De land- en tuinbouw in breder economisch perspectief

1.1  Algemene economie

1.1.1  Wereld en EU

Het voorzichtige herstel van de wereldeconomie dat in 2013 begon, lijkt aan te houden aldus het IMF in zijn update van de World Economic Outlook uit april 2014 (IMF, 2014). Deze groei vindt zijn oorsprong vooral in de ontwikkelde landen. Met name de economie van de VS trekt aan, onder andere vanwege een sterke groei van de export en herstel van de vastgoedmarkt. Het herstel van de Amerikaanse economie zet volgens de prognose van het IMF ook in 2015 door (tabel 1.1).

Ook de economie van de eurozone trekt aan, vooral dankzij Duitsland waar de verwachte groei voor 2014 1,7% bedraagt. Dit is ruim boven het gemiddelde van de eurozone. De zuidelijke landen van de eurozone halen dit gemiddelde omlaag; voor Italië en Spanje is een groei geraamd van respectievelijk 0,6 en 0,9%.

Voor de opkomende economieën zijn de prognoses eveneens positief, al liggen de groeicijfers nog wel lager dan in bijvoorbeeld 2010 en 2011. De verwachtingen zijn mede het gevolg van de aantrekkende vraag van de ontwikkelde landen en devaluaties van de eigen munt. Alleen in China en Japan wordt een lagere groei verwacht. In China zwakt de verwachte groei af omdat de kredietverlening aan banden zal worden gelegd en er meer aandacht zal zijn voor een meer gebalanceerde en duurzame economische groei. Dat laatste betekent onder andere dat de milieuregels voor bedrijven zullen worden aangescherpt. De lagere groei in Japan is het gevolg van strengere belastingmaatregelen, waaronder een verhoging van de belasting op consumptie. Het volume van de wereldhandel in goederen nam in 2013 toe met 3% en stijgt naar verwachting in 2014 naar ruim 5% (CPB, 2014). De groei in de voor Nederland relevante wereldhandel, waarbij landen en productgroepen die relatief belangrijk zijn voor de Nederlandse uitvoer een groter gewicht krijgen, blijft daar bij achter (tabel 1.2). Het verschil is echter kleiner dan in voorgaande jaren, wat is toe te schrijven aan de aantrekkende economieën in de eurozone en de VS. Beide gebieden zijn belangrijke afzetmarkten voor Nederland.

Het herstel van de wereldeconomie is bescheiden. De groei in 2013 was de laagste sinds de crisis van 2009. Een nieuwe zorg is de gestage afname van de inflatie, alhoewel het niet de verwachting is dat deze zal omslaan in deflatie. De verwachtingen van IMF en OESO zijn dat op korte termijn de grondstoffen- en goederenprijzen wereldwijd zwak blijven en de olieprijs licht zal dalen.

1.1.2  Nederland

Het CPB is gematigd optimistisch over de Nederlandse economie en spreekt van een voorzichtig economisch herstel. Daarbij merkt het CPB op dat de groeiverwachtingen zeker niet uitbundig te noemen zijn, de Nederlandse economie heeft zich nog niet bijzonder goed hersteld van de financiële crisis. Zo wordt voor 2014 een groei verwacht van 0,75%, voor 2015 stijgt dit naar 1,25% (tabel 1.3). De aantrekkende buitenlandse handel is een motor achter de groei, maar ook de binnenlandse bestedingen - en dan met name investeringen van bedrijven - dragen in 2014 bij, aldus het CPB. Naar verwachting zal de consumptie in 2015 weer enigszins toenemen, nadat jarenlang sprake is geweest van een daling. De inflatie blijft met 1,5% laag. De werkloosheid zal in 2015 iets afnemen in vergelijking met 2014, maar is met 7% van de beroepsbevolking nog altijd hoog.

1.1.3  Internationale speelveld agrosector

De context waarin de Nederlandse agrosector opereert, is bij uitstek een internationale. De Nederlandse economie is open en Nederlandse bedrijven opereren op de internationale markt, waarvan de binnenlandse markt een onderdeel is. Open markten, die geen of nauwelijks toetredingsdrempels kennen, worden gekenmerkt door (potentiële) concurrentie. Die (potentiële) concurrentie ‘dwingt’ bedrijven als het ware continu te streven naar een hogere efficiëntie en een betere productkwaliteit. Maar het succes van bedrijven hangt niet alleen af van de eigen bedrijfsinspanningen. Ook de institutionele omgeving speelt daarin een rol. En hoewel die institutionele omgeving voor een belangrijk deel uit historisch gegroeide structuren bestaat, zijn die structuren niet ‘vast’. Ze staan onder invloed van externe ontwikkelingen waaronder gericht en meer generiek overheidsbeleid. Het is een begrijpelijke wens van bedrijven om van dat overheidsbeleid zo min mogelijk hinder te ondervinden; en, in geval buitenlandse concurrenten voordeel van ‘hun’ nationale beleid hebben, vragen om een beleidswijziging zodat van eenzelfde voordeel kan worden genoten. Bedrijven verlangen (minimaal) een gelijk internationaal speelveld.

In opdracht van de ministeries van EZ en Financiën is onderzocht hoe dit internationale speelveld er in de praktijk voor de Nederlandse agrosector uitziet en hoe de helling van dit speelveld, in de concurrentieslag met agrobedrijven in andere landen, door het overheidsbeleid wordt beïnvloed. Hieronder volgen enkele uitkomsten van het onderzoek (Silvis et al., 2014).

Een gelijk speelveld bestaat niet ...

De economische literatuur kent geen eenduidige definitie van het begrip ‘gelijk speelveld’. In de praktijk domineert de interpretatie ‘gelijke regels voor alle marktaanbieders’. Voor landen die qua economische ontwikkeling ver uiteen liggen, wordt de definitie ‘beleid gericht op gelijke uitkomsten‘ soms gebruikt. In de WTO heeft deze tweede definitie vorm gekregen in het begrip ‘special and differential treatment’.

De definitie ‘gelijke regels voor alle marktaanbieders’ is voor de Nederlandse agrosector het meest relevant, ze komt tegemoet aan het intuïtief aantrekkelijke idee van ‘eerlijke concurrentie’. Een praktische invulling van het begrip is evenwel niet eenvoudig. Dit komt onder andere omdat producenten in verschillende landen nu eenmaal altijd met een veelheid van eigen nationale wetgeving te maken hebben. Daar zijn drie redenen voor.

Ten eerste is er het feit dat bedrijven in verschillende landen per definitie onder een verschillende jurisdictie vallen; ten tweede omdat een historische bevoordeling potentiële concurrenten op een ‘bijna definitieve’ achterstand kan plaatsen; en ten derde omdat een ogenschijnlijke achterstelling, i.e. een ongelijk speelveld, een uitdrukking kan zijn van verschillen in nationale preferenties, een factor die vooral bij externe effecten speelt.

... en vindt ook geen rechtvaardiging in de economische theorie

De roep om een gelijk speelveld door bedrijven mag dan begrijpelijk zijn, de economische theorie is minder uitgesproken over de noodzaak ervan. Maatregelen gericht op het gelijker maken van het speelveld kunnen namelijk per saldo ook leiden tot een vermindering van de welvaart. Indien buitenlandse producenten door hun overheid worden gesteund, is het vanuit het gezichtspunt van een maatschappelijk streven naar welvaart dikwijls aantrekkelijker om juist maximaal van die buitenlandse subsidies te profiteren, en niet om de eigen producenten te compenseren door ze ook steun te verlenen. Anders gezegd: wat goed is voor een bedrijf is niet noodzakelijk ook goed voor de maatschappij als geheel. Om die reden verdient het aanbeveling om overheidsmaatregelen, waaronder maatregelen gericht op het gelijker (of ongelijker) maken van het speelveld, eerst te beoordelen op hun netto bijdrage aan de nationale welvaart alvorens tot invoering ervan te besluiten.

Speelveldeffecten van beleid in de agrosector

De nationale overheid en de EU interveniëren op vele manieren in de agrosector. Enigszins geschematiseerd kunnen deze interventies in twee typen worden ingedeeld. Allereerst zijn er de generieke maatregelen, zoals overheidsinves-teringen in infrastructuur, het algemeen onderwijs e.d. Deze vormen van steun spelen in discussies over eerlijke concurrentie nauwelijks een rol. Daarnaast vinden er direct op de sector gerichte interventies plaats, in de vorm van subsidies, regelgeving, fiscale maatregelen e.d. Het zijn de interventies die tot deze tweede categorie behoren die dikwijls aanleiding zijn voor discussies over speelveldongelijkheden en (on)eerlijke concurrentie.

In het speelveldonderzoek is voor verschillende thema’s nagegaan in hoeverre het overheids- en EU-beleid in de vergelijkingslanden - Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Polen - de positie van de Nederlandse agrosector op het speelveld verbetert of juist moeilijker maakt. Het gaat onder meer om de bedrijfstoeslagen van het GLB, het plattelandsbeleid, het dierenwelzijnsbeleid, het milieubeleid op het gebied van mineralen en ammoniak, het kennisbeleid en de inkomsten- en winstbelasting.

Uit het onderzoek komt naar voren dat, uitgaande van het beleid van de afgelopen jaren, de Nederlandse agrosector niet méér wordt gesteund door de overheid dan de agrosector in de referentielanden. Ook het EU-beleid pakt voor de Nederlandse agrosector niet gunstiger uit. Zo er al sprake is van speelveldeffecten, dan zijn die voor de Nederlandse agrosector meer negatief dan positief. Dat geldt vooral voor de bedrijfstoeslagen van het EU-landbouwbeleid en voor het energiebeleid. Er zijn ook beleidsvelden die voor de Nederlandse agrosector licht positief zijn beoordeeld, zoals bepaalde fiscale faciliteiten en de handelsbevordering. Een speelveldnadeel of -voordeel in de sector betekent overigens niet noodzakelijk dat de maatschappelijke welvaart als geheel negatief/positief wordt beïnvloed. Het onderzoek laat zien dat over het geheel gezien de speelveldeffecten van het uiteenlopende beleid in de referentielanden niet heel groot zijn. In de meeste gevallen lijken de effecten op de relatieve concurrentieposities nogal bescheiden. Op zichzelf is dit niet verrassend. De gekozen referentielanden zijn alle lid van de EU, ze hebben dus met eenzelfde beleid te maken. Dit beleid laat de lidstaten niet veel ruimte voor een eigen weg. En verder geldt dat de EU op haar beurt weer gebonden is aan afspraken die in WTO-verband zijn gemaakt. Ook deze afspraken laten steeds minder ruimte voor gerichte, speelveld beïnvloedende, steun aan de landbouw.

1.2  Productie en prijzen

1.2.1  Productie

Akkerbouwproducten

Het jaar 2013/14 is een goed productiejaar, voor vrijwel alle gewassen is de oogst hoger dan in 2012 (tabel 1.4). Zo nam volgens de Food Outlook van de FAO (2013) de productie van granen met 8% toe in 2013/2014, onder meer dankzij een zeer goede oogst van mais in de Verenigde Staten en van tarwe in de Gemenebest van Onafhankelijke Staten (waartoe onder meer Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne behoren). Voor de EU is een productie van ruim 300 mln. ton granen geraamd, waarvan bijna 145 mln. ton tarwe.

De meest recente cijfers van de FAO, uit maart 2014, geven voor granen een productie van 2.515 mln. ton aan (FAO, 2014). Voor tarwe (716 mln. ton) en voedergranen (1.305 mln. ton) is de productieschatting naar boven bij gesteld, met name vanwege een meevallende oogst in Australië. Voor rijst is de raming ongewijzigd.

De recordoogsten zorgen ervoor dat de graanvoorraden flink zijn toegenomen, volgens de FAO (2013) ligt de zogenaamde stocks-to-use-ratio voor granen voor 2013/14 naar schatting rond de 23%. Ter vergelijking, ten tijde van de prijspiek in 2008 lag deze rond de 18%. Dankzij de recordproductie is de graanprijs gedaald (zie verder).

Ook voor oliezaden geldt dat recordoogsten in vooral Zuid-Amerika hebben geleid tot een aanvulling van de voorraden, waardoor de druk op de prijzen kon afnemen.

Het beeld voor suiker is enigszins afwijkend. De verwachte groei van de productie is bescheiden, na eerdere forse groei in reactie op de zeer lage voorraden in de periode 2008-2011.

Vlees

De productie van vlees is in 2013 verder toegenomen, maar de groei is bescheiden in vergelijking met granen (tabel 1.5). De stijging van de productie zit vooral bij varkens- en pluimveevlees. China speelt daarin een hoofdrol. Naar schatting ligt de Chinese productie in 2013 op bijna 55 mln. ton varkensvlees, dat is bijna de helft van de mondiale productie. Voor pluimveevlees is China na de Verenigde Staten de grootste producent, met een productie van ruim 18 mln. ton in 2013. De inschatting is dat China op niet al te lange termijn de VS zal voorbijstreven, tenzij uitbraken van ziektes in de Chinese pluimveehouderij de productie inperken.

Zuivel

De productie steeg in 2013 met 1,9% naar 780 mln. ton melk. De groei vindt zijn oorsprong vooral in Azië. In India, met een aandeel van circa 20% in de mondiale productie de belangrijkste producent van melk, steeg de productie naar 141 mln. ton. Groei van de bevolking en toename van het inkomen zijn de belangrijkste drijfveren achter deze stijging. In de EU bleef de melkproductie stabiel op 156 mln. ton, maar voor het eerst in jaren nam het aantal koeien weer toe, een aanwijzing dat producenten zich voorbereiden op de afschaffing van de quota per 1 april 2015.

Productie sterk geconcentreerd

Uit figuur 1.1 blijkt dat de landbouwproductie in sterke mate is geconcentreerd in de Verenigde Staten, de Europese Unie, Brazilië en China. Voor granen en tarwe geldt dat vier producenten bijna 60% van de productie in handen hebben, voor varkensvlees en mais liggen deze percentages nog hoger. In vergelijking met tien jaar geleden is met name de productie van varkensvlees, dankzij de sterke groei van de productie in China, sterker geconcentreerd. Voor de andere in figuur 1.1 weergegeven producten is het beeld minder eenduidig. Wel geldt - wat ook is terug te zien in de handelscijfers (zie §1.3) - dat de productie van landen als China, Brazilië en India is toegenomen.

1.2.2  Ontwikkeling agrarische prijzen

De prijsindex voor voedsel die de FAO maandelijks publiceert laat zien dat deze vrij stabiel is gebleven in 2013 (FAO, 2013). Het onderliggende beeld is echter per product zeer uiteenlopend. De graanprijzen daalden over het gehele jaar. Daar staat tegenover dat de zuivelprijzen tot een recordhoogte zijn gestegen. De prijzen voor vlees en oliezaden bleven vrijwel op hetzelfde niveau (figuur 1.2). Alhoewel de voedselprijsindex daarmee niet op het niveau van de jaren 2008 of 2011 is gekomen, blijft deze onveranderlijk hoog in vergelijking met de jaren voor 2008. Ten opzichte van 2012 lag de voedselprijsindex een fractie lager in 2013 (161,0 versus 159,9). Ten algemene constateert de FAO (2013) dat de voedselmarkten meer in balans zijn en de prijsvolatiliteit is afgenomen.

Grotere vraag leidt tot flinke stijging zuivelprijzen

Nadat zuivelprijzen door een groter aanbod op de wereldmarkt sterk daalden in 2011 en de eerste helft van 2012, is er een sterke stijging te zien vanaf juli 2012. De zuivelprijsindex is in 2013 met maar liefst 27% gestegen vergeleken met 2012. Deze stijging kan deels worden verklaard door een groeiende vraag uit China. De import van zuivel door China is bijna vervijfvoudigd tussen 2001 en 2011 (FAO handelsdata), waardoor China de grootste zuivelimporteur van de wereld is geworden. Omdat het aanbod van zuivel relatief wat achterbleef (onder andere in China zelf en in Nieuw-Zeeland door droogte), steeg de zuivelprijs sterk.

Graanprijzen vrij stabiel

De ontwikkeling van de graanprijzen op de wereldmarkt is van groot belang voor de ontwikkeling van andere prijzen, zoals die van concurrerende producten als oliezaden en peulvruchten. De hoogte van de graanprijzen is ook indirect via de veevoerprijzen van invloed op de zuivel en vleesprijzen. De prijzen van granen zijn iets gedaald in 2013. De FAO prijsindex voor granen lag gemiddeld in 2012 6% onder die van 2013.

Het beeld is echter voor de verschillende granen divers. Zo zijn de prijzen van mais en rijst sterk gedaald, terwijl de prijs voor tarwe vrijwel constant is gebleven. De prijs van mais is onder druk komen te staan door zeer goede oogsten in de Verenigde Staten, de grootste maisproducent van de wereld. Omdat de vraag naar mais daardoor licht steeg, bleef een verdere prijsdaling uit aan het eind van 2013. De prijs van rijst daalde door goede oogsten in grote producerende landen, en de verkoop van rijstvoorraden door Thailand, een van de grootste rijstproducenten in de wereld.

De prijzen voor oliezaden zijn sinds 2012 gedaald. Alhoewel de vraag uit Zuidoost-Azië onveranderd sterk is gebleven (vooral uit China), is er meer areaal aan oliezaden ingezaaid. Daarbij waren de oogsten in met name Latijns-Amerika zeer goed, waardoor de prijzen daalden. Dit zou een neerwaarts effect moeten hebben op de prijzen van vlees, ware het niet dat door de aanhoudende economische groei in met name Zuidoost-Azië de vraag naar vlees blijft stijgen. De wereldmarkprijzen voor vlees laten daarom een lichte stijging zien, net als in 2012. De prijzen van de verschillende vleessoorten lopen wel uiteen. Het voer voor kippen is een stuk goedkoper geworden, waardoor prijzen van kippenvlees iets daalden. De rund- en schapenvleesprijzen zijn vrijwel constant gebleven, terwijl de prijs van varkensvlees is gestegen. De redenen voor de uiteenlopende prijzen zijn toe te schrijven aan verschillen in productieontwikkeling.

1.3  Handel en handelsbeleid

1.3.1  Agrarische handel

Op de wereldmarkt van agrarische producten en voedingsmiddelen is Azië de afgelopen jaren de belangrijkste speler geworden. Het gaat dan zowel om de uitvoer, waarin Azië een aandeel heeft van ruim 28%, als om de invoer waarin het aandeel van Azië ruim 38% bedraagt. Azië heeft met ruim 78 mrd. euro het grootste importsaldo, Latijns-Amerika is de belangrijkste netto-exporteur met een handelsoverschot van bijna 105 mrd. euro.

Het zijn vooral de EU en de NAFTA die aandeel hebben moeten inleveren ten opzichte van de andere handelsblokken (figuur 1.3). Qua handelsbelang liggen de EU-27 en de NAFTA nu dichter bij elkaar dan begin 21ste eeuw. Toen domineerde de NAFTA met een aandeel in de export van ruim 28%, tegen ruim 16% voor de EU. Het aandeel van de NAFTA in de export was in 2011/12 gedaald naar ruim 21%, voor de EU lag het in 2011/2012 op ruim 14%. Een vergelijkbare ontwikkeling is te zien aan de invoerkant, het aandeel van de NAFTA daalde van ruim 24% naar bijna 19%, de EU-27 zag haar gewicht afnemen van 20% naar ruim 17%.

Agrarische handel van de EU-27

De agrarische handel van de EU is voor het overgrote deel intrahandel. Ongeveer een kwart is handel met derde landen. In de totale handel met derde landen schommelde het aandeel van agrarische producten rond de 7,5% in de periode 2009-2013. Dit aandeel geldt zowel voor de invoer- als de uitvoer.

De in- en uitvoer van de EU-27 met derde landen is voor 2011/2012 weergegeven in tabel 1.6, uitgesplitst naar productcategorieën. In totaal voerde de EU-27 voor ruim 114 mrd. euro in, de uitvoer bedroeg in 2011/2012 bijna 106 mrd. euro. De belangrijkste exportproducten van de EU-27 zijn dranken, zuivelproducten en vlees. Aan de invoerkant gaat het om vis, fruit en noten, en koffie, thee en specerijen.

De samenstelling van de handel van de EU is over de afgelopen tien jaar tamelijk constant. De grootse wijzigingen aan de invoerzijde - in termen van aandeel in de totale handel - vonden plaats bij de invoer van levende dieren en van zuivelproducten. Beide aandelen liepen sterk terug, maar het belang van deze producten op de totale invoer is gering. Ook de invoer van koffie, thee en specerijen, en van oliën en vetten is het afgelopen decennium in waarde fors toegenomen. Aan de uitvoerkant is sprake van een sterke stijging van de graanuitvoer en een forse daling van de export van suiker(producten) in de periode 2001/2002-2011/2012.

Bescheiden groei agrarische handel Nederland

De waarde van de Nederlandse in- en uitvoer van agrarische producten nam in 2013 licht toe ten opzichte van een jaar eerder. De invoer steeg met zo’n 2% tot bijna 56 mrd. euro; de uitvoer nam met circa 5% toe tot ruim 83 mrd. euro, waardoor het agrarische handelsoverschot met circa 3 mrd. euro groeide. Het beeld van de agrarische handel wijkt daarmee af van dat van de totale handel van Nederland waarvan zowel de invoer- als de uitvoerwaarde daalde in 2013. Het aandeel van de agrarische handel in de totale handel schommelt aan de invoerzijde rond de 12 à 13%, aan de uitvoerzijde liggen de percentages rond de 15 à 17. De agrarische handel vormt daarmee een pijler onder de Nederlandse handel.

Het overgrote deel van de Nederlandse agrarische handel vindt plaats binnen de EU. Van de uitvoer gaat 80% naar de EU, de invoer komt voor 56% uit de EU. Binnen de EU zijn de naaste buren de belangrijkste handelspartners. Ongeveer één derde van de intrahandel vindt plaats met Duitsland; België, Luxemburg, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben samen een aandeel van rond de 40%. Het beeld voor de totale Nederlandse handel wijkt hier weinig van af.

De belangrijkste invoerproducten uit de EU zijn vlees, zuivel, granen en graanbereidingen. Bij de zuivelinvoer gaat het vooral om onverwerkte melk, wei en mager melkpoeder. Deze producten worden gebruikt als grondstof in de voedings- en genotmiddelenindustrie. De importen uit derde landen bestaan uit (tropisch) fruit, margarine, vetten en oliën, veevoedergrondstoffen en koffie- en cacaobonen.

Bij de export naar de EU vormen vlees, sierteeltproducten en margarine, vetten en oliën de top-3. Bij de uitvoer naar derde landen gaat het vooral om bewerkte producten als zuivel, graanbereidingen en dranken, en om sierteeltproducten (figuur 1.4).

1.3.2  WTO-akkoord Bali

Eindelijk lijkt er enig schot te zitten in de WTO Doha ronde. In december 2013 werd tijdens een bijeenkomst op Bali namelijk een akkoord bereikt om de internationale handel te bevorderen, het eerste echte wapenfeit van de WTO sinds zijn oprichting in 1995. Voor de landbouwsector kwamen de 160 leden van de organisatie in principe een regeling overeen over voedselvoorraden, verbetering van markttoegang voor de minst-ontwikkelde landen en handelsfacilitatie (WTO, 2014).

Volgens de regeling krijgen ontwikkelingslanden de mogelijkheid om een voedselvoorraad (food stock reserve) aan te leggen met het doel de voedselzekerheid in hun land te vergroten. Bij veel WTO-leden bestond hier weerstand tegen, omdat men bang is dat dit leidt tot handelsverstoring en eerdere afspraken over maximale steunniveaus aan de sector ondergraaft. Als oplossing is gekozen voor een tijdelijke regeling, die ontwikkelingslanden onder bepaalde voorwaarden toestaat voorraden aan te leggen. Het overleg gaat voort om tot een permanente regeling te komen.

Om de markttoegang voor de minst ontwikkelde landen (MOLs) te verbeteren, is afgesproken om importen van goederen uit deze landen vrij te stellen van heffingen en volumebeperkingen (duty-free and quota-free). De MOLs profiteren over het algemeen al in veel gevallen van een voorkeursbehandeling (bijvoorbeeld de Everything But Arms-regeling van de EU). Nu is afgesproken dat ontwikkelde landen deze importregeling van toepassing verklaren voor tenminste 97% van alle producten uit de MOLs en dat ontwikkelingslanden dit ook in hun onderlinge handel veel meer zullen doen.

Handelsfacilitatie gaat vooral over het verminderen van transactiekosten in internationale handel. Te denken valt aan versoepeling van grensprocedures, zoals inspecties en papierwerk. Er zijn afspraken gemaakt om de informatievoorziening over procedures, regels en kosten waar exporteurs en importeurs mee te maken hebben aan de grens te verbeteren, en de samenwerking tussen grensautoriteiten te vergroten. Een binnen de WTO opgericht comité zal toezien op implementatie van de afspraken, die in beginsel start zodra het akkoord is overeengekomen. Ontwikkelingslanden krijgen meer tijd (tot maximaal 3 jaar nadat het akkoord van kracht is geworden) voor het uitvoeren van de afspraken en krijgen hierbij hulp van zogenoemde donorlanden.

Ofschoon de afspraken nog moeten worden uitgewerkt voordat ze in de praktijk kunnen worden gebracht, wordt ‘Bali’ gezien als een teken dat de WTO als organisatie nog steeds van belang is om handel tussen landen te bevorderen. Vanwege de moeizame voortgang van de Doha-ronde in de afgelopen jaren, werd er steeds meer getwijfeld aan de effectiviteit van multilaterale besprekingen. Veel landen hebben daarom de afgelopen jaren ingezet op het afsluiten van bilaterale of regionale handelsakkoorden.

1.3.3  Bilaterale afspraken

Exponenten van regionale handelsakkoorden waaraan nu wordt gewerkt zijn de twee waar de VS bij betrokken is. Ten eerste een Trans-Pacific Partnership (TPP) waarin de VS afspraken op het gebied van handel en investeringen maakt met 11 landen rond de Stille Oceaan. Het gaat om onder meer Australië, Nieuw Zeeland, Vietnam, Chili, Peru, Canada en Japan; deze landen zijn samen met de VS goed zijn voor 40% van de ’s werelds BNP en een-derde van de internationale handel. Het tweede akkoord is de Trans-Atlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) met de EU.

Mega-deal van de EU met de VS op komst?

In de zomer van 2013 zijn de EU en de VS onderhandelingen gestart voor een handels- en investeringsakkoord. Naar verwachting zullen die onderhandelingen nog tot het eind van 2014 voortduren (EC, 2014b). Als de EU en de VS tot een overeenstemming komen zou de TTIP het grootste vrijhandelsakkoord ooit zijn.

Een TTIP moet de kosten voor het bedrijfsleven verlagen en voor groei en werkgelegenheid zorgen. Het akkoord zou de EU-economie op termijn met 120 miljard euro kunnen laten groeien (CEPR, 2013). EU’s agro-food industrie zou in totaal circa 10% meer kunnen exporteren, en samen met de automobiel- en metaalindustrie het meest profiteren, vooral van het opheffen van zogenoemde non-tariff measures (NTMs). Non-tariff measures zijn voorschriften en standaarden waaraan de invoer van goederen moet voldoen, bijvoorbeeld technische specificaties, hygiënevoorschriften of milieueisen die een handelsbelemmering kunnen vormen en tot handelskosten leiden. Overigens zou de EU-import van voedselproducten ook zo’n 10% toenemen.

De Nederlandse agro-industrie zou ook profiteren van ruimere handelsmogelijkheden met de VS. Nu is bijvoorbeeld de zuivelexport vanuit de EU gebonden aan importquota van de VS, en weert de VS nog steeds rundvlees uit de EU vanwege de BSE-uitbraak in de jaren negentig. Tegelijkertijd stelt de EU forse eisen aan de import van vlees: dit mag geen groeihormonen bevatten of gedecontamineerd (met chloorwater behandeld) zijn. Beide zijn gangbare praktijken in de VS. Indien een oplossing kan worden gevonden voor deze knelpunten, tarieven zouden worden afgeschaft en voorschriften en standaarden zouden worden geharmoniseerd, zou de onderlinge handel in agro-producten belangrijk kunnen toenemen. Uiteindelijk zou het bruto nationaal product van Nederland zo’n 70 miljard euro hoger uit kunnen komen dan zonder een akkoord (Van Berkum et al., 2014). De Nederlandse zuivelsector zal marktaandeel op de Amerikaanse markt winnen, maar tegelijkertijd zal Amerikaanse zuivel en vlees een groter aandeel op de Europese markt veroveren. De ingeschatte effecten zijn vooral afhankelijk van de mate waarin de non-tarifaire handelskosten zullen worden verminderd met een akkoord. Tarieven vormen namelijk niet (meer) de grootste belemmering bij onderlinge handel, dat zijn de verschillen in standaarden en technische en administratieve voorschriften. Vooralsnog lijkt de EU evenwel op het standpunt te staan om op het gebied van gezondheids- en voedselveiligheidsvoorschriften geen concessies te doen aan de VS (Bridges Weekly, 2014a).

EU voert vrijhandelsbesprekingen met tal van landen

Naast de onderhandelingen met de VS is de EU in 2013 ook gestart met besprekingen met China (over investeringen) en Japan. Andere besprekingen over vrijhandelsafspraken lopen nog met onder andere Vietnam, Maleisië, Thailand en India, terwijl die met Mercosur (o.a. Brazilië en Argentinië) na lange stilstand weer lijken te worden voortgezet. Met ACP-landen (voormalige koloniën van EU-lidstaten) wordt gestaag doorgewerkt aan het opstellen van economische partnerschappen. Ook past de EU haar voorwaarden van het GSP (General System of Preferences) voor ontwikkelingslanden aan in 2014. Als gevolg daarvan zullen landen die nu qua inkomen niet meer tot de ontwikkelingslanden gerekend worden, zoals Brazilië en China, hun toegang tot de EU-markt zien verslechteren. Met Canada werden in 2013 de onderhandelingen over een handelsakkoord succesvol afgesloten. Naar verwachting zal op agro-gebied met name de zuivelsector in Nederland van deze overeenkomst kunnen profiteren (Rijksoverheid, 2013).

EU’s burenbeleid leidt tot spanningen met Rusland

Al sinds 2009 is de EU in gesprek met voormalige Sovjetrepublieken om de politieke en economische banden te verstevigen in het kader van de European Neighbourhood Policy (ENP). Dat heeft in 2013 geresulteerd in het afsluiten van een zogenoemde Deep and Comprehensive Free Trade Agreement (DCFTA) met Moldavië, Armenië en Georgië. Omdat Armenië vervolgens heeft aangekondigd zich aan te willen sluiten bij de douane-unie van Rusland, Wit-Rusland en Kazakstan, is de uitwerking van de overeenkomst met dit land voorlopig in de ijskast gezet. Met Oekraïne werd in de loop van 2013 ook een DCFTA afgesloten, waarin naast importtariefsverlagingen ook afspraken zijn opgenomen over economische hervormingen die handel moeten vergemakkelijken. Vanwege de politieke situatie in Oekraïne moet de ondertekening van het akkoord nog plaatsvinden. Ondertussen heeft de EU wel voorgesteld om tijdelijk haar importtarieven op met name agrarische producten uit Oekraïne te verlagen (Bridges Weekly, 2014b). Deze geste is een poging om de Oekraïense economie te ondersteunen en tegelijkertijd weerstand te bieden aan de druk van Rusland om Oekraïne lid te maken van een douane-unie met andere voormalige Sovjetrepublieken (zie kader).


Gevolgen douane-unie Russische Federatie met Kazakhstan en Wit-Rusland

voor EU-export

Sinds 2010 vormen Rusland, Wit-Rusland en Kazakstan een douane-unie, met als doel ook andere voormalige Sovjetrepublieken hierbij te betrekken en uiteindelijk een Eurasian Union te vormen. De afbouw van tarieven en andere handels­belemmeringen tussen de huidige leden van de douane-unie vindt plaats tot en met 2015. Gevreesd werd dat de vorming van een douane-unie de export van de EU naar deze drie landen zou beperken, omdat de unie kan leiden tot voorkeur voor onderlinge exportproducten (Berkum en Dvorsin, 2011). Vooralsnog blijkt de EU op het gebied van agro-food producten echter weinig hinder te hebben gehad van de vorming van de douane-unie: de export naar de drie landen gezamenlijk is gestegen van 10 miljard euro in 2008 tot ruim 14,5 miljard in 2013 (figuur 1.5).