gedaan. Op basis van de uitkomsten van de monitor geven dierenarts en bedrijfsbegeleider gerichte adviezen aan kalverhouders om het welzijn op de bedrijven te verbeteren. Andere ketenpartijen kunnen gebruik gaan maken van deze nieuwe inzichten om dierenwelzijnclaims (bijvoorbeeld in certificatieschema’s) te borgen richting de markt.

Oog voor dieren

Een welzijnsmonitor maakt het ook mogelijk meer inzicht te krijgen in de effecten van verschillend management op de primaire bedrijven. ‘Diergerichte’ veehouders lijken veel aandacht te hebben voor de behoeften en het gedrag van de dieren en proberen stress te voorkomen. Van der Peet-Schwering et al. (2013) hebben onderzoek gedaan naar het houden van beren en zij stellen dat ‘diergericht-management’ leidt tot minder ongewenst gedrag en minder huidbeschadigingen bij de varkens. De varkens op ‘diergerichte’ bedrijven bleken minder angstig te zijn als een vreemde de stal in kwam. Stress bij de varkens wordt onder meer beperkt door ze van jongs af aan positief en rustig te benaderen.

Sinds januari 2014 worden beren in Nederland niet meer gecastreerd. In de Verklaring van Dalfsen (10 juni 2013) hebben LTO en NVV de ambitie neergelegd om op termijn ook geheel te stoppen met het couperen van varkensstaarten, ondersteund door Coppens Diervoeding, Topigs, KNMvD en Vion Food Group, de Dierenbescherming en Wageningen UR. In de verklaring wordt benadrukt dat staartbijten een lastig probleem is dat verschillende oorzaken kan hebben, maar dat management een cruciale rol speelt bij het voorkomen ervan. Het ‘oog voor dieren’, zoals De Rooij et al. (2010) het noemen, is een thema dat de komende tijd in de belangstelling zal blijven staan.

Literatuur